Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB4973

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-09-2007
Datum publicatie
05-10-2007
Zaaknummer
06/11990, 06/11991 en 06/11992
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2009:BK0813, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft een hennepkwekerij gedreven, maar geen administratie bijgehouden, terwijl hij wel administratieplichtig was. De inschatting van de inkomsten door verweerder is niet onredelijk. Eiser enkel gesteld geen inkomst te hebben genoten. Daarmee heeft hij onvoldoende tegenwicht geboden aan de gemotiveerde en gedocumenteerde stellingname van verweerder. Er is geen sprake van cumulatie van de boetes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1906
FutD 2007-2086

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/11991, 06/11990 en 06/11992

Uitspraakdatum: 25 september 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aanslag

Met dagtekening 30 september 2005 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2003 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 177.986. Tegelijkertijd is aan eiser bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van € 41.772 en is € 6.046 aan heffingsrente berekend.

Eveneens met dagtekening 30 september 2005 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2003 een aanslag premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) opgelegd, berekend naar een premie-inkomen van € 156.381 en een WAZ-grondslag van € 15.782. Tegelijkertijd is aan eiser een vergrijpboete opgelegd van € 694 en is € 100 aan heffingsrente berekend.

Ten slotte heeft verweerder met dagtekening 30 september 2005 aan eiser voor het jaar 2003 een aanslag premie Ziekenfondswet (ZFW) opgelegd, berekend naar een ZFW-grondslag van € 20.250. Tegelijkertijd is € 13 aan heffingsrente berekend.

1.2. Bezwaar

Bij schrijven van 31 oktober 2005 heeft eiser in één geschrift bezwaar gemaakt tegen evenbedoelde aanslagen. Op 13 oktober 2006 heeft verweerder in één geschrift uitspraak op bezwaar gedaan, waarbij de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2003 is verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 69.965, de vergrijpboete verminderd tot € 13.687, en de in rekening gebrachte heffingsrente verminderd tot € 1.980. De bezwaren tegen de aanslagen WAZ en ZFW zijn afgewezen.

1.3. Beroep

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar van 13 oktober 2006, bij brief van 20 november 2006, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Eiser heeft op 15 juni 2007 een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2007 te Haarlem. Namens eiser is verschenen A. Namens verweerder zijn verschenen B, C en D. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en aan de rechtbank overgelegd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser heeft op 10 oktober 2002 een bedrijfsloods gehuurd, aanvankelijk met het doel een handel in kleding op te zetten. De kledinghandel is evenwel niet van de grond gekomen.

2.2. Tegenover de politie heeft eiser verklaard dat hij in evenvermelde loods een hennepplantage heeft aangelegd en hennepplanten heeft verbouwd. Op 5 november 2003 heeft de politie de hennepkwekerij aangetroffen. Er waren 1080 hennepplanten aanwezig, waarvan de toppen op of omstreeks 31 oktober 2003 waren geknipt. De politiefunctionaris die de hennepkwekerij op genoemde datum bezocht, leidde uit diversen omstandigheden (algvorming in afvoergoten, extra filterdoeken op koolstoffilters, aangetroffen plantresten) af dat sprake moet zijn geweest van minimaal een eerdere kweek/oogst. Naast eiser heeft de politie drie andere personen aangemerkt als medeverdachten van hennepteelt.

2.3. Bij uitspraak van 25 februari 2005 heeft de politierechter wettig en overtuigend bewezen geacht dat eiser, samen met anderen, in de periode van 1 september 2003 tot en met 5 november 2003, opzettelijk hennep zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, heeft geteeld, bereid en verwerkt, alsmede in evenbedoelde periode een hoeveelheid elektriciteit zich wederrechtelijke heeft toegeëigend. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft eiser bij uitspraak van 14 februari 2006 eveneens schuldig bevonden. Hiertegen is beroep in cassatie ingesteld, waarop nog niet is beslist.

2.4. Op 9 september 2004 heeft verweerder een boekenonderzoek ingesteld bij eiser naar de aanvaardbaarheid van de ingediende aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en Premie over de jaren WAZ 2002 en 2003 en omzetbelasting over het tijdvak oktober 2002 tot en met 31 december 2003. Dit rapport luidt, voor zover hier van belang:

“(…) 3.1.1. Kasverantwoording

De belastingplichtige houdt geen kasadministratie bij. Inkoopnota’s worden niet geboekt. (…)

3.1.2. Omzet

(…) Volgens een politiedeskundige levert een plant gemiddeld 20 tot 60 gram op. De opbrengst bedraagt dan 1080 x 40 gram = 43.200 gram. De gemiddelde kostprijs in de coffeeshop bedraagt € 11,50 per 2 gram. Wanneer levering plaatsvindt tegen € 4 per gram is de totaalopbrengst € 172.800. [Eiser] is op 3 november nog in het pand geweest zodat aangenomen moet worden dat hij, als eigenaar van de planten, de toppen en daarmee de geschatte opbrengst zich heeft toegeëigend. (…)

3.1.3. Kosten van grond-/ en hulpstoffen, uitbesteed werk e.d.

(…) De kosten en lasten die verband houden met misdrijven terzake waarvan de belastingplichtige door een Nederlandse strafrechter bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld, zijn niet aftrekbaar op grond van artikel 3.14 Wet inkomstenbelasting 2001. Nu er geen enkele activiteit is geweest m.b.t. de kledinghandel zijn alle gemaakte kosten toe te rekenen aan de hennepkwekerij. Belastingplichtige is in februari 2005 veroordeeld voor het in bedrijf hebben van een hennepkwekerij. (…) Te corrigeren d.m.v. navordering in 2005 (…) 2003: € 16.419 (…).

5.1.1. Buitengewone uitgaven

De buitengewone uitgaven dienen in 2003 te worden gecorrigeerd omdat het drempelbedrag verandert door de winstcorrectie. De aftrek komt te vervallen. Correctie: € 1.509 (…)”

2.5. Eiser heeft aangifte inkomstenbelasting 2003 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 3.677. Hierin was een bedrag aan winst uit onderneming begrepen van € -/- 16.419 en een bedrag aan buitengewone uitgaven van € 1.509. Bij het vaststellen van de aanslag is als volgt van de ingediende aangifte afgeweken:

Aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning: € 3.677

Bij: winstcorrectie (172.800 + 16.419) 189.219

Bij: minder buitengewone uitgaven 1.509 +

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 194.405

2.6. In bezwaar is het bedrag van de winstcorrectie herrekend. Hierbij is de gemiddelde opbrengst per plant gesteld op 28,2 gram en de gemiddelde opbrengst per gram op € 2,37. De opbrengst bedraagt alsdan 1080 x 28,2 x € 2,37 = € 72.180. Voorts is rekening gehouden met afschrijvingen (berekend per oogst, gesteld op € 500), kosten per plant (1080 x € 4,39), overige kosten zoals knipkosten (€ 2.160) en huur van de loods (€ 16.419). Met kosten van stroomvoorziening is geen rekening gehouden. De winst bedraagt dan € 72.180 -/- € 23.820 = € 48.360; de winstcorrectie € 48.360 + € 16.419 = € 64.779. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is bij uitspraak op bezwaar als volgt vastgesteld:

Aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning: € 3.677

Bij: winstcorrectie (48.360 + 16.419) 64.779

Bij: minder buitengewone uitgaven 1.509 +

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 69.965

3. Geschil

3.1. In geschil is of eiser inkomsten uit de hennepkwekerij heeft genoten, en bij een bevestigend antwoord op die vraag: wat het bedrag van die inkomsten is geweest. Daarnaast is in geschil of er terecht dan wel tot een juist bedrag boetes zijn opgelegd.

3.2. Eiser ontkent inkomsten uit hennepteelt te hebben genoten, doordat de door hem gekweekte plantjes slap en geel waren en geen goede oogst opleverden. Voorts meent eiser dat het bedrag aan huur ten onrechte is gecorrigeerd, omdat daar pas aanleiding toe bestaat als er eiser onherroepelijk is veroordeeld, en het beroep in cassatie nog loopt. Voorts stelt eiser dat inbeslagname en vernietiging van de inventaris afschrijving van de gehele inventaris tot nihil rechtvaardigt. Eiser meent dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de boetes over de juiste grondslag zijn berekend. In dit verband heeft eiser een rapport overgelegd van de Politie Haaglanden van 28 mei 2003, waarin wordt geconcludeerd dat de opbrengst per plant en de verkoopopbrengst per gram lager is dan de door verweerder in aanmerking genomen waarden. Eiser concludeert tot vermindering van de aanslagen en de boetes.

3.3. Verweerder stelt een redelijke schatting te hebben gedaan van de door eiser genoten inkomsten uit hennepteelt en beroept zich op een tot de gedingstukken behorend rapport van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie van april 2005, getiteld “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht” waarin is opgenomen een deskundigenonderzoek door de Wageningen Universiteit en Researchcentrum van 12 april 2005 getiteld “Opbrengstbepaling van illegale hennepteelt in Nederland.” Voorts stelt verweerder dat eiser de voor hennepkweek benodigde stroom illegaal heeft afgetapt en dat hij, gelet op zijn inkomens- en vermogenspositie, waarschijnlijk niet in staat zal zijn de ter zake ontstane schuld aan het elektriciteitsbedrijf te voldoen. Daarom behoeft met kosten voor stroomvoorziening geen rekening te worden gehouden. Uit het proces-verbaal van 5 november 2003 volgt dat er ten minste één eerdere oogst moet zijn geweest. Bij de aanslagregeling is met niet meer dan een oogst rekening gehouden. Voor zover nodig beroept verweerder zich op het leerstuk van de interne compensatie. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4. Voor een volledige weergave van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de stukken van het geding en naar hetgeen ter zitting door partijen naar voren is gebracht.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Niet in geschil is dat eiser een hennepkwekerij heeft gedreven. Eiser heeft van het uitoefenen van het bedrijf geen administratie bijgehouden, terwijl hij wel administratieplichtig was. Mitsdien is niet voldaan aan de in artikel 52, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) vervatte verplichting. Ingevolge artikel 27e, onderdeel b, van de AWR dient om deze reden het beroep ongegrond te worden verklaard tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

4.2. De rechtbank acht, gelet op de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, niet aannemelijk dat naast eiser ook anderen inkomsten uit de hennepkwekerij hebben genoten. Eisers stelling dat ook anderen als medeverdachten zijn aangemerkt, acht de rechtbank onvoldoende om ook aan die anderen, van wie de rol in de onderhavige hennepteelt niet duidelijk is geworden, inkomsten uit deze hennepteelt toe te rekenen. Verweerder heeft de door hem berekende inkomsten gebaseerd op door hem overgelegde deskundigenrapporten. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit in beginsel niet tot een onredelijke schatting van de door eiser genoten inkomsten. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de omvang van met hennepkweek samenhangende inkomsten en kosten, gelet op het verboden karakter van de hennepkweek, zich moeilijk laten inschatten. Niet uit te sluiten valt dat eiser, zoals hij stelt, niet in staat is geweest met de door hem aangeschafte hennepplantjes een oogst te behalen die in omvang en kwaliteit kan worden vergeleken met de oogst van ervaren kwekers. Eiser heeft zich er evenwel toe beperkt bij monde van zijn gemachtigde te weerspreken dat hij enige inkomst heeft genoten. Daarmee heeft hij, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende tegenwicht geboden aan de gemotiveerde en gedocumenteerde stellingname van verweerder. De slotsom is dat het beroep tegen de winstcorrectie ongegrond is.

4.3. Nu het belastbare inkomen boven de maximum grondslagen voor de WAZ en de ZFW ligt, zullen de beroepen daartegen eveneens ongegrond worden verklaard.

4.4. Met betrekking tot de boetes overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank is het, gezien hetgeen hierboven is overwogen, aan de opzet of voorwaardelijke opzet van eiser te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven. De rechtbank acht aannemelijk dat eiser inkomsten uit hennepteelt heeft genoten. Dat eiser deze inkomsten niet in zijn aangifte heeft verantwoord, geschiedt naar zijn aard opzettelijk. Gelet hierop acht de rechtbank de boetes, na de uitspraak op bezwaar groot € 13.687, respectievelijk € 694, passend en geboden.

4.5. Ter zake van de door eiser aangevoerde cumulatie van de boetes, eiseres is immers zowel bij de aanslag inkomstenbelasting als bij de aanslag premie WAZ beboet, overweegt de rechtbank als volgt. De cumulatie vloeit voort uit de omstandigheid dat de bedragen van de aanslagen cumuleren en de boetes in beginsel worden bepaald op een percentage van - kort gezegd - de verschuldigde belasting (zonder rekening te houden met verliescompensatie). Dat is, gezien de uitspraak van de Hoge Raad van 22 juni 2007, met nummer 42013 (LJN BA7728) niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

4.6. De rechtbank leidt uit de stukken af dat de boetes zijn aangekondigd op 27 april 2005. Na de aankondiging tot de uitspraak van deze rechtbank zijn derhalve meer dan twee jaren verlopen. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van bijzondere omstandigheden die een zo lange duur van behandeling rechtvaardigen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn is overschreden. In verband daarmee zal de rechtbank de boetes met 10 procent verlagen. Voor de inkomstenbelasting leidt dat tot een boete van (€ 13.687 x 90% =) € 12.318 en voor de WAZ tot een boete van (€ 694 x 90% ) € 625.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de in de aanslag inkomstenbelasting begrepen boete tot € 12.318;

- vermindert de in de aanslag Premie WAZ begrepen boete tot € 625;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor het overige in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644 en wijst de Staat der Nederlanden aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 38 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 25 september 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J. Snitker, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C.J. Loggen - ten Hoopen, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.