Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB4145

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-09-2007
Datum publicatie
24-09-2007
Zaaknummer
03-274 R
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WSNP. Bij beëindiging van de schuldsaneringsregeling wordt het laten ontstaan van een schuld door de veroordeling tot betaling van € 700 buiten beschouwing gelaten nu de schuldenaar door het ondergaan van vervangende hechtenis van de betaling daarvan kan worden bevrijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

unit insolventies

insolventienummer: 03/274 R

nummer verklaring:

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 18 september 2007

Bij vonnis van deze kamer van 12 augustus 2003 is de definitieve toepassing van de schuldsa¬neringsregeling uitgesproken ten aanzien van:

[SCHULDENAAR]

geboren op [1946] te [geboorteplaats],

wonende te [adres + woonplaats].

Bij uitspraak van 9 november 2004 heeft de rechtbank de termijn gedurende welke de toepassing van kracht is vastgesteld op 36 maanden.

De behandeling van de beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uiteindelijk vastgesteld 21 augustus 2007.

De rechtbank overweegt als volgt.

De schuldenaar is bij vonnis van 6 november 2006 door politierechter te Haarlem veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 30 uren (subsidiair 15 dagen hechtenis) en een geldboete van € 700,00 (subsidiair 14 dagen hechtenis) wegens respectievelijk rijden onder invloed en het besturen van een personenauto, terwijl het rijbewijs van de schuldenaar ongeldig was verklaard. Bij de beëindigingszitting van 21 augustus 2007 is gebleken dat de schuldenaar de werkstraf heeft uitgevoerd, maar dat de boete nog openstaat.

De rechtbank stelt vast dat de schuldenaar door het laten ontstaan van een schuld aan het CJIB van € 700 in zijn uit de toepasselijkheid van de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichting tot het niet laten ontstaan van bovenmatige nieuwe schulden is tekortgeschoten. Het ontstaan van deze schuld dient de schuldenaar voorts te worden toegerekend.

De bewindvoerder heeft bij brief van 17 september 2007 de rechtbank op grond van door haar bij het CJIB ingewonnen informatie bericht dat de schuld kan worden vervangen door het ondergaan van 14 dagen hechtenis. Gelet op dit alternatief, waardoor de schuldenaar van zijn schuld kan worden bevrijd, is de rechtbank van oordeel dat de tekortkoming in de omstandigheden van dit geval buiten beschouwing kan worden gelaten. Daarbij heeft de rechtbank tevens acht geslagen op de inspanningen die de schuldenaar blijkens het faxbericht van T. Knottenbeld van heden heeft verricht om de boete te betalen.

De schuldsaneringsregeling zal van rechtswege zijn beëindigd zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden. Door die beëindiging is een vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, voor zover deze onvoldaan is gebleven, niet afdwingbaar, onverschillig of de schuldeiser in de schuldsanering is opgekomen en onverschillig of de vordering al dan niet is geverifieerd.

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.

BESLISSING

De rechtbank:

- stelt vast dat de schuldenaar toerekenbaar in de nakoming van één of meer uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten, welke tekortkoming de schuldenaar kan worden toegerekend;

- bepaalt dat de tekortkoming buiten beschouwing kan blijven;

- stelt het bedrag van het salaris van de bewindvoerder vast op € 2.085 (inclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting) en brengt dit bedrag ten laste van de schuldenaar;

- stelt het bedrag van de in de Faillissementswet bevolen publicaties (alsmede eventuele verschotten) vast op € 505 (inclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting) en brengt dit bedrag eveneens ten laste van de schuldenaar, rechtstreeks te voldoen aan de griffier van de rechtbank middels de daartoe bestemde acceptgiro, welke aan de bewindvoerder zal worden toegezonden.

Gewezen door mr. M.A.C. Hofman, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 september 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.