Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB2654

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-05-2007
Datum publicatie
24-09-2007
Zaaknummer
05-6859
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Eiser heeft een bankrekening in Luxemburg. Hem komt geen toepassing van het vertrouwensbeginsel toe, nu hij de overeenkomst met verweerder niet heeft ondertekend. Verweerder heeft terecht de niet- aangegeven pensioeninkomsten en rente-inkomsten gecorrigeerd. Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/9.7 met annotatie van Redactie
FutD 2007-1847
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/6859

Uitspraakdatum: 15 mei 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Y, eiser,

gemachtigde: mr. B, advocaat te Z,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft met dagtekening 6 juni 2003 aan eiser voor het jaar 2000 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van ? 85.681.

Na daartegen door eiser gemaakt bezwaar heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 14 november 2005 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 2 december 2005, ontvangen bij de rechtbank op 5 december 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2007 te Haarlem. Eiser en zijn gemachtigde zijn daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. C.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.1. Eiser en zijn echtgenote beschikken over een bankrekening in Luxemburg. De inkomsten met betrekking tot deze bankrekening in Luxemburg zijn over de jaren 1990 tot en met 2000 niet in de aangifte van eiser of zijn echtgenote vermeld.

2.2. Verweerder heeft in zijn brief van 23 mei 2002 ter zake van de genoten buitenlandse inkomsten aangegeven welke bedragen alsnog dienden te worden belast. De brief vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

“Indien u akkoord gaat met het geheel worden de rente-inkomsten van het jaar 2000 reeds in de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1998 meegenomen zoals uit de vaststellingsovereenkomst blijkt. Voor de aangifte inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen 2000, welke aangifte nog geregeld moet worden, heeft dit tot gevolg dat deze aangifte geheel gevolgd zal worden.”

Het met deze brief meegestuurde en door verweerder gedane voorstel om tot een overeenkomst te komen vermeldt een te betalen bedrag aan belasting, heffingsrente en boete van ? 140.553.

2.3. Eiser heeft bovenvermeld voorstel van de inspecteur niet ondertekend. Na 23 mei 2002 hebben eiser en verweerder uitvoerig gecorrespondeerd over de wijze waarop een of meerdere aanslagen dienden te worden opgelegd en tot welke bedragen.

2.4. Eiser heeft op 3 november 2002 een overeenkomst “vastlegging afspraken” met verweerder ondertekend. De overeenkomst vermeldt, voor zover hier van belang:

“De Belastingdienst heeft een onderzoek ingesteld naar Nederlandse ingezetenen die in het buitenland één of meerdere bankrekening(en) aanhouden, dan wel hebben gehouden. Naar aanleiding van dit onderzoek hebben de volgende partijen om doelmatigheidsredenen enkele afspraken gemaakt.”

(...)

“Partijen geven, uitsluitend uit praktische overweging, de voorkeur aan het opleggen van door partij 2 van één navorderingsaanslag vermogenbelasting 1999 in plaats van diverse belastingaanslagen met heffingsrente en (boete)beschikkingen over de periode 1990 tot en met 2000. Uit bijlage 1 blijkt de samenstelling van de op te leggen navorderingsaanslag vermogenbelasting 1999 op zodanige wijze dat voor partijen duidelijk is hoe het bedrag van die navorderingsaanslag tot stand is gekomen.”

2.5. De navorderingsaanslag vermogensbelasting 1999 vermeldt een te betalen bedrag aan belasting, heffingsrente en boete van € 135.625.

2.6. Eiser heeft over het jaar 2000 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 82.695.

2.7. Bij de aanslagregeling heeft verweerder de volgende correcties aangebracht:

Niet aangegeven pensioen: € 2.709

Niet aangegeven rente: € 277 +

------------

Totaal inkomstencorrecties € 2.986

Voorts heeft verweerder het bedrag van de te verrekenen voorheffingen verhoogd met € 434 (loonheffing niet aangegeven pensioen). De aanslag IB/PVV over het jaar 2000 heeft verweerder vastgesteld naar een belastbaar inkomen van € 85.681.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is of verweerder de aangifte IB/PVV over 2000 terecht heeft gecorrigeerd.

3.2. Eiser stelt primair dat verweerder in zijn brief van 23 mei 2002 het vertrouwen heeft gewekt dat de aanslag over het onderhavige jaar conform de aangifte zou worden opgelegd. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat indien het beroep op het vertrouwensbeginsel niet gehonoreerd wordt, verweerder heeft verzuimd van de rente-inkomsten kosten af te trekken, zodat de aanslag moet worden vastgesteld op ? 85.404. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de uitspraak op bezwaar.

3.3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij niet gebonden is aan het voorstel dat hij heeft gedaan in zijn brief van 23 mei 2002. In die brief is door verweerder uitdrukkelijk de voorwaarde gesteld dat eiser akkoord diende te gaan met het geheel van inkomenscorrecties zoals vermeld in die brief. Eiser is op het aanbod van verweerder niet ingegaan, waardoor er geen overeenkomst tot stand is gekomen. Eiser heeft uiteindelijk een andere overeenkomst getekend waarin niets is vermeld over het achterwege laten van inkomenscorrecties die geen betrekking hebben op de inkomsten uit het buitenland en over het mogelijk achterwege laten van correcties over het jaar 2000. Eiser heeft voorts geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat ter zake van de binnenlandse rente-inkomsten kosten zijn gemaakt. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Op 23 mei 2002 heeft verweerder eiser een voorstel tot afhandeling van niet-aangegeven rente-inkomsten van zijn buitenlandse rekening gedaan. In die brief heeft verweerder een overzicht van te corrigeren rente-inkomsten verstrekt over de jaren 1990 tot en met 2000, mede naar aanleiding van door eiser aangeleverde gegegevens en opmerkingen. Het totaal van al die correcties zou vervolgens worden vastgelegd in een navorderingsaanslag vermogensbelasting over 1998 tot een te betalen bedrag aan belasting, heffingsrente en boete van ? 140.553. Indien eiser hiermee akkoord zou gaan, dan zou volgens de brief van 23 mei 2002 de aangifte IB/PVV voor het jaar 2000 geheel gevolgd worden. Eiser heeft dit voorstel, na daartoe door verweerder nadrukkelijk te zijn uitgenodigd, echter niet ondertekend. Partijen hebben na 23 mei 2002 nog uitvoerig gecorrespondeerd. Eiser heeft bij brief van 18 juni 2002 uitgebreid gereageerd op het voorstel van verweerder en heeft enkele correctievoorstellen gedaan. In latere correspondentie is door eiser ook aangegeven dat hij nog niet akkoord kan gaan met een overeenkomst. Van de kant van verweerder is eveneens aangegeven dat er kennelijk helemaal geen overeenkomst kon worden bereikt. Nadat vervolgens de dochter van eiser contact met verweerder had opgenomen om alsnog de mogelijkheden van een compromis te onderzoeken, heeft verweerder in zijn brief van 11 oktober 2002 aangegeven akkoord te kunnen gaan met de na 23 mei 2002 gedane voorstellen van eiser. Verweerder heeft eiser een nieuwe overeenkomst toegestuurd, welke door eiser op 3 november 2002 is getekend. De rechtbank is van oordeel dat, nu eiser het voorstel van 23 mei 2002 niet heeft ondertekend, de voorwaardelijke toezegging van verweerder is komen te vervallen. Nu deze toezegging ten aanzien van de aangifte IB/PVV 2000 vervolgens niet is opgenomen in de vaststellingsovereenkomst van 3 november 2002 of anderszins in de daaraan voorafgaande besprekingen tussen partijen naar voren is gekomen, is er geen sprake van een in rechte te honoreren vertrouwen aan de zijde van eiser dat verweerder de aanslag IB/PVV 2000 zou vaststellen conform de aangifte.

4.2. Eiser heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat hij ter zake van de binnenlandse rente-inkomsten kosten heeft gemaakt die bij de vaststelling van de aanslag over 2000 door verweerder niet in aanmerking zijn genomen. Eiser, op wie in dezen de bewijslast rust, heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij deze kosten heeft gemaakt. Het enkel stellen van deze kosten zonder enige onderbouwing hiervan is hiertoe onvoldoende. Verweerder heeft derhalve terecht geen rekening gehouden met de door eiser voorgestane kosten.

4.3. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 15 mei 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. E. Jochem, voorzitter, mr. A.A. Fase en mr. A.E. Keulemans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J.E.M. Anderluh Vanherck, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.