Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB2589

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-08-2007
Datum publicatie
30-08-2007
Zaaknummer
327827 CV EXPL 06-11163
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9475, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers zijn (vertegenwoordigers van) luchtvaartagenten en gedaagden zijn luchtvaartmaatschappijen. De kwestie is of over de zogenaamde PSC (Passengers Service Charge), dat is een toeslag die reizigers dienen te betalen voor luchthavenfaciliteiten, provisie aan de luchtvaartagenten toekomt. Voor 1 januari 1997 werd de PSC niet apart op vliegtickets vermeld en werd (dus) - is de stelling van eisers - commissie betaald ook over de PSC. Vanaf genoemde datum wordt die PSC wel apart vermeld en hebben de luchtvaartmaatschappijen die PSC ook niet meer in aanmerking genomen voor de berekening van de commissie. De rechtsverhouding tussen eisers en gedaagden wordt beheerst door de regels van de agentuurovereenkomst en - voor zover aangesloten bij de IATA - door IATA regels. Eisers stellen dat de luchtvaartmaatschappijen door zo te handelen eenzijdig de agentuurovereenkomst wijzigen, hetgeen niet mag. Eisers vorderen (onder andere) te verklaren voor recht dat de Passenger Service Charge ook na 1 januari 1997 deel uitmaakt van de grondslag voor de berekening van de door gedaagden aan de IATA-agenten verschuldigde commissie.

De kantonrechter is van oordeel dat, omdat de PSC voor 1 januari 1997 onderdeel uitmaakte van de “fare”, ingevolge de agentuurregelgeving een dergelijk onderdeel van de commissie niet eenzijdig uit de vergoeding van de agent kan worden gehaald, zodat daarover ook commissie verschuldigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 327827/ CV EXPL 06-11163

datum uitspraak: 29 augustus 2007

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER IN HET INCIDENT

inzake

1. Aanvankelijk de vereniging met rechtspersoonlijkheid VERENIGING VAN ANVR LUCHTVAARTAGENTEN EN ZAKENREISBUREAUS VLZ, thans de vereniging met rechtspersoonlijkheid ALGEMENE NEDERLANDSE VERENIGING VAN REISONDERNEMINGEN

gevestigd te Amsterdam

hierna te noemen ANVR

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BCD TRAVEL NEDERLAND B.V.

gevestigd te Nieuwegein

hierna te noemen BCD Travel

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AIRTRADE HOLDING B.V.

hierna te noemen Air Trade

gevestigd te Haarlem

4. de naamloze vennootschap TUI NEDERLAND N.V.

hierna te noemen TUI

gevestigd te Rijswijk

eisende partij,

hierna tezamen ook te noemen ANVR c.s. (in enkelvoud),

advocaat mr. H.E. Schweers,

rolgemachtigde: gerechtsdeurwaarder C.H. Boeder,

tegen de gedaagden

1. de vennootschap naar Turks recht TURK HAVAYOLLARI A.O.

te Ankara (Turkije), alsmede Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

hierna te noemen Turkish Airlines,

gemachtigde mr. R.S. Jelsma.

2. de rechtspersoon althans vennootschap naar het recht van haar plaats van vestiging

GARUDA INDONESIA,

in Nederland kantoorhoudende te Amsterdam,

hierna te noemen Garuda,

gemachtigde mr. G.J.H. de Vos,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VLM NEDERLAND B.V.

gevestigd te Rotterdam,

hierna te noemen VLM

gemachtigde mr. O.R. van Hardenbroek

4. de rechtspersoon althans vennootschap naar het recht van haar plaats van vestiging

AEROFLOT RUSSIAN AIRLINES

in Nederland kantoorhoudende te Amsterdam,

hierna te noemen Aeroflot,

gemachtigde E. Beliaeva.

De procedure

ANVR c.s. heeft gedaagden gedagvaard op 21 oktober 2006 en een vordering tegen hen ingesteld zoals in de dagvaarding vermeld. In de hoofdzaak hebben alle gedaagde partijen een conclusie van antwoord genomen. Turkish Airlines heeft een incidentele vordering tot onbevoegd verklaring ingesteld.

ANVR c.s. heeft zich over deze incidentele vordering mogen uitlaten. Bij vonnis in het incident van 14 februari 2007 heeft de kantonrechter de vordering in het incident afgewezen. ANVR c.s. heeft een conclusie van repliek genomen waarna alle gedaagden met uitzondering van Aeroflot nog hebben gedupliceerd.

De feiten

a. De International Air Transport Association (IATA) is een samenwerkingsverband van ongeveer 265 internationaal opererende luchtvaartmaatschappijen. De IATA vertegenwoordigt ongeveer 94 % van de wereldmarkt. Een van haar doelstellingen is het simplificeren en stroomlijnen van de markt. Met uitzondering van VLM zijn gedaagden aangesloten bij de IATA.

b. Gedaagden zijn luchtvaartmaatschappijen die in Nederland door bemiddeling van luchtvaartagenten, waaronder de leden van ANVR en eiseressen sub 2 t/m 4, luchtvaartreizen aan reizigers aanbieden en verkopen.

c. VLZ is een vereniging die ten doel heeft de bedrijfsbelangen van haar leden (luchtvaartagenten) op het terrein van zakenreizen, vervoer en verblijf in zijn algemeenheid en van IATA luchtvaartpassagiers in het bijzonder te behartigen, zowel op nationaal als op internationaal niveau.

d. De relatie tussen de IATA luchtvaartagenten en de IATA luchtvaartmaatschappijen is een agentuurrelatie. De verhouding tussen dergelijke agenten en luchtvaartmaatschappijen wordt mede bepaald door door de IATA opgestelde regels, de zogenaamde “Passengers Sales Agency Agreement” (hierna: Agreement) en daarvan deel uitmakende resoluties, de zogenaamde “Rules”.

e. De Agreement verplicht de luchtvaartmaatschappijen om aan de luchtvaartagent commissie te betalen voor ieder ticket dat de agent verkoopt.

f. De “Rules” luiden, voor zover hier van belang:

9.4.1 Commission shall be paid to an Agent on the amount of the fares applicable to the air passenger transportation or charter price paid over to the Member.

9.4.2 The “fares applicable”are the fares (...) for the transportation in accordance with the Member’s tariffs and shall exclude any charges for excess baggage or excess valuation of baggage as well as all taxes and other charges collected by the Agent.

g. De Passenger Service Charge (hierna: PSC) is een bedrag dat door de luchthavens wordt geheven van de luchtvaartmaatschappijen voor de diensten die door de luchthavens aan de passagiers worden geleverd. De luchtvaartmaatschappijen berekenen dit bedrag door aan de passagiers.

h. De Nederlandse luchtvaartmaatschappijen zijn verenigd in de Board of Airline Representatives in the Netherlands (hierna: BARIN). In een ongedateerd stuk van BARIN met als opschrift “Should Passenger Service Charges (PSC) be shown on tickets?” worden voor- en nadelen opgesomd van het afzonderlijk vermelden van de PSC op de vliegtickets. Vanaf 1 januari 1997 vermelden de luchtvaartmaatschappijen, waaronder gedaagden, de PSC afzonderlijk op het ticket als “RN tax”.

i. De luchtvaartmaatschappij VLM is geen IATA-lid, maar sinds medio 2004 wel aangesloten bij de BARIN. Ook de relatie van VLM met de IATA agenten is een agentuurrelatie.

De vordering

ANVR c.s. vordert om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat de Passenger Service Charge ook na 1 januari 1997 deel uitmaakt van de grondslag voor de berekening van de door gedaagden aan de IATA-agenten verschuldigde commissie;

2. te verklaren voor recht dat de Passenger Service Charge in aanmerking dient te worden genomen bij de vaststelling van de “Flown Revenue” waarover “override commissie” wordt berekend, zulks met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1997;

1. primair gedaagde sub 1,2 en 4 ieder te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het ten dezen te wijzen vonnis aan ADP GSI Nederland schriftelijk toestemming te verlenen om de berekening van de verschuldigde commissie te maken vanaf 1 januari 1997 tot en met 31 december 2004 en gedaagde sub 3 te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het ten dezen te wijzen vonnis aan ADP GSI Nederland schriftelijk toestemming te verlenen om de berekening van de verschuldigde commissie te maken vanaf 11 april 2000 tot en met 31 december 2004;

subsidiair gedaagden ieder te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis aan eiseressen inzake, afschrift of uittreksel te verschaffen van de onder 20 van de dagvaarding bedoelde bescheiden, zodat zij in staat zijn de door gedaagden verschuldigde commissie over de PSC door ADP GSI Nederland te laten berekenen;

primair en subsidiair op straffe van een eenmalige dwangsom van € 1.000.000,-- per gedaagde en € 5.000,-- voor iedere dag dat een gedaagde in gebreke blijft om aan het ten dezen te wijzen vonnis te voldoen;

4. primair gedaagden ieder te veroordelen aan alle luchtvaartagenten in Nederland die geaccrediteerd zijn door IATA en lid zijn van VLZ, waaronder eiseressen sub 2 t/m 4, te betalen de aldus door ADP GSI Nederland berekende achterstallige commissie over de PSC, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 1997 voor gedaagden sub 1,2 en 4 en vanaf 11 april 2000 voor gedaagde sub 3, althans voor de respectieve bedragen vanaf de respectieve data van verzuim, althans voor gedaagden sub 1,2 en 4 vanaf 31 januari 2002 en voor gedaagde sub 3 vanaf 11 april 2005, althans vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

subsidiair gedaagden ieder te veroordelen om aan alle luchtvaartagenten in Nederland die geaccrediteerd zijn door IATA en lid zijn van VLZ, waaronder eiseressen sub 2 t/m 4, te betalen de achterstallige commissie over de PSC , zoals deze door de kantonrechter nader in deze procedure zal worden vastgesteld;

5. gedaagden ieder te veroordelen om op eerste verzoek van ADP GSI Nederland over te gaan tot betaling aan haar van de ter zake van de berekening verschuldigde kosten, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- per gedaagde voor elke dag dat een gedaagde in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

6. gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd, te veroordelen in de kosten van deze procedure, een salaris voor de gemachtigde van eiseressen daaronder begrepen

ANVR c.s. heeft aan haar vorderingen het volgende – samengevat – ten grondslag gelegd. Ten onrechte is door gedaagden in de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 december 2004 eenzijdig de commissie berekening gewijzigd in die zin dat de PSC daarbij niet meer in aanmerking is genomen.

Het verweer van Turkish Airlines.

Turkish Airlines betwist de vordering. Zij voert daartoe – zakelijk weergegeven - het volgende aan. Volgens Turkish Airlines is zij op grond van de Agreement en de Rules gerechtigd eenzijdig de grondslag voor het betalen van commissie te wijzigen. Ook is zij van mening dat de vordering deels is verjaard. Zij stelt dat zij de brief van 31 januari 2002 van mr. Rijsdijk, de toenmalige advocaat van ANVR c.s. niet heeft ontvangen en de verjaring is derhalve niet gestuit. Ook is zij van mening dat de vordering tot inzage op grond van het bepaalde in artikel 7:433 BW moet worden afgewezen en tenslotte vindt zij dat de dwangsommen, zo het tot een toewijzing daarvan komt, moeten worden gematigd en gemaximeerd.

Het verweer van Garuda.

Ook Garuda betwist de vordering. Zij voert daartoe het volgende – zakelijk weergegeven – aan. Garuda betwist bij gebrek aan wetenschap of de niet als eiseres optredende leden van ANVR wel op 31 december 2006 IATA geaccrediteerd waren. Van BCD weet zij zeker dat zulks niet het geval was en Garuda stelt zich dan ook op het standpunt dat BCD zich niet kan beroepen op een eenzijdige wijziging van een overeenkomst met Garuda per 1 januari 1997.

Kern van het verweer van Garuda is haar stelling dat zij met reisorganisaties aan haar te betalen netto prijzen voor tickets heeft afgesproken, die lager lagen dan haar zogenaamde “Recommended Selling Price” (dat is de prijs waarvoor passagiers rechtstreeks bij Garuda konden boeken). De reisorganisaties waren vervolgens vrij om aan de klant te berekenen wat zij willen.

Voor zover er aanspraak bestaat op een commissie over de verkoopprijs stelt Garuda met verwijzing naar Rule 9.4.2 , dat in het begrip “fare” alle soorten belastingen en andere heffingen niet zijn begrepen en derhalve de PSC evenmin.

Vanuit BSP, het door IATA gefaciliteerde betalingssysteem, hebben de reisorganisaties maandelijks een “Agent Billing Analysis” en een “Agent Statement of Account” ontvangen en zij hebben dus, volgens Garuda, geen belang bij hun vordering sub 3.

Garuda betwist dat er afspraken bestaan op basis waarvan ANVR c.s. aanspraak zouden kunnen maken op extra “override commissie”.

Ook Garuda betwist de ontvangst van de brief van 31 januari 2002 en beroept zich op verjaring voor zover betrekking hebbend op de periode voor 25 augustus 1999 en is daarnaast van mening dat de dwangsommen, zo het tot een toewijzing daarvan komt, moeten worden gematigd en gemaximeerd.

Het verweer van VLM

Allereerst stelt VLM dat ANVR c.s. niet kan optreden voor inmiddels gefailleerde leden of leden die hun activiteiten hebben neergelegd. De eiseressen sub 2 t/m 4 eisen voor zichzelf als individuele reisagenten. Er kan niet meer worden toegewezen dan dat zij als individuele reisagent per transactie kunnen vorderen.

Als belangrijkste verweer stelt VLM dat zij geen lid is van de IATA en dat zij pas medio 2004 is toegetreden tot BARIN. Volgens VLM gelden in haar relatie met de reisagenten de Agreement en de Rules derhalve niet en zijn alleen de agentuurovereenkomsten van toepassing. De door VLM opgebouwde ticketprijs is opgenomen in VLM Conditions of Carriage. Deze is bij alle reisagenten bekend en ook de tariefstructuur is bekend. VLM heeft geen wijziging in tariefstructuur per 1 januari 1997 doorgevoerd; zij heeft altijd prijzen aan agenten doorgegeven zonder taxes, fees of charges, dit alles nog steeds volgens VLM. Subsidiair is VLM van mening dat ANVR c.s. haar rechten heeft verwerkt door jaren te wachten met het instellen van deze vordering. Ten slotte heeft ook VLM aangevoerd dat de vordering voor een gedeelte is verjaard, hetgeen tot gevolg moet hebben dat bij toewijzing in elk geval geen integrale proceskostenveroordeling moet plaatsvinden.

Het verweer van Aeroflot.

Ook Aeroflot heeft een beroep op verjaring gedaan omdat zij de brief van 31 januari 2002 niet zou hebben ontvangen. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat zij altijd handelt naar de regels van de IATA en de International Civil Aviation Association (ICAA).

De beoordeling van het geschil

1. Tussen partijen is in confesso dat op de verhouding tussen de Nederlandse luchtvaartagenten en gedaagde partijen de wettelijke regeling van artikel 7:428 e.v. BW van toepassing is.

2. Ten aanzien van de verweren dat (een deel van) de vorderingen zijn verjaard en om die reden al niet kunnen worden toegewezen overweegt de kantonrechter als volgt.

3. Tegenover de verweren van Turkish Airlines en Garuda dat de verjaring niet was gestuit door de brief van de gemachtigde van ANVR c.s. van 31 januari 2002 doordat die brief niet door hen ontvangen is, heeft ANVR c.s. zich met betrekking tot Turkish Airlines gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter; zij heeft haar stelling ter zake niet verder onderbouwd of te bewijzen aangeboden.

Dat heeft ANVR c.s. evenmin gedaan ten opzichte van Garuda, zodat ervan worden uitgegaan dat de verjaring van de vorderingen op Turkish Airlines en Garuda op dat moment niet is gestuit.

Onbetwist is gebleven dat de eerste daad van stuiting dateert van 25 augustus 2004, zodat de vorderingen jegens Turkish Airlines en Garuda voor zover die betrekking hebben op de periode gelegen vóór 25 augustus 1999 zijn verjaard en daarom moeten worden afgewezen.

4. ANVR c.s. heeft het verweer van Aeroflot dat de vordering (deels) zou zijn verjaard weerlegd, onder overlegging van een kopie van een fax die Aeroflot op 28 februari 2002 aan de toenmalige raadsman van ANVR c.s. heeft gestuurd. Aeroflot refereert daarin naar diens faxbericht van 31 januari 2001 (aangenomen wordt dat bedoeld is 2002) over de PSC. Volgens de eigen stellingen van ANVR c.s. is dat faxbericht door haar gemachtigde op 31 januari 2002 verzonden Gelet op het voorgaande moet ervan worden uitgegaan dat Aeroflot die brief van 31 januari 2002 wel degelijk heeft ontvangen, zodat de verjaring van de vordering vanaf 31 januari 1997 is gestuit. De vordering op Aeroflot ter zake van de periode van 1 januari 1997 tot 31 januari 1997, waarover ANVR niets naders gesteld heeft, moet echter als verjaard worden afgewezen.

5. Ook VLM heeft zich (gemotiveerd) beroepen op verjaring van de vordering voor zover betrekking hebbend op de periode tot en met 11 april 2000. ANVR c.s. heeft op dat verweer slechts gereageerd door te stellen dat zij gerechtigd is tot de achterstallige commissie over de PSC vanaf 11 april 2000. Dat verjaringsverweer slaagt dan ook, zodat de vordering tegen VLM in ieder geval over de periode tot en met 11 april 2000 moet worden afgewezen.

6. Over de grondslag van de vorderingen overweegt de kantonrechter het volgende.

7. Aeroflot heeft niet meer inhoudelijk gereageerd op de nadere toelichting en stellingen van ANVR c.s., zodat het verweer dat Aeroflot bij antwoord had gevoerd als onvoldoende onderbouwd moet worden verworpen. De vorderingen gericht tegen Aeroflot moeten daarom op de hierna te vermelden wijze worden toegewezen.

8. De kern van de zaak tussen ANVR c.s. en de andere gedaagden is de vraag of ANVR c.s. aanspraak kan maken op commissie over de PSC. Allereerst moet daartoe beoordeeld worden of de PSC deel uitmaakt van de zogenaamde “fare”, waarover de luchtvaartmaatschappijen commissie betalen aan de reisagenten, dan wel als tax of charge moet worden aangemerkt. Het volgende wordt in dit verband vooropgesteld.

9. De PSC is een vergoeding voor de diensten die de luchthavens aan de passagiers aanbieden. Die vergoeding komt geheel aan de luchthavens ten goede. Die luchthavens zijn privaatrechtelijke rechtspersonen en ook de PSC heeft dan ook een privaatrechtelijk karakter. Een andere interpretatie zou er toe kunnen leiden dat het gedaagde partijen vrij zou staan allerlei bestanddelen die de ticketprijs bepalen, daaruit te halen.

10. Zoals hiervoor onder 1 al is overwogen wordt de rechtsverhouding tussen partijen beheerst door de wettelijke regeling van artt. 7:428 e.v. BW, de agentuurovereenkomst. Een agentuurovereenkomst naar Nederlands recht is een wederkerige overeenkomst. Eenzijdige wijziging van de voorwaarden door één partij bij die overeenkomst is daarbij slechts mogelijk voor zover dit uitdrukkelijk tussen partijen zou zijn overeengekomen, dan wel zou voortvloeien uit enige wettelijke bepaling. Noch de IATA-bepalingen noch enige wettelijke regeling geven aan de luchtvaartmaatschappijen de mogelijkheid de grondslag waarover de commissie van de agenten wordt berekend eenzijdig te wijzigen.

11. Tussen partijen staat vast dat door de luchthavens al voor 1 januari 1997 PSC werd geheven van de luchtvaartmaatschappijen voor luchthavendiensten. Eveneens staat tussen eiseressen enerzijds en gedaagden sub 1, 2 en 4 vast dat de PSC voor die datum door die luchtvaartmaatschappijen werd doorberekend aan de passagiers en dat dit gebeurde doordat de PSC was opgenomen als onderdeel van de zogenaamde “fare”. Er wordt dan ook in de zaken tegen bedoelde gedaagden van uitgegaan dat de PSC voor

1 januari 1997 deel uitmaakte van de “fare” en als zodanig onderdeel was van de grondslag waarover de commissie voor de luchtvaartagenten werd berekend. De conclusie is dan ook dat voor 1 januari 1997 door de luchtvaartmaatschappijen ook commissie werd betaald over de PSC.

12. Dat het voorgaande juist is vindt bevestiging in het zogenaamde BARIN-document, dat – naar moet worden aangenomen – dateert van kort voor 1 januari 1997 en waarvan de inhoud niet door gedaagden is betreden. Uit dit document valt af te leiden dat als gevolg van het apart vermelden van de PSC eventuele wijziging van die PSC geen invloed meer zal hebben op de “fare”. Klaarblijkelijk was dat voordien wel het geval, waaruit kan worden afgeleid dat de PSC toen dus wel deel uitmaakte van de “fare”. Daarnaast bevestigt het BARIN-document dat de luchtvaartmaatschappijen zich realiseerden dat het afzonderlijk vermelden van de PSC op het ticket ten nadele van de agent zou uitpakken, omdat alsdan geen commissie meer over de PSC zou worden berekend; dat is niet onbelangrijk omdat de BARIN het samenwerkingsverband van luchtvaartmaatschappijen in Nederland is en als goed ingevoerd in de materie moet worden beschouwd.

13. De kantonrechter is van oordeel dat, omdat de PSC voor 1 januari 1997 onderdeel uitmaakte van de “fare”, ingevolge de agentuurregelgeving een dergelijk onderdeel van de commissie niet eenzijdig uit de vergoeding van de agent kan worden gehaald.

14. Voor zover Turkish Airlines heeft betoogd dat de Rules zijn aan te merken als tussen haar en ANVR c.s. geldende algemene voorwaarden, die zij eenzijdig heeft mogen wijzigen, volgt de kantonrechter Turkish Airlines niet in dit standpunt. Wat er verder van zij, eenzijdige wijziging van algemene voorwaarden is immers, behoudens hier niet gestelde uitzonderingen, niet mogelijk in een tussen partijen bestaande rechtsverhouding.

Artikel 9 van de Agreement geeft evenmin een eenzijdige wijzigingsbevoegdheid. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is in dat artikel niet te lezen dat de luchtvaartmaatschappijen de grondslag voor de commissie eenzijdig kunnen wijzigen.

15. VLM heeft aangegeven dat voor haar de IATA-regels niet gelden, omdat zij geen lid is van de IATA en zij pas medio 2004 tot het BARIN-overleg is toegetreden. Volgens VLM dient voor de definitie van “fare” in haar geval uit te worden gegaan van haar voor de passagiers geldende “Conditions of carriage” en met name artikel 4.1 daarvan.

Op dit punt wordt als volgt overwogen. Voor zover die voorwaarden al bepalend zijn voor de agentuurovereenkomst tussen partijen, sluit naar het oordeel van de kantonrechter dat artikel nog niet uit dat ook de PSC onder “fare” valt.

Na de door VLM aangehaalde zin “Fares apply only for carriage from the airport at the point of origin tot the airport at the point of destination, unless otherwise expressly stated”, staat immers “Fares do not include ground transport service between airports and between airports and town terminals unless otherwise expressly stated.” De PSC ziet evenwel op geheel andere kosten, namelijk kosten verbonden aan aanleg, onderhoud en schoonhouden van alle faciliteiten in de terminal. Van dat soort kosten wordt geen melding gemaakt in de geciteerde zinsnede uit de Conditions of Carriage en in deze bepalingen kan dan ook geen steun worden gevonden voor de stelling van VLM dat de PSC nimmer deel hebben uitgemaakt van de “fare” waarover door VLM aan de luchtvaartagenten commissie is betaald.

16. VLM heeft betwist dat zij de agentuurovereenkomsten heeft gewijzigd per 1 januari 1997; voordien liet zij de PSC buiten de “fare” en dat is zo gebleven.

ANVR c.s. heeft ter weerlegging van dat verweer een Excel-overzicht overgelegd dat een extract is uit de bedrijfsadministratie van een niet bij naam genoemde reisagent op basis van de gegevens van ADP GSI. VLM heeft erin volhard geen wijziging te hebben aangebracht in de berekening van de fare of commissie na 1 januari 1997 en zij heeft aangegeven dat zij onevenredig in haar verdediging wordt aangetast nu nergens uit blijkt wat de afkomst of de authenticiteit is van het door ANVR c.s. overgelegde overzicht. Daarin moet de kantonrechter VLM gelijk geven. ANVR c.s. moet haar stelling tegenover het verweer van VLM ter zake van de wijziging van de ticket/commissieberekening door VLM met bewijzen staven.

Indien niet vast komt te staan dat VLM de agentuurovereenkomst per 1 januari 1997 heeft gewijzigd en daarentegen al langer de commissie heeft berekend exclusief de PSC, dan slaagt het verweer van VLM dat zij de agentuurovereenkomst niet heeft gewijzigd maar dat ANVR c.s. dat juist heeft gedaan. Zomin als de luchtvaartmaatschappij dat eenzijdig kan doen, kunnen ook agenten dat evenmin doen.

De zaak zal daarom verwezen worden naar de rolzitting van 10 oktober 2007 voor akte aan de zijde van ANVR c.s., waarna VLM zal mogen reageren.

17. Het beroep van VLM op rechtsverwerking wordt reeds nu verworpen. De enkele omstandigheid dat ANVR c.s. gedurende de afgelopen jaren heeft afgerekend met VLM op de wijze als zij heeft gedaan is onvoldoende om rechtsverwerking aan te nemen. ANVR c.s. had immers tal van gelijksoortige procedures tegen luchtvaartmaatschappijen aanhangig gemaakt, hetgeen VLM niet kan zijn ontgaan. VLM mocht er dan ook niet op vertrouwen dat ANVR c.s. jegens VLM een ander standpunt had ingenomen en zou afzien van haar eventuele vorderingsrecht op VLM.

18. Garuda heeft betwist dat de door ANVR c.s. niet nader genoemde leden IATA geaccrediteerd zijn, doch deze betwisting wordt als onvoldoende feitelijk onderbouwd gepasseerd. Tegenover deze betwisting heeft ANVR c.s. immers aangevoerd dat alle leden van VLZ op grond van haar statuten een IATA accreditatie moeten hebben, dat slechts IATA geaccrediteerde luchtvaartagenten bevoegd zijn tickets uit te geven van bij IATA aangesloten luchtvaartmaatschappijen als Garuda en dat uitsluitend IATA geaccrediteerde luchtvaartagenten kunnen betalen via het BSP systeem. Deze feitelijke stellingen zijn door Garuda onvoldoende gemotiveerd betwist. In deze procedure moet dan ook als vaststaand worden aangenomen dat alle leden van VLZ, waaronder ook eiseressen sub 2 tot en met 5, IATA geaccrediteerd zijn.

19. Nu Garuda is aangesloten bij de IATA en de agenten alle IATA geaccrediteerd zijn, moet worden aangenomen dat de verhouding tussen de luchtvaartagenten en Garuda wordt beheerst door de IATA regels, waaronder de Agreement en de Rules. In Rules 108 staat dat commissie aan een agent betaald moet worden over de “fare”. Hiervoor is vastgesteld dat de PSC wel degelijk onderdeel uitmaakt van de “fare”in die zin dat daarover ook commissie verschuldigd is. Het enkele feit dat er agenten zijn die eerst na 1 januari 1997 als agent zijn gaan optreden en derhalve pas na die datum onder de IATA regels zijn gaan vallen, brengt niet mee dat ten aanzien van die agenten zou moeten worden uitgegaan van een andere grondslag van de provisieberekening. Dit zou mogelijk anders zijn indien met deze agenten –gelet op de voor alle partijen bekende discussie dienaangaande- nadrukkelijke afspraken zouden zijn gemaakt over de (commissie over de) PSC. Daarvan is echter niets gebleken. De vraag of en zo ja, welke leden van de ANVR c.s. derhalve eerst na 1 januari 1997 als IATA agent zijn gaan optreden, behoeft dan ook geen verdere bespreking. Dat Garuda met een aantal reisorganisaties afspraken had over een netto inkoopprijs voor vluchten die werden verkocht als onderdeel van een vakantiereis en met andere reisorganisaties kortingen op de inkoopprijs had afgesproken maakt dit niet anders.

20. Garuda heeft betwist dat BCD Travel zich kan beroepen op een wijziging in de agentuurovereenkomst die zich heeft voorgedaan vanaf 1 januari 1997, omdat BCD Travel rechtsopvolgster is van twee reisorganisaties die niet reeds op 31 december 1996 door IATA waren geaccrediteerd.

ANVR c.s. heeft daarop aangegeven dat de divisie FTM van TUI die voorheen de de zakelijke reizen verzorgde, is verzelfstandigd en dat TQ3 daarvoor is opgericht die alle rechten en verplichtingen van die divisie had overgenomen, dat Garuda daar nooit eerder enig voorbehoud heeft gemaakt en dat TQ3 is opgegaan in BCD Travel, die op haar beurt alle rechten en verplichtingen van TQ3 heeft overgenomen, naast die van World Travel Holland B.V.. Garuda heeft die nadere toelichting van ANVR c.s. onvoldoende gemotiveerd weerlegd; dat Garuda nog steeds met TUI zelf zaken doet laat de stelling van ANVR c.s. onverlet dat een deel van TUI is verzelfstandigd en overgenomen met daarbij de agentuurovereenkomst voor een deel van de markt.

21. Omdat wat Turkish Airlines, Garuda en Aeroflot betreft vast staat dat de PSC aanvankelijk in de grondslag van de provisieberekening was begrepen, dient deze over de perioden waarover de vordering zich uitstrekt eveneens het uitgangspunt zijn. De primaire vordering van ANVR c.s. zal daarom worden toegewezen, met dien verstande dat de vordering slechts die tickets betreft, waarop de RN tax is vermeld en voorts geen andere agenten betreft dan eiseressen dan wel thans nog bij ANVR c.s. aangesloten agenten.

22. ANVR c.s. hebben gesteld dat de vordering onder 2 reeds besloten ligt in de vordering onder 1. Dit gedeelte van de vordering zal om die reden wegens gebrek aan belang, worden afgewezen.

23. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de vorderingen 1 en 3 primair dienen te worden toegewezen. Aan de veroordeling ter zake van 3 primair zal na te melden (gemaximeerde) dwangsom gekoppeld worden.

De zaak zal ter verdere beoordeling van de vorderingen 4 en 5 worden verwezen naar de rol voor een akte aan de zijde van ANVR c.s. waarbij deze de berekeningen van ADP GSI kunnen overleggen c.q. toelichten. Turkish Airlines en Garuda zullen daarna in de gelegenheid worden gesteld hierop bij antwoord akte te reageren.

Omdat ervan moet worden uitgegaan dat de berekeningen van ADP GSI enige tijd in beslag zullen nemen, zal de zaak worden verwezen naar de rol van 27 februari 2008. Partijen kunnen desgewenst de griffier verzoeken de zaak vervroegd op de rol te zetten, danwel om nader uitstel verzoeken.

24. Gelet op de aard van deze zaak zal voor zover nodig hoger beroep van dit vonnis worden toegestaan. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing

De kantonrechter:

A) verklaart voor recht dat de Passenger Service Charge ook na 1 januari 1997 deel uitmaakt van de grondslag voor de berekening van de door Turkish Airlines, Garuda en Aeroflot aan de IATA-agenten verschuldigde commissie;

A) veroordeelt Turkish Airlines en Garuda ieder om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan ADP GSI Nederland schriftelijk toestemming te verlenen om de berekening van de verschuldigde commissie te maken vanaf 25 augustus 1999 tot en met 31 december 2004, en veroordeelt Aeroflot om binnen 14 dagen na betekening van het ten dezen te wijzen vonnis aan ADP GSI Nederland schriftelijk toestemming te verlenen om de berekening van de verschuldigde commissie te maken vanaf 31 januari 1997 tot en met 31 december 2004,

dit op straffe van een eenmalige dwangsom van € 100.000,00 per gedaagde en € 5.000,00 voor iedere dag dat een gedaagde in gebreke blijft om vanaf een week na betekening van dit vonnis aan deze veroordeling te voldoen, dit laatste met een maximum van € 500.000,00;

C) verwijst de zaak naar de rolzitting van 10 oktober 2007 voor akte ANVR c.s. als in overweging 15 bedoeld en bepaalt dat VLM daarop zal mogen reageren;

D) verwijst de zaak voorts naar de rolzitting van 27 februari 2008 voor akte aan de zijde van VLZ c.s. tot het in rechtsoverweging 21 vermelde doel;

E) bepaalt dat hoger beroep tegen dit vonnis open staat;

F) houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Smits en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.