Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB5410

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-09-2007
Datum publicatie
11-10-2007
Zaaknummer
07-6032
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing urgentieverklaring.

Geen dringende noodzaak tot herhuisvesting nu de nijpende situatie van verzoeker niet is ontstaan door medische of psychosociale klachten in de relatie tot de huidige woning. Hardheidsclausule niet van toepassing. Geen sprake van opgewekt vertrouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 6032 VEROR

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 september 2007

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. W.I. Feenstra, advocaat en procureur te Haarlem,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2007, verzonden op 21 augustus 2007, heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 6 september 2007 bezwaar gemaakt. Bij brief van 6 september 2007 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 24 september 2007, alwaar verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.P. Esselink en mr. A.E. van de Weijer, werkzaam bij de gemeente Zandvoort.

2. Overwegingen

2.1 Verzoeker heeft op 26 juli 2007 een aanvraag voor een urgentieverklaring ingediend, omdat hij binnenkort zijn woning moet verlaten. Deze aanvraag is afgewezen.

2.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, eerste lid, Huisvestingsverordening, alsmede dat er geen aanleiding is voor toepassing van de hardheidsclausule.

2.3 Verzoeker betoogt dat sprake is van een levensbedreigende en/of een maatschappelijk onaanvaardbare situatie. Volgens verzoeker is door verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom hiervan geen sprake is. Ook stelt verzoeker dat het besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen nu onvoldoende rekening is gehouden met zijn belangen en die van zijn gezin. Evenmin is volgens verzoeker gemotiveerd waarom er geen reden is de hardheidsclausule toe te passen. Voorts stelt verzoeker dat sprake is van opgewekte verwachtingen nu aan hem een woning is aangeboden en hij deze ook heeft geaccepteerd.

2.4 De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.5 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voorzover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.6 Artikel 14, eerste lid van de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland 2007 (hierna: Huisvestingsverordening) bepaalt dat als een woningzoekende die voldoet aan artikel 9, tweede lid, van de wet en artikel 8 van deze verordening, en ingezetene is van de regio Zuid-Kennemerland, dringend behoefte heeft aan (andere) woonruimte, verweerder in de in artikel 15 en 16 omschreven gevallen op schriftelijk verzoek een urgentieverklaring kan verlenen.

2.7 Ingevolge artikel 15, eerste lid van de Huisvestingsverordening kan de in artikel 14, eerste lid, bedoelde urgentie worden verleend indien er sprake is van een medische of psychosociale klacht in relatie met de huidige woning waaruit een dringende noodzaak tot (her)huisvesting op korte termijn voortvloeit. Deze noodzaak is alleen aanwezig als er sprake is van een levensbedreigende of maatschappelijk onaanvaardbare situatie.

2.8 Ingevolge artikel 15, tweede lid, Huisvestingsverordening vraagt verweerder voorafgaand aan de besluitvorming omtrent de urgentieaanvraag advies aan de urgentiecommissie, zoals bedoeld in het Reglement Regionale Urgentiecommissie 2007.

2.9 Ingevolge artikel 29 van de Huisvestingsverordening kan verweerder een of meer artikelen uit de hoofdstukken 2, 3, 4 en 5 buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van het in gebruik nemen of geven van woonruimte of het wijzigen van de woningvoorraad leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2.10 Artikel 32 van de Huisvestingsverordening luidt: " In gevallen waarin deze niet verordening voorziet, beslist het college. Zij zal zich daarbij uitsluitend laten leiden door overwegingen betrekking hebbende op de evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte".

2.11 Allereerst zij opgemerkt dat ter zitting naar voren is gekomen dat de directeur van de woonservice wel advies heeft gevraagd aan de urgentiecommissie en dat dit hem ook is verstrekt, maar dat dit advies vooralsnog niet op schrift is gesteld. Hieraan behoeven evenwel thans geen consequenties te worden verbonden nu zulks in bezwaar nog kan worden hersteld.

2.12 Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 15 van de Huisvestingsverordening om voor een urgentieverklaring in aanmerking te kunnen komen. Vast staat immers dat de nijpende situatie van verzoeker niet is ontstaan door medische of psychosociale klachten in relatie tot de huidige woning. Zij houdt enkel en alleen verband met het feit dat verzoeker zijn dienstwoning per 30 september aanstaande dient te verlaten.

2.13 Daarnaast is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoeker geen beroep kan doen op de hardheidsclausule. Op grond van een in 2004 met de voormalig werkgever van verzoeker gesloten vaststellingsovereenkomst stond immers vast dat verzoeker de dienstwoning moest verlaten. Verzoeker heeft vanaf dat tijdstip - 9 december 2004 - geweten dat hij op zoek diende te gaan naar vervangende woonruimte. Toen eenmaal bleek dat zijn inschrijvingen voor eengezinswoningen strandden - gelet op het hoge aantal inschrijvingen - had verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook via andere kanalen moeten trachten in huisvesting te voorzien. Weliswaar stelt verzoeker thans dat er, rekening houdend met zijn beperkingen, geen andere geschikte woonruimte dan eengezinswoningen voor hem voorhanden was, doch dit is niet aannemelijk geworden.

2.14 De grief van verzoeker dat verweerder ten onrechte geen advies heeft doen inwinnen van een GGD-arts bij de vraag of sprake was van een bijzondere situatie treft geen doel. Voor het inwinnen van advies van een GGD-arts was ten tijde van de aanvraag op grond van de toen beschikbare gegevens naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding. Ter zitting is voorts gebleken dat verweerder naar aanleiding van de door verzoeker ingediende stukken van 10 oktober 1985 en 23 oktober 1985 de GGD-arts alsnog heeft benaderd, maar dat deze geen aanleiding zag voor een nader onderzoek gelet op de ouderdom van deze stukken.

2.15 Het beroep van verzoeker op artikel 32 van de Huisvestingsverordening faalt eveneens. Immers de verordening voorziet wel degelijk in een regeling voor urgentieverklaringen alsmede in een hardheidsclausule. Het enkele feit dat verzoeker daaraan in het concrete geval geen aanspraken kan ontlenen brengt niet met zich dat deswege voor toepassing van een restbepaling als de onderhavige aanleiding zou bestaan.

2.16 Tenslotte is de voorzieningenrechter niet gebleken van feiten en/of omstandigheden waaraan verzoeker het vertrouwen zou kunnen hebben ontlenen dat het verstrekken van een urgentieverklaring slechts een formaliteit betrof. Ter zitting heeft verweerder nog expliciet betwist dat sprake is geweest van enig opgewekt vertrouwen onder vermelding van het feit dat aangaande de gang van zaken nog navraag is gedaan binnen de gemeentelijke organisatie alsmede bij de woningbouwvereniging. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is uit de thans beschikbare gegevens alleen gebleken dat verweerder heeft getracht met verzoeker tot een oplossing te komen voor zijn huisvestingsprobleem.

2.17 De voorzieningenrechter ziet gelet op al het voorstaande geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen als ook het verzoek tot het opleggen van een dwangsom, het verstrekken van een voorschot voor verblijf in een hotel tijdens de bezwaarprocedure alsmede het verstrekken van een voorschot voor geleden schade. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

3.2 wijst de overige verzoeken eveneens af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzieningenrechter, en op 25 september 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Weltevreede, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.