Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB4414

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-03-2007
Datum publicatie
18-10-2007
Zaaknummer
122334/2006-856
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Adoptie naar Braziliaans recht. Voor de situatie als onderhavige aan de orde, te weten dat een adoptie tot stand is gekomen in een land dat is aangesloten bij het Haags Adoptieverdrag, maar de bepalingen van het Verdrag niet zijn gevolgd, kent het Nederlandse wetgeving geen erkenningsregeling, zodat aan de hand van ongeschreven regels van IPR inzake adoptie dan wel analoge toepassing van de regels van de WCAd beoordeeld moet worden of erkenning kan plaatsvinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2008/8 met annotatie van AEO
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie- en Jeugdrecht

adoptie

zaak-/rekestnr.: 122334/2006-856

Tussenbeschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken d.d. 6 maart 2007

gegeven op het verzoek van:

[naam verzoekster]

beiden wonende te Heemstede,

hierna mede te noemen: verzoekster,

procureur: mr. M. Middeldorp,

advocaat: mr. V. Kidjan te Amsterdam,

strekkende tot erkenning van de adoptie van:

[naam kind]

oorspronkelijk genaamd [naam kind], geboren op [datum] 2003 te [naam plaats], Brazilië.

1. Verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:

- het op 9 maart 2006 ter griffie van deze rechtbank ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;

- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 21 juni 2006;

- het op 15 augustus 2006 ontvangen aanvullend verzoekschrift met bijlagen van de procureur van verzoekster;

- het op 18 augustus 2006 ontvangen aanvullend verzoekschrift met bijlage van de procureur van verzoekster;

- de brief van 26 oktober 2006 van de Raad voor de Kinderbescherming;

- het op 14 november 2006 ontvangen aanvullend verzoekschrift met bijlagen van de procureur van verzoekster;

- het verhandelde ter zitting van 21 november 2006;

- de brief van 22 december 2006 van de procureur van verzoekster.

2. De vaststaande feiten

Verzoekster is geboren op [datum] 1964 te [plaats], Brazilië en heeft de Nederlandse en de Braziliaanse nationaliteit. Zij is op [datum] 1997 te [plaats] gehuwd met

[naam partner], die de Nederlandse nationaliteit bezit.

De minderjarige heeft de Braziliaanse nationaliteit.

Bij de bijlagen bevindt zich een afschrift van Akte [nummer], afkomstig uit het geboorteregister van het kantoor van de burgerlijke stand natuurlijke personen van het arrondissement [plaats], Brazilië, waaruit blijkt dat op [datum] 2003 te [plaats], Brazilie, [naam kind] is geboren als kind van [naam].

Bij beschikking van de rechtbank [naam] te [plaats], Brazilië van 16 februari 2004, is de adoptie van de minderjarige [naam kind] door verzoekster naar Braziliaans recht uitgesproken.

Sedert de adoptie draagt de minderjarige de naam [naam kind].

Met uitzondering van de periode oktober 2003 tot en met januari 2004 toen verzoekster met de minderjarige bij haar echtgenoot in Nederland verbleef, wordt de minderjarige sinds 11 juni 2003 in Brazilië alleen door verzoekster verzorgd en opgevoed en vanaf 23 april 2004 in Nederland door verzoekster en haar echtgenoot.

De minderjarige is sinds [datum] 2004 onder de naam [naam kind] ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente [plaats].

Een namens verzoekster en haar echtgenoot ten behoeve van de minderjarige op 30 september 2004 ingediend verzoek tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel: gezinshereniging is door de Minister van vreemdelingenzaken en Integratie bij beschikking van 3 december 2004 afgewezen wegens het niet voldaan zijn aan het zogenoemde mvv-vereiste. Tegen dit besluit is op 22 december 2004 een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaar is bij ongedateerde beschikking, verzonden op 7 maart 2005, ongegrond verklaard. Het tegen deze beslissing ingestelde beroep is op 16 augustus 2005 gegrond verklaard omdat bij de beslissing op bezwaar was gehandeld in strijd met artikel 7:2 Awb (hoorplicht). Nadat verzoekers zijn gehoord, is het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard bij beslissing van 9 december 2005, tegen welk besluit op 27 januari 2006 beroep is ingesteld.

De voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, heeft bij uitspraak van 20 februari 2006 beslist de uitzetting van de minderjarige achterwege te laten tot dat op eerdergenoemd beroepschrift is beslist.

De minderjarige is het eerste kind tot wie verzoekster in familierechtelijke betrekking komt te staan.

De Raad voor de Kinderbescherming is in kennis gesteld van het verzoek.

3. Het verzoek

Verzoekster verzoekt voor recht te verklaren dat de adoptie-uitspraak van de rechtbank [naam] te [plaats], Brazilië van 16 februari 2004 overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een ter plaatse bevoegde autoriteit is gedaan en daarom vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand. Tevens verzoekt zij de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten de geboortegegevens van het adoptiefkind plus de vermelding van de Braziliaanse adoptie in te schrijven in het register van geboorten van de gemeente ’s-Gravenhage.

Bij aanvullend verzoekschrift van 14 november 2006 verzoekt zij subsidiair de adoptie naar Nederlands recht uit te spreken van [naam kind] door verzoekster.

4. Beoordeling van het verzoek

Verzoekster stelt in het inleidend verzoekschrift dat de Braziliaanse adoptie-uitspraak voor erkenning op grond van artikel 6 Wet conflictenrecht adoptie (hierna: WCAd) in aanmerking komt nu de adoptie is uitgesproken door een ter plaatse bevoegde autoriteit en zijzelf en de minderjarige zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de uitspraak van de rechtbank [naam] te [plaats], Brazilië, van 16 februari 2004, hun gewone verblijfplaats in Brazilië hadden. Dit blijkt volgens verzoekster voldoende uit de door haar overgelegde producties. Hieruit zou blijken dat zij op 31 januari 2002, in verband met het overlijden van haar vader, naar Brazilië gegaan en daar, met uitzondering van enkele korte bezoeken aan haar echtgenoot in Nederland, tot 23 april 2004 is gebleven. Voorts doen zich, aldus verzoekster, geen van in artikel 6, tweede lid, WCAd genoemde gronden waarop erkenning onthouden kan worden, voor.

Naar aanleiding van het door de Raad voor de Kinderbescherming gezonden commentaar op het verzoek heeft verzoekster nadere stukken in het geding gebracht.

Op basis van deze stukken en het verhandelde ter zitting is voor de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden dat verzoekster zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de adoptie-uitspraak haar gewone verblijfplaats in Brazilië had.

Daartoe acht de rechtbank de volgende omstandigheden redengevend.

Verzoekster stond de gehele in geding zijnde periode ingeschreven in Nederland, naar verzoekster in haar inleidend verzoekschrift stelt omdat het verblijf in Brazilië van tijdelijke aard was. Uit de door haar werkgever overgelegde verklaring van 7 november 2006 blijkt dat aan verzoekster vakantieverlof en onbetaald verlof is verleend in de maanden februari en maart 2002, in de maand februari 2003 alsmede in de periode tussen mei en oktober 2003 en in 2004 van februari tot en met april en in de maand augustus. Voorts blijkt dat verzoekster begin 2002 bij haar werkgever is benoemd in een andere functie, te weten [functie], en dat zij per 30 december 2002 aangesteld is als [functie]. De door haar en haar echtgenoot gestelde intenties om zich na het overlijden van de vader van verzoekster in januari 2002 in Brazilië te vestigen acht de rechtbank daarmee moeilijk in overeenstemming te brengen en zijn ook anderszins niet onderbouwd.

Afgezien van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat Hoofdstuk 3 van de WCAd waarin artikel 6 WCAd is opgenomen blijkens artikel 5 WCAd betrekking heeft op adopties die tot stand zijn gekomen in landen die geen partij zijn bij het Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie (hierna: Haags Adoptieverdrag) van 1993, terwijl Brazilië wel is aangesloten bij dit Verdrag.

Dit betekent dat het verzoek om erkenning van de in Brazilië tot stand gekomen adoptie niet rechtstreeks gebaseerd kan worden op artikel 6 WCAd.

Het Haags Adoptieverdrag kent in artikel 23 een regeling inzake erkenning van rechtswege indien de adoptie tot stand is gekomen overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag.

Voor de situatie als hier aan de orde, te weten dat een adoptie tot stand is gekomen in een land dat is aangesloten bij het Haags Adoptieverdrag, maar de bepalingen van het Verdrag niet zijn gevolgd, kent het Nederlandse wetgeving geen erkenningsregeling, zodat aan de hand van ongeschreven regels van IPR inzake adoptie dan wel analoge toepassing van de regels van de WCAd beoordeeld moet worden of erkenning kan plaatsvinden.

Daartoe zal de rechtbank eerst ingaan op de in Brazilië gevolgde adoptieprocedure. De Braziliaanse rechterlijke autoriteiten hebben hoewel Brazilië partij is bij het Haags Adoptieverdrag, een adoptie naar intern Braziliaans recht uitgesproken en geen toepassing gegeven aan de bepalingen van het Verdrag. Daarbij is van belang op te merken dat verzoekster zich bij haar verzoek tot adoptie heeft gepresenteerd als een ongehuwde Braziliaanse vrouw, met een vaste woonplaats in Brazilië en aldaar werkzaam als advocaat en met de intentie om met steun van haar Braziliaanse familie de minderjarige in Brazilië op te voeden en te verzorgen. Dit blijkt -onder meer- uit het door verzoekster overgelegde verslag van het in opdracht van de rechtbank te [plaats] uitgevoerde sociaal onderzoek. Door het feit dat verzoekster, hoewel vanaf 1994 in Nederland gevestigd, kennelijk nog steeds ingeschreven stond in Brazilië als advocaat en haar huwelijk met de Nederlandse echtgenoot nog niet was geregistreerd in Brazilië heeft zij zich als zodanig kunnen presenteren.

Toen verzoekster in verband met ziekte van haar schoonvader toestemming van de rechtbank moest verkrijgen om met de minderjarige tijdelijk Brazilië te verlaten, kwam aan het licht dat zij werk en echtgenoot in Nederland heeft en naast de Braziliaanse tevens de Nederlandse nationaliteit. Door verzoekster is ter zitting toegegeven dat de Braziliaanse rechterlijke autoriteiten onaangenaam verrast waren door deze informatie.

Verzoekster heeft ter zitting aangevoerd dat de Braziliaanse autoriteiten hoewel zij derhalve in de loop van de adoptieprocedure op de hoogte waren gekomen van de daadwerkelijke situatie van verzoekster, op 16 februari 2004 de adoptie naar Braziliaans recht hebben uitgesproken, zodat dit door de Nederlandse rechter als een gegeven moet worden aanvaard. De rechtbank is dienaangaande van oordeel dat uit de overgelegde stukken niet blijkt over welke informatie de Braziliaanse autoriteiten ten tijde van de adoptie-uitspraak exact beschikten; onder meer blijkt niet of zij wisten dat verzoekster na het uitspreken van de adoptie voor permanent verblijf naar Nederland zou vertrekken. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft verzoekster zich bij schrijven van 22 december 2006 er op beroepen dat -anders dan uit de door de Raad voor de Kinderbescherming in de procedure ingebrachte informatie van Wereldkinderen zou blijken- het Braziliaanse recht voor adoptanten van Braziliaanse nationaliteit, ook indien zij hun gewone verblijfplaats in het buitenland hebben, de mogelijkheid kent van een adoptie volgens intern Braziliaans recht. Verzoekster wijst daarbij op de artikelen 38 (bedoeld zal zijn:39) tot en met 50 van de Estatuto da Criança e Adolescente, lei nr. 8096 van 13 juli 1990 en stelt dat artikel 51 van voornoemde wet waarop de Raad voor de Kinderbescherming in navolging van Wereldkinderen kennelijk het oog heeft, slechts van toepassing is, althans in Brazilië slechts wordt toegepast op adoptanten die én vreemdeling zijn én buiten Brazilië wonen. Volgens verzoekster betekent dit dat zelfs indien de Braziliaanse kinderrechter ten tijde van het adoptieverzoek direct op de hoogte was geweest van de banden die verzoekster met Nederland heeft, dit geen reden zou zijn geweest om de adoptie niet uit te spreken. Verzoekster betwist niet dat voormelde artikelen 39 tot en met 50 mogelijk op gespannen voet staan met de bepalingen van het Haags Adoptieverdrag waarin niet de nationaliteit, doch de gewone verblijfplaats -overigens uitsluitend ten tijde van het verzoek tot adoptie- bepalend zijn voor de te volgen procedure. Verzoekster meent dat voor zover sprake is van onjuiste wetgeving dan wel een onjuiste toepassing daarvan door de Braziliaanse rechterlijke autoriteiten haar dit niet kan worden tegengeworpen.

De rechtbank heeft, alvorens op het verzoek tot erkenning van de Braziliaanse adoptie te beslissen, behoefte aan deskundige voorlichting en zal aan het Internationaal Juridisch Instituut te Den Haag, welk instituut tot deskundige zal worden benoemd, de hierna onder de Beslissing vermelde vragen ter beantwoording voorleggen.

5 Beslissing

De rechtbank:

Benoemt het Internationaal Juridisch Instituut, Spui 186 te 2511 BW Den Haag tot deskundige, teneinde de volgende vragen te beantwoorden:

1. Is het juist dat in de artikelen 39 tot en met 50 van de Estatuto da Criança e Adolescente, lei nr. 8096 van 13 juli 1990 de interne Braziliaanse adoptieprocedure wordt opengesteld voor adoptanten met (tevens) de Braziliaanse nationaliteit die hun gewone verblijfplaats buiten Brazilië hebben?

2. Zo ja, vinden voormelde bepalingen ook daadwerkelijk toepassing en hoe wordt de toepasselijkheid daarvan beoordeeld in het licht van het in Brazilië eveneens toepasselijke Haags Adoptieverdrag waarin niet de nationaliteit maar de gewone verblijfplaats bepalend is voor de te volgen procedure?

3. Kunt u, los van de onderhavige zaak, vanuit ervaring met andere internationale adoptiezaken iets zeggen over de mogelijkheid om op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap de Nederlandse nationaliteit te verkrijgen op basis van een erkenning die niet gebaseerd is op het Haags Adoptieverdrag en evenmin op artikel 6 WCAd, doch op ongeschreven regels van IPR inzake adoptie dan wel anologe toepassing van artikel 6 WCAd?

4. Geven de aan u overgelegde gegevens u overigens nog aanleiding tot opmerkingen die voor de beoordeling van het onderhavige verzoek van belang kunnen zijn.

Bepaalt dat het Internationaal Juridisch Instituut zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op 12 april 2007 schriftelijk verslag doet van zijn bevindingen

Houdt de behandeling van de zaak aan tot 19 april 2007 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Kok, als voorzitter, tevens kinderrechter, en mrs. F.G. Hijink en A.M. Ayal, als leden van deze kamer en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 6 maart 2007, in tegenwoordigheid van M.P. Joukes als griffier.