Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB4972

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-10-2007
Datum publicatie
05-10-2007
Zaaknummer
139211 / KG ZA 07-519
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot het verlenen van medewerking aan een bloedonderzoek ten behoeve van het onderzoek naar HIV en andere overdraagbare virussen en/of ziekten. Bloed-op-bloed contact ten gevolge van een vechtpartij. Afweging van grondrechten op privacy en lichamelijke integriteit tegen de in artikel 6:162 BW besloten liggende, het maatschappelijk verkeer regulerende ongeschreven zorgvuldigheidsnormen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 139211 / KG ZA 07-519

Vonnis in kort geding van 5 oktober 2007

in de zaak van

[Eiser],

wonende te Haarlem,

eiser,

procureur mr. L. Koning,

advocaat mr. A.R. Mes te Zoetermeer,

tegen

[Gedaagde],

wonende te Alphen ad Rijn,

gedaagde,

advocaat mr. K. Roderburg te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 23 september 2007 omstreeks 21.50 uur liep [eiser] met zijn hond op de Spaarnwouderstraat te Haarlem ter hoogte van de Burgwal. Daar kwam hij [gedaagde] en zijn vriendin tegen. Nadat de vriendin van [gedaagde] in aanraking kwam met de hond ontstond er tussen [eiser] en [gedaagde] een woordenwisseling gevolgd door een handgemeen. [eiser] is daarbij in zijn gezicht geraakt, waardoor een bloedwond is ontstaan.

2.2. [Eiser] is naar het ziekenhuis het Kennemergasthuis gegaan en heeft daar een PEP kuur (aidsremmende medicijnen) voorgeschreven gekregen. [Eiser] ondervindt ernstige bijwerkingen van deze kuur, waardoor hij onder meer niet in staat is om zijn werkzaamheden voor zijn eigen bedrijf uit te voeren.

2.3. [Gedaagde] is op 23 september 2007 omstreeks 23.55 uur aangehouden als verdachte van overtreding van artikel 287 ivm 45 c.q. artikel 302 ivm 45 van het Wetboek van Strafrecht, waarna hij is overgebracht naar het bureau van politie te Haarlem aan de Koudenhorn. Op maandag 24 september 2007 omstreeks 1.30 uur heeft de hulpofficier van justitie Breemen, op verzoek van de internist van het Kennemergasthuis, de verdachte verzocht mee te werken aan een bloedafname. [Gedaagde] weigerde hieraan vrijwillig mee te werken.

2.4. Op 24 september 2007 omstreeks 14.00 uur is [gedaagde] in verzekering gesteld. Bij bevel van 25 september 2007 door officier van justitie Janssen is [gedaagde] bevolen zijn medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek. Tevens is hem nogmaals verzocht vrijwillig mee te werken aan een bloedonderzoek. Dit is door hem geweigerd. [Gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen het bevel.

2.5. Op 25 september 2007 omstreeks 9.00 uur was de vriendin van [gedaagde], L. Slagwater, op het bureau van politie aan de Koudenhorn, waar zij heeft gesproken met brigadier van politie [verbalisant]. In het proces-verbaal van bevindingen van dit gesprek is onder meer het volgende opgenomen:

“Door mij is aan [betrokkene] gevraagd of zij aanwezig is geweest bij de ruzie tussen [gedaagde] (i.e. [gedaagde]) en de man (i.e. [eiser]) op de Burgwal op zondag 23 september 2007.

[betrokkene] deelde mij mede dat zij inderdaad daarbij aanwezig was geweest maar er niets over ging vertellen.

Door mij is aan [betrokkene] medegedeeld dat de man die gewond is geraakt heeft verklaard dat [gedaagde] hem met een injectienaald in zijn gezicht heeft gestoken en dat [gedaagde] hierbij riep dat hij aids heeft.

[Betrokkene] zei weer dat zij niets wilde vertellen maar dat ik van haar kon aannemen dat [gedaagde] geen aids heeft en dat [gedaagde] niet met een injectienaald heeft gestoken.

Door mij is aan [betrokkene] gevraagd waarom [gedaagde] dan heeft geroepen dat hij aids heeft. [Betrokkene] bevestigde dat [gedaagde] dit heeft geroepen maar dat [gedaagde] dit altijd en tegen iedereen roept.”

3. Het geschil

3.1. [Eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1) [gedaagde] zal veroordelen zijn medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek ten behoeve van het onderzoek naar HIV en andere met een gebruikte injectienaald overdraagbare virussen en/of ziekten, zodra een door [eiser] aangezochte arts voor het verrichten van het onderzoek zich bij [gedaagde] vervoegt;

2) [Eiser] zal machtigen om bij gebreke aan volledige voldoening door [gedaagde] aan de onder 1) gevraagde veroordeling, het bloedonderzoek te doen plaatsvinden met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

3) de arts die het bloedonderzoek zal uitvoeren zal machtigen de uitslagen zo spoedig mogelijk na het bekend worden daarvan schriftelijk mede te laten delen aan [eiser], dan wel een door [eiser] gemachtigde arts, zulks ter keuze van de arts die het bloedonderzoek uitvoert;

4) [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2. [Eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem een steekwond toe te brengen met een gebruikte injectienaald of een ander scherp voorwerp, waarbij mogelijk bloed-op-bloed contact is geweest. Daardoor is [eiser] mogelijk besmet geraakt met het HIV-virus dan wel met een ander virus. De bijwerkingen die [eiser] ondervindt van de behandeling met PEP en de omstandigheid dat het bij de huidige stand van de medische wetenschap pas na zes maanden mogelijk is om te kunnen constateren of hij een besmettelijke ziekte heeft is voor [eiser] zo stressvol dat hij een zwaarwegend belang heeft dat op korte termijn zekerheid wordt verkregen over de vraag of hij al dan niet besmet is met genoemde virussen. Een belangenafweging tussen het recht van [gedaagde] op zijn lichamelijke integriteit en de betrekkelijk geringe inbreuk die hij hierop zou moeten dulden door het ondergaan van een bloedonderzoek enerzijds en het zwaarwegende belang van [eiser] om zekerheid te verkrijgen over de vraag of hij met genoemde virussen besmet is geraakt anderzijds leidt ertoe dat [gedaagde] zijn medewerking moet verlenen aan een bloedonderzoek.

3.3. [Gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

(Spoedeisend) belang

4.1. Gegeven de sub 3.2 weergegeven stellingname lijkt [eiser] ervan uit te gaan dat hij niet met het HIV-virus is besmet wanneer uit bloedonderzoek zou blijken dat [gedaagde] geen drager van het virus is.

4.2. [Gedaagde] stelt dat dit uitgangspunt niet juist is. Hij wijst erop dat hij in juni 2007 op HIV is getest en negatief is bevonden. Omdat het virus een incubatietijd van zes maanden heeft kan een negatieve testuitslag op dit moment niet de zekerheid bieden dat [gedaagde] geen drager van het virus is, en daarmee ook niet dat [eiser] niet besmet is geraakt.

4.3. [Eiser] heeft, hierop reagerend, onbestreden aangevoerd dat hij contact met een aidsconsulent heeft gehad die hem heeft medegedeeld dat een negatieve testuitslag nu de kans dat hij tengevolge van een bloed-op-bloed contact gedurende de vechtpartij met [gedaagde] is besmet zou reduceren van 2% tot 0,1%. Afweging of de resterende kans klein genoeg is om te stoppen met de medicatie is voorbehouden aan [eiser]. Een reductie met een factor 20 is een voldoende om te oordelen dat [eiser] een reëel en spoedeisend belang heeft bij zijn vordering.

Ten gronde

4.4. Ten gronde gaat het in deze zaak om de vraag of [gedaagde] jegens [eiser] verplicht is om zijn medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek en om het bloedmonster, althans de onderzoeksresultaten van het bloedonderzoek, aan [eiser] en/of een door deze aan te wijzen arts ter beschikking te stellen.

4.5. Art. 10 en 11 van de Grondwet waarborgen dat een ieder zich kan beroepen op zijn privacy en de onaantastbaarheid van zijn lichaam. Door een gedwongen bloedonderzoek wordt inbreuk gemaakt op deze grondrechten, die echter hun grenzen vinden in de bij of krachtens de wet te stellen beperkingen. Tussen burgers onderling kan een zodanige beperking worden gegrond op art. 6:162 BW en de in die bepaling besloten liggende, het maatschappelijk verkeer regulerende ongeschreven zorgvuldigheidsnormen. Wanneer, als in het onderhavige geval, toepassing van die normen een belangenafweging vereist, dient daarin het gewicht van het ingeroepen grondrecht en de mate van inbreuk daarop te worden meegenomen.

4.6. Met het oog op de te maken belangenafweging is allereerst van belang in hoeverre aannemelijk is dat er door onrechtmatig gedrag van [gedaagde] bloed-op-bloed contact heeft plaatsgevonden.

4.7. [Eiser] heeft tegenover de politie verklaard dat [gedaagde] hem met een injectiespuit in het gezicht heeft gestoken, waarna [gedaagde] deze weggooide, daarbij tot driemaal toe roepend “ik heb aids”. Hierna heeft [eiser] [gedaagde] tegen de grond geslagen, waarna [eiser] constateerde dat hij bloedde uit een wond in zijn gezicht.

[Eiser] heeft [gedaagde] bij het incident en later bij de politie herkend als […], waar [eiser] werkzaam is als […].

4.8. [Gedaagde] heeft bestreden dat hij met een injectiespuit heeft gestoken. Hij stelt dat de verwonding is ontstaan doordat hij [eiser] een vuistslag in het gezicht heeft gegeven. Hij betwist voorts dat hij “ik heb aids” heeft geroepen.

4.9. De voorzieningenrechter kent betekenis toe aan de omstandigheid dat de vriendin van [eiser], die bij het incident aanwezig was, tegenover de politie heeft bevestigd dat [gedaagde] heeft geroepen dat hij aids heeft. Dat wordt op die grond voldoende aannemelijk geacht. Aannemelijk is verder dat er voor die uitlating een aanleiding zal zijn geweest. In de context van een vechtpartij liggen dan twee mogelijkheden in de rede: een dreiging, bedoeld om te waarschuwen tegen een mogelijk bloed-op-bloed contact als gevolg van verwondingen die bij voortzetting van de vechtpartij kunnen ontstaan of een reactie op een gebeurtenis waarbij bloed-op-bloed contact heeft kunnen plaatsvinden. Gelet op de omstandigheid dat [eiser] in het gebeuren aanleiding heeft gezien om zich te onderwerpen aan een fors belastende medicijnkuur wordt de laatste mogelijkheid de meest waarschijnlijke geacht.

4.10. Aan [gedaagde] kan worden toegegeven dat de precieze loop van de gebeurtenissen op basis van het overgelegde strafdossier op dit moment nog niet met zekerheid is vast te stellen. Wel biedt dat dossier voldoende aanknopingspunten om rekening te houden met de mogelijkheid dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld. Daarvoor zijn twee vaststellingen redengevend. In de eerste plaats is het [gedaagde] geweest die op welke wijze dan ook, een verwondende steekbeweging of slag heeft uitgedeeld, waarop [eiser] vervolgens fysiek heeft gereageerd.

In de tweede plaats heeft de vriendin van [gedaagde] tegenover de politie verklaard dat zij geen verklaring wilde afleggen uit angst voor [gedaagde], hetgeen erop zou kunnen duiden dat zij dingen heeft waargenomen waarvan mededeling belastend voor [gedaagde] zou kunnen zijn.

4.11. Voormelde mogelijkheid biedt in het kader van de te voltrekken belangenafweging voldoende grond om het belang van [eiser] bij de gevraagde maatregen te doen prevaleren boven dat van [gedaagde] bij het achterwege blijven daarvan. Daarbij is het volgende mede van belang.

• het hiervoor aannemelijk geachte bloed-op-bloed contact levert kans op besmetting met het HIV-virus op;

• op grond van de stukken is aannemelijk dat [gedaagde] tot een zogenaamde risicogroep behoort;

• aannemelijk is dat de kans dat hij ten gevolge van de onrechtmatige handeling van [gedaagde] is besmet met het HIV-virus een zware psychische druk op [eiser] legt, welke druk aanzienlijk zou kunnen worden gereduceerd wanneer die kans -bij een negatieve uitslag van een bloedonderzoek- substantieel afneemt;

• met de onderzoeksresultaten heeft [eiser] de informatie die hij nodig heeft om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen inzake het al of niet achterwege laten van de belastende medicatie achterwege te laten;

• het ondergaan van een bloedonderzoek en het ter beschikking stellen van het bloedmonster, althans de resultaten van het bloedonderzoek, betekent voor [gedaagde] slechts een kortdurende en geringe inbreuk op zijn lichamelijke integriteit.

4.12. In aanmerking genomen de spoed die geboden is bij het bloedonderzoek zal [eiser] worden gemachtigd het vonnis met behulp van de sterke arm ten uitvoer te leggen. Dit komt erop neer dat de verlangde bloedafname met behulp van fysieke dwang van justitie en politie kan worden gerealiseerd.

4.13. Onderdeel 3 van de vordering strekt tot dwangvertegenwoordiging. Die dient op de voet van art. 3:300 BW aldus vorm te krijgen dat wordt bepaald dat dit vonnis in de plaats zal treden van een machtiging en opdracht van [gedaagde] aan de arts die het bloedonderzoek uitvoert tot afgifte van het bloedmonster, althans tot het verstrekken van de resultaten van het bloedonderzoek, aan [eiser] en/of een door [eiser] aan te wijzen arts, dit naar keuze van de arts die het onderzoek uitvoert.

4.14. [Gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

-dagvaarding € 70,85

-vast recht € 251,-

-salaris procureur € 816,-

Totaal € 1.137,85

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde] om zijn medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek ten behoeve van het onderzoek naar HIV en andere met een gebruikte injectienaald overdraagbare virussen en/of ziekten, zodra een door [eiser] aangezochte arts zich bij [gedaagde] vervoegt voor het verrichten van het onderzoek;

5.2. machtigt [eiser] om bij gebreke aan volledige voldoening door [gedaagde] aan de sub 5.1. gegeven veroordeling, het bloedonderzoek te doen plaatsvinden met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

5.3. bepaalt dat dit vonnis in de plaats zal treden van een machtiging en opdracht van [gedaagde] aan de arts die het bloedonderzoek uitvoert tot afgifte van het bloedmonster, althans tot het verstrekken van de resultaten van het bloedonderzoek, aan [eiser] en/of een door [eiser] aan te wijzen arts, dit laatste naar keuze van de arts die het onderzoek uitvoert;

5.4. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, tot aan de uitspraak begroot op € 321,85 aan verschotten en € 816,- aan salaris voor de procureur;

5.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.6. wijst af het meer af anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2007.?