Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB4469

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
17-07-2007
Datum publicatie
27-09-2007
Zaaknummer
AWB 06-12417
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2008:BC8518, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet arbeid vreemdelingen.

Uitspraak in hoger beroep vernietigd; LJN BC8518

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06 - 12417

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2007

in de zaak van:

[eiser],

wonende te Assendelft,

eiser,

tegen:

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2005 heeft verweerder op grond van artikel 19e, eerste lid, Wet arbeid vreemdelingen (Wav) eiser een bestuurlijke boete opgelegd vanwege het tewerkstellen van een Iraanse vreemdeling zonder dat hij ten behoeve van hem in het bezit was van een tewerkstellingsvergunning.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 31 oktober 2005 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 23 januari 2006 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard voor zover het de aan eiser opgelegde boete betreft vanwege overtreding van artikel 2, eerste lid, Wav. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard voor zover het de aan eiser opgelegde boete betreft vanwege overtreding van artikel 15, eerste lid, Wav.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 2 februari 2006 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 12 juni 2007, alwaar eiser is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwordigen door mr. R.E. van der Kamp, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

2. Overwegingen

2.1 Verweerder heeft op 19 april 2005 bij een controle uitgevoerd in een pand van eiser te Haarlem een persoon van Iraanse nationaliteit aangetroffen die, zonder dat voor hem een tewerkstellingsvergunning was verleend, arbeid verrichtte bij andere bedrijven onder andere bij [A]]. Op 4 mei 2005 heeft een onderzoek plaatsgevonden bij [A], alwaar geen afschrift van het identiteitsdocument van voormelde persoon van Iraanse nationaliteit werd aangetroffen. Met kennisgeving van 6 september 2005 is eiser op de hoogte gesteld van het voornemen een bestuurlijke boete op te leggen. Verweerder heeft bij besluit van 28 oktober 2005 een bestuurlijke boete opgelegd van in totaal € 5500,--.

2.2 Verweerder heeft bij besluit van 23 januari 2006 het bezwaar gegrond verklaard voor zover het de aan eiser opgelegde boete betreft vanwege overtreding van artikel 2, eerste lid, Wav, nu op 4 mei 2005 aan de heer [X] met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend, ingaande op 28 april 2004 en eindigend op 28 april 2007. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard voor zover het de aan eiser opgelegde boete betreft vanwege overtreding van artikel 15, eerste lid, Wav.

2.3 Eiser heeft betoogd dat hij wel een afschrift van het identiteitsdocument van de ten tijde van de controle aangetroffen vreemdeling, de heer [X], aan [A] heeft verstrekt. Daarnaast bestaat er aanleiding om de boete te matigen, aldus eiser.

2.4 De rechtbank stelt vast dat de omvang van het geschil de aan eiser opgelegde boete betreft vanwege overtreding van artikel 15, eerste lid, Wav. Verweerder zal nog een beslissing op het bezwaarschrift nemen ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding.

2.5 Artikel 15, eerste lid, Wav luidt als volgt.

Indien de werkgever door een vreemdeling arbeid laat verrichten waarbij die arbeid feitelijk wordt verricht bij een andere werkgever, draagt de eerstgenoemde werkgever er bij aanvang van de arbeid door de vreemdeling onverwijld zorg voor dat de andere werkgever een afschrift van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1 tot en met 3, van de Wet op de identificatieplicht, van de vreemdeling ontvangt.

2.6 Vaststaat dat eiser voorafgaand aan de werkzaamheden geen afschrift van het identiteitsdocument van de heer [X] aan [A] heeft verstrekt. Hiermee staat vast dat er sprake is van een overtreding van het bepaalde in artikel 15, eerste lid, Wav. Door de rapporteurs is op 4 mei 2005 geconstateerd dat [A] geen kopie van het identiteitsdocument van de heer [X] kon tonen. Voorts heeft eiser op 18 mei 2005 - voor zover hier van belang - het volgende verklaard: "Als ik iemand ga aannemen maak ik zelf kopieën van de identiteitsdocumenten. Deze kopieën stuur ik wel naar mijn boekhouder maar niet naar mijn inleners. Ik stuur alleen kopieën van de identiteitsdocumenten naar de inleners als deze hierom vragen". De grief van eiser dat hij onder druk stond toen hij deze verklaring heeft afgelegd, doet aan het vorenstaande niet af.

2.7 Verweerder heeft zijn beleid ten aanzien van beboetbare feiten uitgewerkt in de Beleidsregels boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen (Stc. 24 december 2004, nr. 249). Als uitgangspunt worden de normbedragen gehanteerd die zijn neergelegd in de "Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen", een bijlage bij de Beleidsregels. Overtreding van artikel 15, eerste lid, Wav vermeldt een boete normbedrag van € 1500,-- .

2.8 Ingevolge artikel 4:84 Awb dient het bestuursorgaan te handelen overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

2.9 De rechtbank stelt vast dat verweerder bij het opleggen van een boete ingevolge artikel 19a, eerste lid, Wav een discretionaire bevoegdheid toekomt. De onderhavige bestuurlijke boete is aan te merken als punitieve sanctie. Artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) brengt mee, dat de rechter vol dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding.

2.10 De Beleidsregels boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen voorzien in de mogelijkheid tot matiging van de boete tot een bedrag van € 1.500,-- in de situatie waarbij sprake is van overtreding van artikel 15, eerste lid, Wav, maar geen sprake is van illegale tewerkstelling, maar waarbij het wel meerdere vreemdelingen betreft.

In onderhavig geval, waarbij evenmin sprake is van illegale tewerkstelling, betreft het slechts één vreemdeling. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de boete te matigen tot een bedrag van € 1000,--. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiser zich niet heeft onttrokken aan de plicht tot medewerking bij de vaststelling van de identiteit van de persoon die voor hem arbeid heeft verricht. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 3:4 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Nu er rechtens nog maar één beslissing mogelijk is, zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb.

2.11 Het beroep is gegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Niet gebleken is dat eiser voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 23 januari 2006;

3.3 bepaalt dat eiser een bestuurlijke boete wordt opgelegd ter hoogte van € 1000,--;

3.4 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

3.5 gelast dat Staat der Nederlanden het door eiser betaalde griffierecht van € 141,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Medze, rechter, en op 17 juli 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. H.J. de Boer, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.