Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB4450

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
27-09-2007
Zaaknummer
AWB 06-4300
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Er zijn aanknopingspunten om aan te nemen dat met het verlenen van de bestreden ontheffing en het creëren van de natuuraccenten de functie feitelijk niet agrarisch kan blijven. Verweerder heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd dat de agarische functie behouden blijft en het gebruik als natuurzone niet in strijd is met het bestemmingsplan. Voorts heeft verweerder in relatie hiermee de belangen van eisers, als agrariërs, onvoldoende in ogenschouw genomen en bij de voorbereiding van het besluit betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06 - 4300

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 juni 2007

in de zaak van:

Liefhebber V.O.F.,

gevestigd te Slootdorp,

[eiser],

wonende te Anna Paulowna,

[eiser],

wonende te Anna Paulowna,

[eiser],

wonende te Anna Paulowna,

eisers,

gemachtigde: ing. I.T.G.M. Martens, werkzaam bij Lichtveld, Buis & Partners,

tegen:

het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2005 (lees: 8 maart 2006) heeft verweerder ontheffing verleend van het bepaalde in artikel 2.5 en 2.6 van de Keur Uitwaterende Sluizen 2001, artikel 11, eerste lid, onder a, het tweede lid, onder b, sub 1 en het derde lid, onder a en artikel 18, eerste lid, onder a, b, c, d en het derde lid onder a, sub 1 en 2 van de Keur van het waterschap Hollands Kroon.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 18 april 2006, aangevuld bij brief van 8 september 2006, beroep ingesteld. Bij laatstgenoemde brief is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 4 oktober 2006 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 1 maart 2007, alwaar eisers zijn verschenen met hun gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J.E. Olthof, E. Neef en M. Kleiman.

Bij beslissing van 1 maart 2007 heeft de rechtbank het onderzoek heropend ten einde eisers in de gelegenheid te stellen te reageren op het eerst na de zitting bij de rechtbank binnengekomen besluit van 26 februari 2007. Eisers hebben bij schrijven van 26 maart 2007 hierop gereageerd, verweerder op 5 april 2007. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de uitspraakdatum bepaald op heden.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 11, eerste lid, onder a, van de Keur van het waterschap Hollands Kroon - voor zover hier van belang - is het verboden binnen kernzones te spitten, te graven of op enigerlei andere wijze grondroeringen te verrichten.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, onder b, sub 1, van de Keur van het waterschap Hollands Kroon is het verboden binnen kern-en beschermingszones werken te maken, te hebben, te vernieuwen, te wijzigen of op te ruimen.

Ingevolge artikel 11, derde lid, onder a, van de Keur van het waterschap Hollands Kroon is het verboden binnen de beschermingszones gravingen te verrichten.

Artikel 18, eerste lid, van de Keur van het waterschap Hollands Kroon - voor zover hier van belang - luidt als volgt:

Het is verboden:

a. de richting, vorm, afmeting of constructie van wateren te veranderen

b. wateren direct of indirect met elkaar in verbinding te brengen

c. wateren en nieuwe wateren direct of indirect met elkaar in verbinding te brengen

d. wateren geheel of gedeeltelijk te dempen.

Artikel 18, derde lid, onder a, van de Keur van het waterschap Hollands Kroon luidt als volgt:

Het is verboden op, in, boven of onder water of binnen de beschermingszones:

1e in de bodem te graven

2e werken te maken, te hebben, te vernieuwen, te wijzigen of op te ruimen

3e opgaande houtachtige beplantingen aan te brengen, te hebben of te rooien.

Ingevolge artikel 20 van de Keur van het waterschap Hollands Kroon kan het bestuursorgaan van de in deze keur gestelde gebods-en verbodsbepalingen een schriftelijke vergunning of ontheffing verlenen.

2.2 Verweerder heeft in het bestreden besluit van 8 maart 2006 een keurontheffing aan zichzelf verleend voor het uitvoeren van diverse werken en werkzaamheden ((ver)graven van waterlopen, uitvoeren van een dijkverbetering, de aanleg van een onderhoudspad en de aanleg van inlaten, duikers en een overloop) binnen de kern-en of beschermingszone van waterlopen en een waterkering, in verband met en ter uitvoering van het plan "Water Bindt fase 3" langs en ter plaatse van de westzijde van de Oostdijk en het uitvoeren van een dijkversterking tussen de Oostdijk en de Notweg langs de noordzijde van "de Boezem" in de Oostpolder te Anna Paulowna.

Verweerder heeft, naar aanleiding van de door eisers ingediende zienswijzen die zich met name richten op de inrichting van de strook tussen de te verbeteren waterkering en de te verbreden waterloop in combinatie met natuurontwikkeling, in het bestreden besluit het volgende overwogen: "Hoewel de keurontheffing zich niet strikt uitstrekt over het gebruik van de strook zijn wij bereid het besluit en de daarbij behorende tekening zodanig aan te passen dat deze strook ingericht wordt als grasland. Het definitieve besluit wordt dus in die zin gewijzigd".

2.3 Ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank zijn in het kader van onderhavige bodemprocedure de volgende afspraken gemaakt:

- "Omdat verweerder in de brief van 19 december 2005 aan de gemeente Anna Paulowna geen melding heeft gemaakt van de natuuraccenten die het besluit bevat en het Beheerplan Waardkanaal in de Oostpolder is vastgesteld nadat de ontheffing was verleend, is niet duidelijk of de gemeente Anna Paulowna op de hoogte is van de natuuraccenten die verweerder in zijn besluitvorming heeft aangebracht. Verweerder zal derhalve de plannen, inclusief het genoemde Beheerplan aan de gemeente voorleggen om te bezien of de gemeente het gebruik van gronden - ook op grond van de nadere stukken - onder de agrarische bestemming schaart.

- Verweerder zal zijn stelling - die door verzoekers nadrukkelijk wordt betwist - dat de hier in geding zijnde grond in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur valt, onderbouwen aan de hand van onderliggende kaarten uit het streekplan.

- Verweerder zal het Waterbeheersplan in het geding brengen".

2.4 Verweerder heeft vervolgens het Beheerplan Waardkanaal in de Oostpolder voorgelegd aan de gemeente Anna Paulowna met de vraag in hoeverre de bestemming "agrarische doeleinden" een beheer zoals in het beheerplan is omschreven toelaat. De gemeente heeft voormeld verzoek voorgelegd aan het stedenbouwkundig bureau Bugel Hajema (hierna: Bugel Hajema) dat toentertijd het bestemmingsplan "Buitengebied 1992" heeft geconcipieerd.

Bugel Hajema heeft in zijn advies van 5 januari 2007 het navolgende geconcludeerd:

"In het beheerplan is aangegeven dat de gronden (dijk en tussengebied) mogen worden benut voor beweiding door schapen. Ook zullen de gronden worden gemaaid, waarbij het maaisel moet worden afgevoerd. Dit gebruik past binnen de doeleindenomschrijving van beide bestemmingen. Het houden van dieren is mogelijk in het beheergebied, evenals de productie van gras voor o.a. veevoer.

Het beheer, zoals dat in het beheerplan wordt voorgesteld, is niet in strijd met de bepalingen in het bestemmingsplan".

Voorts is in voormeld advies van Bugel Hajema de volgende kanttekening geplaatst.

"In de huidige situatie worden de gronden benut als grasland, maar ook als akkerbouwland. Blijkens het beheerplan wordt dit laatste gebruik beëindigd. Ook zal het grasland minder intensief voor de agrarische functie kunnen worden benut. Niet alleen door de beperking aan de beweiding, maar ook door de beperking van het gebruik van meststoffen. Deze beperking van het agrarische gebruik zal met de betrokken particuliere beheerders moeten worden afgestemd. Wij hebben niet onderzocht in hoeverre de keur of de pachtovereenkomst hiertoe mogelijkheden bieden. Het bestemmingsplan staat hier evenwel buiten. Of de gronden voor graslandteelt of voor akkerbouw worden gebruikt, is een zaak van uitvoering".

2.5 Verweerder heeft voorts bij brief van 30 november 2006 het Waterbeheersplan II overgelegd. Dit Waterbeheersplan is opgesteld door de waterschappen in het Hollands Noorderkwartier. Ook heeft verweerder het beleid "Meer dan alleen kerntaken" overgelegd dat is vastgesteld in het CHI van 15 maart 2006. In dit beleid is uitgewerkt op welke wijze het hoogheemraadschap medewerking verleend aan onder andere de realisatie van de natuur. Daarnaast heeft verweerder verwezen naar het subsidiebesluit van Gedeputeerde Staten d.d. 10 december 2002 waaruit blijkt dat het om de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur gaat, aldus verweerder. Gelet op het feit dat het subsidiebesluit tot 31 december 2006 van kracht is, heeft verweerder een verlengingsverzoek ingediend.

2.6 Bij besluit van 26 februari 2007 heeft verweerder het besluit van 8 maart 2006 gewijzigd in die zin dat is toegevoegd: "dat wordt toegestaan de nieuwe dijksloot te graven volgens de situatie zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende tekening, overeenkomstig en ter plaatse zoals is aangegeven op de bij dit besluit behorende tekening Waard-Groetkanaal fase 3 'Wijziging besteksprofiel dijksloot aanpassing vergunning 05.1917' (Bestek: PP NO 206-002), reg.nr. 00-182 van feb 2007".

2.7 Eisers hebben betoogd dat zij geen bezwaar hebben tegen dijkversterking langs het Waardkanaal en/of het vergroten van het waterbergend en waterafvoerend vermogen van het waterstelsel. De grieven van eisers richten zich evenwel op de wijze waarop de ingrepen worden uitgevoerd omdat de realisering plaatsvindt in een nadrukkelijke combinatie met natuurontwikkeling. De functie natuur en agrarische functie "bijten" elkaar. Volgens eisers blijkt uit de bij het besluit behorende kaarten en het Beheerplan Waardkanaal in de Oostpolder dat een natuurzone tegen de agrarische productiegronden aan wordt ontwikkeld. Volgens eisers is het realiseren van natuurzones geen taak van het Hoogheemraadschap. Voorts bestaat weliswaar onder het vigerende gemeentelijke planologische beleid de mogelijkheid van een agrarisch bedrijf, echter het Beheerplan zelf kent de agrarische functie niet en het voeren van een agrarisch bedrijf in de natuurzone is niet reëel. Daarnaast geeft het ontwerp bestemmingsplan voor het gebied ten westen van het Waardkanaal als bestemming aan "ecologische zone". De zone is ook in strijd met het beleid op provinciaal niveau omdat de ecologische zone zich bevindt ten oosten van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur.

2.8 Naar aanleiding van het gewijzigde besluit van 26 februari 2007 hebben eisers, kort gezegd, gesteld dat ook dit besluit onzorgvuldig en onvolledig is. Eisers vinden het onduidelijk welke inrichting de strook land gaat krijgen tussen het bestaande dijklichaam en de aan te leggen dijksloot. Voorts strookt het nieuwe besluit niet met de tekeningen behorend bij het (overigens niet gewijzigde) besluit van 8 maart 2006, in die zin dat de nieuwe dijksloot op sommige plekken door de poelen gaat lopen en de dijksloot voorts te dicht bij de waterleiding gaat lopen.

2.9 Verweerder heeft, in reactie op deze aanvullende gronden gericht tegen het gewijzigde besluit, gesteld dat het voor de hand ligt de strook grond op dezelfde wijze te beheren als het dijklichaam, dat wil zeggen extensief. Verder stelt verweerder dat het nooit de bedoeling geweest is de locaties van de poelen exact te bepalen.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.10 Ingevolge artikel 6:18 Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 6:19 Awb wordt het beroep van eisers geacht mede gericht te zijn tegen het besluit van 26 februari 2007. Nu, gelet op het gewijzigde besluit van 26 februari 2007, bij een oordeel over het besluit van 8 maart 2006 geen belang meer bestaat, zal het beroep hiertegen niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank zal zich vervolgens uitspreken over het beroep voor zover dat is gericht tegen het gewijzigde besluit van 26 februari 2007.

2.11 De rechtbank zal zich allereerst naar aanleiding van de opmerking van eisers dat het realiseren van natuur geen taak is van verweerder, uitlaten over de vraag of verweerder wel bevoegd kan worden geacht zichzelf een ontheffing te verlenen ter realisatie van een natuurzone. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Hoewel natuurontwikkeling op zich geen kerntaak is van verweerder, is niet gebleken dat verweerder niet bevoegd zou zijn om bij het uitoefenen van de kerntaken tevens natuurontwikkeling te bevorderen. Niet is gebleken van een wettelijke regeling dan wel een bepaling in de Keur Uitwaterende Sluizen 2001 of de Keur van het waterschap Hollands Kroon die hiervoor een belemmering zou vormen.

2.12 De rechtbank kan verweerder echter zonder nadere motivering niet volgen in zijn stelling dat de natuurzone die wordt gecreëerd in het kader van de onderhavige ontheffing niet in de weg staat aan de agrarische bestemming. Verweerder stelt weliswaar dat het niet de bedoeling is om natuur te creëren en dat het past binnen het huidige bestemmingsplan, echter de rechtbank acht dit onvoldoende onderbouwd. In de eerste plaats blijkt uit het advies van Bugel Hajema dat het gebruik als akkerbouwland onder het Beheerplan zal moeten worden beëindigd en het grasland minder intensief voor de agrarische functie kan worden benut. Daarnaast is in het concept voorontwerp bestemmingsplan, zoals door eisers overgelegd en door verweerder niet weerlegd, de strook ten westen van het Waardkanaal uitdrukkelijk aangewezen als ecologische zone. Voorts is de rechtbank met eisers van oordeel, dat verweerder zich ogenschijnlijk in een spagaat bevindt, door enerzijds subsidie te hebben gevraagd en verkregen voor realisatie van natuur, namelijk in het kader van het project "aanleg ecologische verbindingszones Amstelmeergebied" en anderzijds te (blijven) stellen de agrarische functie te willen behouden. Daarbij acht de rechtbank nog van belang dat verweerder verlenging van het subsidiebesluit, dat liep tot 31 december 2006, heeft verzocht. Er zijn dan ook aanknopingspunten om aan te nemen dat met het verlenen van de bestreden ontheffing en het creëren van de natuuraccenten de functie feitelijk niet agrarisch kan blijven. Verweerder heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd dat de agrarische functie behouden blijft en het gebruik als natuurzone niet in strijd is met het bestemmingsplan. Voorts heeft verweerder in relatie hiermee de belangen van eisers, als agrariërs, onvoldoende in ogenschouw genomen en bij de voorbereiding van het besluit betrokken.

2.13 Het beroep zal gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met de artikel 3:2 en 7:12 van de Awb.

2.14 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1verklaart het beroep tegen het besluit van 8 maart 2006 niet-ontvankelijk;

3.1 verklaart het beroep tegen het besluit van 26 februari 2007 gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 26 februari 2007;

3.3 veroordeelt het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier in de door eisers gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644, te betalen door het Hoogheemraadschap aan eisers;

3.4 wijst het meer of anders gevorderde af;

3.5 gelast dat Hoogheemraadschap het door eisers betaalde griffierecht van € 281,- aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, voorzitter van de meervoudige kamer, en mrs. C.E. Heijning-Huydecoper en A.P.W. Duijkersloot, rechters, en op 28 juni 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. H.J. de Boer, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.