Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB3707

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
11-01-2007
Datum publicatie
17-09-2007
Zaaknummer
06/1033
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Het bezwaarschrift van veroordeelde tegen het nader bepalen en verwerken van het DNA-profiel wordt ongegrond verklaard. Per abuis is de rechtbank aan de te stellen voorvragen voorbijgegaan. Het bezwaarschrift is niet op de wijze als bedoel in artikel 451, eerste lid Sv. ingediend en volgens vaste jurisprudentie kunnen brieven van een advocaat niet als een bijzondere volmacht als bedoeld in artikel 450 eerste lid onder Sv aan de griffier worden opgevat. Veroordeelde had derhalve niet in zijn bezwaarschrift kunnen worden ontvangen, maar om proceseconomische redenen zal de rechtbank afzien van het daaraan normaliter te verbinden gevolg. De rechtbank is van oordeel dat voor minderjarigen telkens een belangenafweging moet worden gemaakt tussen enerzijds de belangen van de minderjarige en anderzijds het algemeen maatschappelijk belang dat is gebaat met de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Op dit moment kan niet worden gezegd dat het gevaar voor herhaling of het begaan van een nieuw ernstig strafbaar feit zo onwaarschijnlijk is dat in dit geval bepaling en verwerking van het DNA-profiel van veroordeelde niet noodzakelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

ENKELVOUDIGE RAADKAMER

Registratienummer: 06/1033

Parketnummer: 15/685100-05

Uitspraakdatum: 11 januari 2007

BESCHIKKING (art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden)

1. Ontstaan en loop van de procedure

Op 31 augustus 2006 is op de griffie van de rechtbank Haarlem ingekomen een door mr. B.A.F. van Drimmelen, advocaat, ingestuurd bezwaarschrift, gedateerd 30 augustus 2006, van

[veroordeelde], VEROORDEELDE,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

domicilie kiezende ten kantore van mr. Van Drimmelen, voornoemd.

Het bezwaarschrift is gericht tegen het nader bepalen en verwerken van het DNA-profiel van klager ten behoeve waarvan het celmateriaal van veroordeelde op bevel van de officier van justitie te Haarlem bij hem is afgenomen.

Op 21 december 2006 is dit bezwaarschrift in raadkamer behandeld.

Klager is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouwe mr. E.M. Devis.

Tevens waren aanwezig de ouders van klager en de officier van justitie mr. Hendriks.

Van het verhandelde ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De inhoud daarvan wordt als hier ingelast beschouwd.

2. Voorvragen

Bij de na afloop van het onderzoek in raadkamer gehouden beraadslaging is de rechtbank tot het oordeel gekomen aan de te stellen voorvragen per abuis te zijn voorbijgegaan. De rechtbank gaat daartoe dan ook alsnog over.

Alvorens de rechtbank toe had kunnen komen aan een inhoudelijke behandeling van het bezwaarschrift, had de vraag beantwoord moeten worden, of de belanghebbende daarin kon worden ontvangen.

Op de voet van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden kan de veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel, binnen veertien na de dag waarop zijn celmateriaal is afgenomen, onderscheidenlijk de dag waarop de mededeling, bedoeld in artikel 6, derde lid, van voornoemde wet is betekend, een bezwaarschrift indienen bij de rechtbank die in eerste aanleg vonnis heeft gewezen.

Artikel 451, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt, zakelijk weergegeven, dat de griffier van iedere verklaring of inlevering, als bedoeld in de artikelen 449 en 450 Sv, een akte opmaakt, die hij met degene die de verklaring aflegt of het bezwaarschrift inlevert, ondertekent.

Nu het bezwaarschrift niet op de wijze als bedoeld in artikel 451, eerste lid, Sv. is ingediend en volgens vaste jurisprudentie brieven van een advocaat niet als een bijzondere volmacht als bedoeld in artikel 450, eerste lid, onder b Sv aan de griffier kunnen worden opgevat (HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 93 en HR 30 januari 2001, NJ 2001, 293), nog daargelaten dat de advocaat een griffiemedewerker niet mag machtigen (HR 25 maart 1997, NJ 1998, 50), had tot geen andere conclusie kunnen leiden dan dat veroordeelde daarin niet kon worden ontvangen.

Om proceseconomische redenen zal de rechtbank in dit specifieke geval afzien van het daaraan normaliter te verbinden gevolg.

3. Beoordeling

Het bevel van de officier van justitie tot afname van DNA materiaal van 13 juni 2006 is gegrond op artikel 2 eerste lid van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, hierna te noemen: “de Wet”, waarbij als grondslag heeft gediend de veroordeling van belanghebbende op 6 december 2005 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem ter zake van onder meer artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Veroordeelde heeft op 16 augustus 2006 middels afname van wangslijmvlies celmateriaal afgestaan ten behoeve van DNA-onderzoek.

Het bezwaarschrift is tijdig ingediend.

Het standpunt van veroordeelde komt er - zakelijk weergegeven - op neer, dat:

- het Openbaar Ministerie de gewichtige vormvoorschriften van artikel 504 Sv ter zijde heeft geschoven door noch de ouders noch de raadsman van klager op de hoogte te stellen van het bevel van 13 juni 2006, in welk kader veroordeelde verwijst naar uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2006 en 1 juni 2006;

- het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde is in strijd met artikel 40 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK), nu daarbij zowel schending van de lichamelijke integriteit van betrokkene aan de orde is, als een (grote) kans op schade vanwege stigmatisering;

- niet is gebleken dat de officier van justitie de persoonlijke belangen van de betrokken minderjarige heeft afgewogen tegen het algemeen maatschappelijk belang, waarbij - gelet op artikel 40 juncto artikel 3 van het IVRK - het belang van de minderjarige de eerste overweging dient te vormen;

- op grond van de ontwikkeling die veroordeelde heeft doorgemaakt sinds hij de mishandeling en een aantal diefstallen heeft begaan en de bijzondere omstandigheden van het geval, niet kan worden verwacht dat klager in de toekomst nog een strafbaar feit zal plegen en dat bovendien moet worden geconcludeerd dat tegen de achtergrond van één en ander het bepalen en verwerken van klagers DNA-profiel disproportioneel is.

Het standpunt van de officier van justitie luidt, zakelijk weergegeven, dat:

- de ouders en de raadsman van veroordeelde ten onrechte niet op de hoogte zijn gesteld van het op 13 juni 2006 gegeven bevel;

- de door veroordeelde bedoelde belangenafweging is gemaakt, maar dat deze niet in het daarop gevolgde bevel behoeft te worden gemotiveerd;

- het bezwaarschrift ongegrond behoort te worden verklaard.

Hoewel maatschappelijk ook gewenst, dat met name de ouders van een minderjarige veroordeelde op de hoogte worden gesteld van een bevel tot afname van DNA-materiaal van die minderjarige, kan het nalaten daarvan, naar het oordeel van de rechtbank, niet worden beschouwd als een vormverzuim als bedoeld in de artikelen 504 Sv en/of artikel 77ee Sr, en wel omdat te dezen geen sprake is van:

- een minderjarige "verdachte" en/of

- enige in het kader van de tenuitvoerlegging van een sanctie genomen beslissing,

dit terwijl de bijstand van een raadsman zich beperkt tot de aanleg waarvoor de raadsman zich als raadsman heeft gesteld of aan de verdachte is toegevoegd.

Van een verplichting tot kennisgeving van het bevel als het onderhavige aan de ouders van de (indertijd) minderjarige veroordeelde als door de raadsvrouw van veroordeelde en de officier van justitie gesteld is derhalve geen sprake.

Voorts is de rechtbank - anders dan de raadsvrouw van veroordeelde van oordeel - dat, zo het IVRK al rechtstreekse werking heeft en het bepalen en verwerken van het DNA-profiel al als maatregel in de zin van artikel 40, tweede lid, aanhef en onder b sub (v) IVRK kan worden aangemerkt, uit die verdragsbepaling niet kan worden afgeleid dat de officier van justitie onbevoegd is een bevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet te geven. De hiervoor aangehaalde verdragsbepaling garandeert immers slechts het recht van een minderjarige op hoger beroep.

Dan ligt de vraag voor of redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet.

Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet is stilgestaan bij de vraag of de Wet inbreuk kan maken op grondrechten zoals die zijn gewaarborgd door de Grondwet en internationale verdragen. Hierbij zijn echter geen overwegingen gewijd aan het IVRK. De rechtbank is van oordeel dat aan de belangen van een minderjarige, en in het onderhavige geval een toenmalig minderjarige veroordeelde, afbreuk kan worden gedaan door bepaling en verwerking van zijn of haar DNA-profiel en dat zij gehouden is de bepalingen van de Wet in aanmerking te nemen en uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van het IVRK. Voor minderjarigen behoort telkens een belangenafweging te worden gemaakt tussen enerzijds de belangen van de minderjarige en anderzijds het algemeen maatschappelijk belang dat is gebaat met de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.

Hierbij kunnen factoren een rol spelen als:

- de leeftijd van de minderjarige ten tijde van het begaan van het misdrijf;

- de reële ernst van het feit;

- de omstandigheden waaronder het feit is begaan;

- de mate van waarschijnlijkheid dat de minderjarige opnieuw een ernstig strafbaar feit zal plegen;

- overige persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde.

De enkele opmerking van de officier van justitie ter zitting, dat die zorgvuldige belangenafweging is gemaakt voordat het bevel is gegeven is hiertoe onvoldoende. Het heeft de voorkeur dat de beslissing van de officier van justitie om niet af te zien van de in artikel 2, eerste lid, van de Wet genoemde verplichting in het bevel zelf wordt gemotiveerd, zodat deze door de rechtbank kan worden getoetst. Nu dit niet is gebeurd, zal de rechtbank deze belangenafweging zelf maken.

In het onderhavige geval was veroordeelde ten tijde van het plegen van het betrekkelijke feit 16 jaar oud. Hij is betrokken geweest bij een vechtpartij met een Marokkaanse jongen, die hij herkende van school en als de persoon die zijn vriend in elkaar had geslagen. Bij die vechtpartij heeft veroordeelde als eerste gebruik gemaakt van een broekriem met ijzeren gesp, waarmee het slachtoffer meermalen met kracht op diens rug en handen heeft geslagen en waardoor het slachtoffer letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

In aanmerking nemende, dat:

- veroordeelde eerder ter zake van geweldsdelicten is veroordeeld en het betrekkelijke feit heeft plaatsgevonden in een periode waarin hij zich in georganiseerd verband heeft schuldig gemaakt aan meerdere gekwalificeerde diefstallen, waarbij hij een leidende rol vervulde;

- veroordeelde blijkens een rapport van 5 juni 2006 van de Afdeling Jeugdbescherming en Jeugdreclassering van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland in het daaraan voorafgaande halfjaar een basis heeft gelegd voor een leven buiten de criminaliteit, zij het met de aanvulling dat “het ijs nog dun is”,

is de rechtbank van oordeel, dat op dit moment niet kan worden gesproken dat het gevaar voor herhaling op het begaan van een nieuw ernstig strafbaar feit zo onwaarschijnlijk is dat in dit geval bepaling en verwerking van het DNA-profiel van veroordeelde niet noodzakelijk is.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel, dat - nu niet is gebleken van de uitzonderings-mogelijkheid van artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet, terwijl overigens het afnemen van celmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek bij veroordeelden bij wet is voorzien en daardoor het bepaalde in artikel 8 van het EVRM niet is geschonden - het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

4. Samenstelling enkelvoudige kamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven op 11 januari 2007 door mr. Van Dijk, rechter,

in tegenwoordigheid van Van Velzen, griffier.