Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB3039

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
31-08-2007
Datum publicatie
24-09-2007
Zaaknummer
06/10440
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen sprake van bestemmingswijzigingswinst met betrekking tot een deel van de aangekochte glastuinbouwgrond waarop een woning wordt gebouwd. Eiser heeft keuze kenbaar gemaakt voordat aanslag definitief was vastgesteld. Ook is in de verkoopprijs de ondergrond voor een woning verdisconteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1795
FutD 2007-1829

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/10440

Uitspraakdatum: 31 augustus 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 1998 met dagtekening 14 december 2001 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (aanslagnummer 0000.00.000.H.86) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ? 97.815.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 augustus 2006 de aanslag gehandhaafd. Eiser heeft daartegen bij brief van 28 september 2006, ontvangen bij de rechtbank op 29 september 2006, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2007 te Haarlem. Namens eiser zijn daar verschenen mr. A en drs. B, gemachtigden. Namens verweerder is verschenen C.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1. Eiser is met zijn echtgenote Y beherend vennoot in de commanditaire vennootschap X C.V. (hierna: de C.V.). De ouders van eiser zijn de commanditaire vennoten.

2.2. Op 18 december 1998 is ter uitvoering van een koopovereenkomst van 11 december 1998 een leveringsakte gepasseerd, waarbij als koper optraden eiser en zijn echtgenote als enige twee beherend vennoten van de C.V. Bij deze akte heeft de koper de eigendom verkregen van het bouwrijp gemaakte bouwland gelegen in het plan Q, langs R te Z, ter grootte van ongeveer 03.69.00 ha voor een koopprijs van ? 848.700 (zijnde ? 23 per m²). Q is een glastuinbouwproject van de Stichting D (hierna: D).

In de leveringsakte staat onder “Levering, registergoed, gebruik” na de omschrijving van de zaak onder meer het volgende vermeld:

“door koper te gebruiken voor de vestiging van een glastuinbouwbedrijf voorzien van een bedrijfswoning.”

2.3. Gedateerd 23 december 1998, door de gemeente ontvangen de volgende dag, heeft eiser een aanvraag bouwvergunning ingediend bij de gemeente Z voor het oprichten/plaatsen van een woonhuis met garage op (een deel van) de onder 2.2. genoemde grond. Op 30 december 1998 hebben burgemeester en wethouders van Z de gevraagde bouwvergunning verleend.

2.4. In het financieel verslag over het boekjaar 1998 van de C.V. is de onder 2.2. bedoelde grond in zijn geheel geactiveerd als bedrijfsvermogen. Bij de op 24 juni 1999 gedateerde (en kennelijk in juli 1999 ondertekende) aangifte heeft eiser conform dat financieel verslag aangifte gedaan. Met dagtekening 26 april 2000 heeft eiser een aanvulling op zijn aangifte voor het jaar 1998 aan verweerder verzonden waarbij hij een correctie maakt op de aangifte. Hij deelt mee dat de 1.500 m² ondergrond van het woonhuis als privévermogen moet worden gezien. Het belastbaar inkomen over 1998 bedraagt volgens eiser fl 50.970.

2.5 In de aanslag wijkt verweerder op een punt af van de aangifte van eiser. In verband met het overbrengen van 1.500 m² ondergrond voor het woonhuis naar privé-vermogen heeft verweerder bij vaststelling van het belastbaar inkomen aan eiser toegerekend 50 % van ? 99.306 aan bestemmingswijzigingswinst. Hij heeft de zelfstandigenaftrek en dotatie aan de fiscale oudedagsreserve in verband daarmee aangepast. Na die correctie heeft verweerder de aanslag vastgesteld op basis van het hiervoor onder 2.1 genoemde belastbaar inkomen.

2.6. In een interview in de publicatie “E” van 8 april 1999, nummer 00, verklaart de voorzitter van D over het glastuinbouwgebied Q - voorzover hier van belang – het volgende:

“...

De grondprijs is concurrerend met andere gebieden. De eerste cluster is voor f 23 gulden per m² verkocht. Dat is inclusief bodemonderzoek, landschapsinrichting, wijziging bestemmingsplan in glastuinbouwbestemming, ontsluiting, riolering en dergelijke.

...”

2.6. In een brief aan de Belastingdienst/Ondernemingen van 3 juli 1998 schrijft E van Accountants- en belastingadviesbureau F B.V. – voorzover hier van belang –:

“...

Namens de Stichting ter D (D), delen wij u het volgende mede en verklaren wij hierbij;

De aankoopprijzen van de grond van de huidige grond-eigenaren bedragen per heden f 12,00 m2.

...

In de voornoemde aankoopprijs is geen element begrepen voor het al of niet verkrijgen van de mogelijkheid tot het bouwen van een woonhuis door de nieuwe eigenaar.

De aankopende glastuinbouwer betaalt ? 23,00 per m² , de huidige prijs voor de grond. Deze beslist zelf of hij al of niet bij het bedrijf een woonhuis bouwt casu quo gaat bouwen.

Hoe deze beslissing ook moge zijn, de prijs voor elke m² blijft ? 23,00.

...”

3. Geschil

3.1. In geschil is of eiser met het etiketteren van de 1.500 m² ondergrond voor het woonhuis als privé-vermogen een bestemmingswijzigingswinst heeft gerealiseerd.

3.2. Eiser heeft aangevoerd dat er geen sprake is van bestemmingswijzigingswinst. Er is sprake van keuzevermogen. Eiser heeft de keuze voor de ondergrond onder het woonhuis als privévermogen gedaan in de aanvulling op de aangifte van 26 april 2000. Eiser had al voor de aankoop van de grond het voornemen een nieuwe bedrijfswoning te bouwen. De keuze voor privé-vermogen heeft hij reeds bij de aankoop gemaakt. Hij heeft de grond niet in de onderneming gebruikt. Eiser kan zijn keuze aan verweerder kenbaar maken zolang de aanslag over het jaar nog niet onherroepelijk vaststaat. De tenaamstelling in de leveringsakte is wellicht enigszins ongelukkig maar dit staat een fiscale afwijkende etikettering niet in de weg aangezien de C.V. fiscaal transparant is.

3.3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat blijkens de leveringsakte de C.V. de koper van de onder 2.2. genoemde grond is en degene aan wie de grond is geleverd. Derhalve kan de 1.500 m² grond pas tot het privé-vermogen worden gerekend als deze aan het vermogen van de C.V. is onttrokken. Doordat deze 1.500 m² grond is aangewend voor de bouw van een woning die vervolgens is aangemerkt als privévermogen, is er sprake van een bestemmingswijziging van de grond. Verweerder verwijst in dit verband naar de arresten van de Hoge Raad van 7 mei 2004, nrs. 39.751, 39.752, 38.650, 39.963, 39.115 en 39.116. Voorts is verweerder van mening dat in de betaalde koopsom en derhalve in de prijs van ? 23 per m², de ondergrond voor een woning niet is verdisconteerd. Dit blijkt uit de onder 2.6. genoemde brief. Het verschil tussen koopprijs van kassengrond en de waarde van die grond als bouwperceel dient dan ook als winst uit onderneming te worden aangemerkt.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ter zitting is gebleken dat partijen het er over eens zijn dat het woonhuis en de daarbij behorende ondergrond van 1.500 m² in beginsel keuzevermogen betreft. Bij de beoordeling van het geschil geldt daarom als uitgangspunt dat het antwoord op de vraag of de 1.500 m² ondergrond ten behoeve van de woning al dan niet tot het ondernemingsvermogen behoort, afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige, zoals deze in zijn boekhouding tot uitdrukking komt. Volgens vaste jurisprudentie mag de keuze kenbaar gemaakt worden zolang de aanslag over het jaar waarin het activum is aangeschaft nog niet is vastgesteld.

4.2. Dat het gehele perceel, zoals verweerder nog heeft aangevoerd, blijkens de leveringsakte op naam van de C.V. en niet op naam van eiser en zijn echtgenote zelf is verworven, leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of een personenvennootschap als een C.V. wel een rechtspersoon is die zelfstandig eigendom van registergoederen in civielrechtelijke zin kan verwerven, wordt een C.V. in fiscale zin als transparant aangemerkt. Eiser geniet als vennoot persoonlijk winst uit onderneming. De C.V. is niet zelf belastingplichtig. Daarom is voor het antwoord op de vraag of eiser kan kiezen voor het aanmerken van (een deel van de) grond als privévermogen niet doorslaggevend of de C.V. als zodanig dan wel eiser (en zijn echtgenote) als kopende partij in de leveringsakte staat vermeld. Ten overvloede merkt de rechtbank daar nog bij op dat het feitenverloop er op wijst dat eiser al bij de aankoop en in elk geval bij de levering het oogmerk had om op een gedeelte van die grond een (bedrijfs)woning te bouwen, omdat het in de praktijk vrijwel onmogelijk is, althans zeer ongebruikelijk, binnen vijf dagen een aanvraag om bouwvergunning voor een woonhuis in te dienen die – en dan ook nog in de kersttijd - binnen 7 dagen wordt verleend.

4.3. In het financieel verslag van de CV was weliswaar de gehele ondergrond inclusief ondergrond van de woning als bedrijfsactivum geactiveerd, maar zijn keuze voor de ondergrond als privévermogen heeft eiser in de aanvulling van 26 april 2000 op zijn aangifte voor het jaar 1998 en dus voor de vaststelling op 14 december 2001 van de aanslag aan verweerder kenbaar gemaakt. Derhalve heeft de 1.500 m² grond nooit tot het ondernemingsvermogen behoord en kan er geen sprake zijn van bestemmingswijzigingswinst door overbrenging van de ondergrond van ondernemingsvermogen naar privévermogen. Verweerder heeft met betrekking tot zijn standpunt nog verwezen naar arresten van de Hoge Raad van 7 mei 2004, nrs. 39.751, 39.752, 38.650, 39.963, 39.115 en 39.116. De in deze arresten neergelegde rechtsoordelen zijn voor het onderhavige geval niet relevant nu in de daar berechte gevallen reeds eerder (de ondergrond van de) bedrijfswoning tot het bedrijfsvermogen was gerekend en eerst in een later belastingjaar met betrekking tot de grond op deze (al dan niet impliciete) keuze werd terug gekomen.

4.4. Verweerder heeft – subsidiair - nog aangevoerd dat ook als eiser en zijn echtgenote de ondergrond van de woning wel rechtstreeks in privé hebben verkregen, een waardestijging van fl 99.306 als winst uit onderneming moet worden aangemerkt. Dat bedrag is het verschil tussen de koopprijs van de grond als “kassengrond” en de waarde van de grond als bouwperceel. Eiser heeft daartegenover aangevoerd dat in de prijs van ? 23 per m² de mogelijkheid om de ondergrond voor een woning te gebruik is verdisconteerd.

4.5. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn subsidiair standpunt reeds vanwege het volgende. Uit de onder 2.5. genoemde, door verweerder overgelegde publicatie blijkt dat bij de vaststelling van de verkoopgrondprijs van ? 23 per m² rekening is gehouden met ontsluiting en onder meer riolering en wijziging van het bestemmingsplan. Blijkens de verklaring in het onder 2.6. genoemde, ook door verweerder aangehaalde stuk besliste de koper van de grond zelf of hij een huis op de grond gaat bouwen. Gelet hierop, het feit dat de bouwvergunning binnen een week en derhalve kennelijk zonder bestemmingsplanwijziging of –vrijstelling kon worden verleend en de vermelding bij de omschrijving van de zaak in de leveringsakte als een “glastuinbouwbedrijf voorzien van een bedrijfswoning”, valt niet in te zien dat in de verkoopprijs van ? 23 per m² de mogelijkheid om een bedrijfswoning te stichten niet reeds was verdisconteerd, zodat er geen grond is voor het oordeel dat extra winst is genoten door zuiver agrarische grond die alleen als ondernemer kon worden verkregen bij aankoop direct te bestemmen voor een privéwoning.

4.6. Nu de 1.500 m² grond tot het privé-vermogen gerekend mocht worden, is het gelijk aan eiser. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard. Verweerder heeft artikel 7 Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet juist toegepast.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ? 50.970 (€ 23.129) met dienovereenkomstige wijziging van de dotatie aan de oudedagsreserve en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 38 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 31 augustus 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.H.W. Verdegaal, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.