Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB4058

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
21-09-2007
Zaaknummer
95866 / HA ZA 03-1163
Formele relaties
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2009:BG5056, Niet ontvankelijk
Conclusie in (sprong)cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BG5056
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2009:BG5058, Niet ontvankelijk
Conclusie in (sprong)cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BG5058
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2010:BK4476, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in (sprong)cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BK4476
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank beslist in twee incidenten en bepaalt comparitie in de hoofdzaak, opdat partijen zich erover kunnen uitlaten of de rechtbank zich gebonden moet weten aan haar eindbeslissingen in haar tussenvonnis van 4 april 2007 of dat de opheffing van het bouwverbod een omstandigheid is, die meebrengt dat die gebondenheid onaanvaardbaar is, nu die omstandigheid bij vaststelling van de schadeloosstelling behoort te worden meegewogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 95866 / HA ZA 03-1163

Vonnis in incidenten van 19 september 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CHIPSHOL III B.V.,

gevestigd te Wassenaar,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in de incidenten,

procureur mr. H.J.M. van Schie,

tegen

de naamloze vennootschap

LUCHTHAVEN SCHIPHOL N.V.,

gevestigd te Schiphol,

gemeente Haarlemmermeer, gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in de incidenten,

procureur mr. L. Koning,

advocaat mr. N.S.J. Koeman te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Chipshol en de Luchthaven genoemd worden.

1. De procedures

In de hoofdzaak en in de incidenten

1.1. Het (verdere) verloop van de procedures blijkt uit:

- de akte overlegging producties in de hoofdzaak tevens akte houdende vordering tot restitutie in de hoofdzaak van de Luchthaven van 11 juli 2007,

- de antwoordakte vordering tot restitutie in de hoofdzaak met producties van Chipshol van 25 juli 2007,

- de incidentele conclusies van de Luchthaven houdende een provisionele vordering, respectievelijk een vordering tot verstrekking van afschriften van stukken, beide van 11 juli 2007 en beide met producties,

- de antwoordaktes van Chipshol, beide van 25 juli 2007 en beide met producties,

- de akte wijziging provisionele eis, tevens houdende verzoek/vordering tot benoeming deskundigen van de Luchthaven van 25 juli 2007 met producties,

- de brief van 7 augustus 2007 van mr. Van Schie voornoemd, houdende bezwaar van Chipshol tegen de door de Luchthaven beoogde eiswijziging,

- de brief van 15 augustus 2007 met bijlage van mr. Koeman voornoemd, houdende een reactie van de Luchthaven op het bezwaar van Chipshol,

- de brief van 16 augustus 2007 van de griffier van deze rechtbank aan voornoemde raadslieden van partijen, waarin onder meer wordt medegedeeld dat het bezwaar van Chipshol tegen de door de Luchthaven beoogde eiswijziging gedeeltelijk gegrond wordt bevonden.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in de beide incidenten.

2. De beoordeling van de incidenten

Het (tweede) provisionele incident

2.1. Ingevolge de beslissing van de rechtbank op het bezwaar van Chipshol tegen de door de Luchthaven beoogde eiswijziging, dient kort gezegd te worden beslist op de vordering van de Luchthaven dat Chipshol wordt verboden het tussen partijen gewezen (eerste) provisionele vonnis van 13 juni 2007 op enige wijze ten uitvoer te leggen, welk verbod dient te worden versterkt met een dwangsom als door de Luchthaven nader omschreven.

2.2. Na het tussen partijen door de voorzieningenrechter van deze rechtbank in kort geding gewezen vonnis van 17 juli 2007 en de daarop, naar uit de stukken kan worden afgeleid, gevolgde tenuitvoerlegging door Chipshol van zojuist genoemd vonnis van 13 juni 2007 valt niet in te zien welk belang de Luchthaven nog heeft bij haar vordering in dit incident. Het belang moet geacht worden te zijn uitgedoofd.

2.3. De in dit incident gevorderde voorzieningen worden reeds hierom geweigerd.

2.4. De Luchthaven zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van dit incident.

Het exhibitie-incident

2.5. De Luchthaven vordert dat Chipshol wordt bevolen aan haar gewaarmerkte kopieën te verstrekken van door haar in haar incidentele conclusie in nummer 2. onder a. tot en met g. aangeduide stukken, welke stukken verband houden met de hoogte van de belastingschade en met de schikkingen, die Chipshol heeft bereikt met de Provincie Noord-Holland (hierna: de provincie) en de Gemeente Haarlemmermeer (hierna: de gemeente). De Luchthaven vordert dat dit bevel wordt versterkt met een dwangsom als door haar nader omschreven.

Ten aanzien van de belastingschade

2.6. Op grond van hieronder nog volgende overwegingen zal de rechtbank de beslissing ten aanzien van de door de Luchthaven in nummer 2. onder a. tot en met f. genoemde stukken aanhouden tot nader orde.

2.7. Wel vindt de rechtbank op dit moment in het Aanvullend Advies, in het bijzonder in hetgeen wordt opgemerkt in onderdeel 2.2 van de brief van Berk van 9 januari 2007, aanleiding partijen uit te nodigen zich erover uit te laten, of het er niet voor moet worden gehouden dat Chipshol het optreden van belastingschade hoe dan ook had kunnen voorkomen door tijdig een passende voorziening op te nemen terzake van voor haar bestaande voorwaardelijke terugbetalingsverplichtingen als bedoeld in artikel 55 Luchtvaartwet.

2.8. Bij gelegenheid van de hierna te bepalen comparitie kunnen partijen zich over deze vraag uitlaten.

Ten aanzien van de getroffen schikkingen

2.9. De Luchthaven verlangt kennisname van alle documentatie betreffende de getroffen schikking(en) tussen Chipshol en/of de provincie respectievelijk de gemeente, inclusief alle overeenkomsten, alsmede inclusief correspondentie over de schikking (hierna gezamenlijk aangeduid als: de schikkingsbescheiden), opdat kan worden vastgesteld op welke schade de schikking en/of het aan Chipshol verstrekte voordeel betrekking heeft.

2.10. Chipshol heeft hiertegen aangevoerd dat aan de schikkingen voor de onderhavige procedure geen betekenis toekomt, omdat die schikkingen een andere aansprakelijkheid van de provincie en de gemeente en een andere schadeperiode betreffen. De aansprakelijkheid van de provincie strekt zich uit over de periode van 10 oktober 2000 tot 4 september 2002. Rechtbank en Hof hebben geoordeeld dat de door het bouwverbod van 19 februari 2003 veroorzaakte schade de provincie niet kan worden toegerekend. De aansprakelijkheid van de gemeente hangt samen met een door de gemeenteraad onder druk van de Luchthaven en op verzoek van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat op 21 november 2002 genomen voorbereidingsbesluit. Aldus Chipshol.

2.11. Op zich acht de rechtbank niet op voorhand aannemelijk dat de schikkingen van Chipshol met de gemeente en de provincie betrekking hebben op zelfde schade als de schade, die in de onderhavige procedure aan de orde is, te weten de schade, die het gevolg is van het bouwverbod. Aan het verweer van Chipshol kan veeleer het vermoeden worden ontleend dat het bij de schikkingen om andere schade gaat. Waar Chipshol evenwel geen zwaarwegende redenen aanvoert om haar niet te bevelen tot verstrekking van kopieën van de schikkingsbescheiden over te gaan en niet kan worden gezegd dat de Luchthaven er geen gerechtvaardigd belang bij heeft vast te stellen of zij voornoemd vermoeden al dan niet kan ontzenuwen, zal dit onderdeel van de incidentele vordering worden toegewezen. De enkele omstandigheid dat Chipshol in februari 2007 terzake al openheid van zaken had willen geven, maar daartoe niet in de gelegenheid werd gesteld omdat de rechtbank het op dat moment meer opportuun achtte eerst vonnis te wijzen, maakt het voorgaande niet anders.

2.12. Kopieën van de schikkingsbescheiden dienen door Chipshol gewaarmerkt bij akte in de hoofdzaak in het geding te worden gebracht als na te melden, opdat behalve de Luchthaven ook de rechtbank daarvan tijdig en behoorlijk kennis kan nemen.

2.13. Waar de rechtbank uit de niet-naleving door Chipshol van het terzake tegen haar uit te spreken bevel de gevolgtrekking kan maken, die de rechtbank geraden acht, bestaat vooralsnog geen goede grond voor versterking van dit bevel met een dwangsom zoals door de Luchthaven gevorderd.

2.14. De Luchthaven zal van de schikkingsbescheiden uitsluitend gebruik mogen maken in het kader van deze procedure en daarbij zoveel mogelijk rekening dienen te houden met de privacy/geheimhoudings-belangen van Chipshol.

3. Voortzetting van de hoofdzaak

3.1. In voornoemde brief van 16 augustus 2007 heeft de griffier van deze rechtbank partijen bericht dat de rechtbank voornemens is na op de incidenten te hebben beslist partijen nog in de gelegenheid te stellen afrondend pleidooi te houden alvorens eindvonnis te wijzen.

3.2. Nu evenwel het bouwverbod ten aanzien van het Groenenbergterrein bij besluit van 28 juni 2007 door de minister van Verkeer en Waterstaat is opgeheven, dient zich in dit stadium van de behandeling van de hoofdzaak - nog voordat op de incidenten volledig is beslist - de vraag aan, of de rechtbank aan deze nieuwe omstandigheid voorbij dient te gaan (waar zij over de omvang van de door de Luchthaven aan Chipshol te betalen schadeloosstelling bij tussenvonnis van 4 april 2007 reeds een eindbeslissing heeft genomen) of dat gebondenheid van de rechtbank aan die beslissing onaanvaardbaar moet worden geacht en zij, indien daarvoor ook overigens gronden blijken te bestaan, de ruimte dient te hebben van haar eerdere (eind)beslissing af te wijken en verder aan te knopen bij hetgeen zij heeft overwogen in 2.63. e.v. in het tussenvonnis van 4 april 2007.

3.3. De rechtbank acht het bij deze stand van zaken in het belang van een goede procesorde, met name ook om verrassingsbeslissingen zoveel mogelijk te voorkomen, dat partijen in de gelegenheid worden gesteld zich bij hierna te bepalen comparitie aan de hand van door hun raadslieden daarbij voor te dragen en over te leggen pleitnotities over zojuist genoemde kwestie uit te laten.

In dat verband komt het dienstig voor, ter bespoediging van het verdere verloop van de procedure, dat zij daarbij tevens te kennen geven of zij, voor het geval de rechtbank zal beslissen dat voor de uiteindelijke bepaling van de door de Luchthaven aan Chipshol uit hoofde van artikel 38 jo. artikel 50 Luchtvaartwet te betalen schadeloosstelling niet kan worden voorbijgegaan aan de omstandigheid dat het bouwverbod op 28 juni 2007 is opgeheven, zich ermee kunnen verenigen dat de rechtbank, zoals in dat geval voor de hand ligt, dezelfde deskundigen als die welke het Advies hebben uitgebracht benoemt om zich uit te laten over de vraag welke waardevermindering het Groenenbergterrein ten gevolge van het bouwverbod van 19 februari 2003 heeft ondergaan, rekening houdend met de omstandigheid dat dit verbod op 28 juni 2007 is opgeheven en met het thans ter plaatse vigerende planologische regiem.

3.4. Het staat partijen vrij ook hetgeen zij in hun voornoemde (antwoord-)aktes in de hoofdzaak van 11 en 25 juli 2007 overigens nog naar voren hebben gebracht ter comparitie nader toe te lichten, eveneens aan de hand van daarbij door hun raadslieden voor te dragen en over te leggen pleitnotities.

4. De beslissingen

De rechtbank

In de incidenten

In het provisionele incident

4.1. weigert de gevraagde voorzieningen;

4.2. veroordeelt de Luchthaven in de kosten van het incident, aan de zijde van Chipshol tot op heden begroot op € 3.211,--;

In het exhibitie-incident

4.3. beveelt Chipshol uiterlijk vier weken vóór de in de hoofdzaak nader te bepalen comparitie gewaarmerkte kopieën van de schikkingsbescheiden bij akte in het geding te brengen;

4.4. houdt iedere verdere beslissing aan;

In de hoofdzaak

4.5. Bepaalt dat partijen, rechtsgeldig vertegenwoordigd door een persoon die van de zaak op de hoogte is en vergezeld van hun raadslieden, zullen verschijnen voor onderstaande leden van deze kamer in het gerechtsgebouw aan het Florapark 1 te Haarlem op een door de griffier van de rechtbank in overleg met de procureurs van partijen te bepalen dag en uur teneinde aan de hand van door hen voor te dragen en over te leggen pleitnotities inlichtingen te verstrekken ten aanzien van hetgeen hiervoor in 2.7., 3.2., 3.3. en 3.4. ter sprake is gebracht;

4.6. verzoekt partijen binnen twee weken na heden, op de wijze als in bijlage b-5 van het Landelijk reglement voor de civiele rol bij de rechtbanken staat aangegeven, aan de rechtbank op te geven de verhinderdata aan eigen zijde in de komende vier maanden. Indien van een partij deze opgaaf niet binnen deze termijn is ontvangen, gaat de rechtbank er van uit dat aan de zijde van die partij geen verhinderingen bestaan. De uiteindelijk bepaalde zittingsdatum wordt in de personele en ruimtelijke roosters van de rechtbank verwerkt en wordt niet meer gewijzigd;

4.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. D.P. Ruitinga, N.E. Kwak en L. Reurich en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2007.?