Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB2586

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-06-2007
Datum publicatie
30-08-2007
Zaaknummer
136241/2007-630
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kinderrechter is van oordeel dat in de omstandigheid dat de moeder niet voornemens is Nederland vrijwillig te verlaten en zij bij een gedwongen uitzetting [naam kind] mee wenst te nemen geen grond is gelegen om het gezag van de moeder voor lange tijd te beperken door middel van een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [naam kind]. Vaststaat dat [naam kind] en de pleegouders behoorlijk onder druk staan door de onzekerheid over het voortgezette verblijf van [naam kind] in Nederland. Verder komen ook de grenzen van een langer verblijf van de moeder in het pleeggezin in zicht. Het is derhalve voor alle betrokkenen van belang dat de IND op korte termijn een beslissing neemt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 254
Burgerlijk Wetboek Boek 1 256
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2007/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie- en Jeugdrecht

definitieve ondertoezichtstelling

en

machtiging verlenging uithuisplaatsing

zaak-/rekestnr.: 136241/2007-630

beschikking van de kinderrechter d.d. 22 juni 2007

naar aanleiding van verzoeken van:

De Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Haarlem,

verder te noemen: de Raad,

en

Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam,

team Opperdan te Zaandam,

verder te noemen: de Stichting

met betrekking tot de minderjarige:

naam: [naam minderjarige]

roepnaam: [naam]

geboren: [datum] 2000 te [plaats], Colombia

moeder: [naam]

verblijvende te [plaats] in het pleeggezin van de minderjarige

vader: onbekend

gezag: moeder

verblijfplaats: in het pleeggezin van de familie [naam]

Verloop van de procedure

Bij beschikking d.d. 28 maart 2007 is de minderjarige reeds voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 23 maart 2007 tot 23 juni 2007 en is een machtiging uithuisplaatsing voor opneming van de minderjarige in een voorziening voor pleegzorg verleend voor dezelfde duur als de voorlopige ondertoezichtstelling.

Op 18 juni 2007 is ter griffie van deze rechtbank het verzoek ontvangen van de Raad om de minderjarige definitief onder toezicht te stellen tot 23 maart 2008.

Op 19 juni 2007 is ter griffie van deze rechtbank het verzoek tot verlenging met negen maanden van de machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg ontvangen van de Stichting.

Op 21 juni 2007 heeft de kinderrechter de verzoeken ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Hierbij zijn verschenen en gehoord:

- de moeder bijgestaan door haar raadsman mr. R. Heemskerk, kantoorhoudende te Den Haag;

- de Raad, vertegenwoordigd door de heer W.R. Daalderop en mevrouw B. Schweitzer;

- de Stichting, vertegenwoordigd door de heer M. Zeldenrust en mevrouw mr. S. Koogel;

- de pleegouders.

Standpunten van partijen

De Raad acht het noodzakelijk dat [naam kind] definitief ondertoezicht wordt gesteld in combinatie met een machtiging uithuisplaatsing, een en ander voor de duur van een jaar vanaf de datum van de voorlopige ondertoezichtstelling. Er zijn volgens de Raad nog te veel zaken onduidelijk en daarvoor is meer onafhankelijk onderzoek nodig, opdat aansluitend daaraan adequate en essentiële hulpverlening voor de moeder en [naam kind] kan worden ingezet. De machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg is noodzakelijk, omdat de moeder in een onzekere positie verkeert waar het haar verblijf in Nederland betreft en zij bovendien niet in staat is om zichzelf en daarmee [naam kind] zelfstandig te onderhouden. De Raad stelt het belang van [naam kind] voorop en wil met zijn verzoek de nodige hulpverlening in Nederland waarborgen. Volgens de Raad is thans niet te zeggen of de moeder de verzorging en opvoeding van [naam kind] aankan. Het is een kwestie van koffiedik kijken of [naam kind] zich aan zijn moeder zal hechten en of de moeder met hulp en steun een adequate opvoeding kan bieden.

De gezinsvoogd heeft ter zitting aangegeven dat hij achter de visie van de Raad staat. [naam kind] is nu in een fase waarin de hechting met zijn moeder aan de orde komt. Voor de ontwikkeling van [naam kind] is het een voorwaarde dat de hechting veilig gebeurt. Hoe lang daarvoor nodig is en of deze tot stand komt, is niet te zeggen. [naam kind] heeft een belast verleden en het is noodzakelijk dat de therapie bij [instantie] wordt gecontinueerd. Voorts is het van belang om het verloop van de overige procedures nauwlettend te volgen. Naast de door de IND te nemen beslissing, wacht de Stichting op de uitkomst van het hoger beroep, dat zij heeft ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam tegen de beslissing van de rechtbank, sector kantonzaken, met betrekking tot de opheffing van de tijdelijke voogdij. De zitting is gepland op 29 augustus 2007.

De moeder en haar raadsman hebben ter zitting verklaard dat de moeder kan instemmen met het verzoek tot ondertoezichtstelling en de verlenging van de uithuisplaatsing, zij het dat de looptijd van een jaar te lang wordt bevonden. De moeder verblijft nu bij de pleegouders en dat gaat goed. De moeder is van mening dat deze situatie niet te lang kan duren en zij ziet het liefst dat zij samen met [naam kind] een toekomst kan opbouwen in Nederland. Als zij niet in Nederland mag blijven, dan wil zij met [naam kind] naar Colombia vertrekken. De moeder brengt verder naar voren dat zij het belang van [naam kind] voorop stelt en dat [naam kind] het tempo moet bepalen van de toenadering tot elkaar. De moeder ziet in dat hij behandeling nodig heeft voor het verwerken van zijn trauma’s. De raadsman verzoekt de verzoeken te verlenen c.q. te verlengen voor de duur van drie maanden. Hij verwacht de beslissing van de IND over ongeveer drie maanden.

De pleegmoeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat de afgelopen periode gebruikt is om [naam kind] aan de moeder te laten wennen. De komende periode zal worden gebruikt om het hechtingsproces met veel zorg en voorzichtigheid opgang te brengen. De pleegmoeder is van mening dat men niet te hard van stapel mag lopen om de hechting met de moeder te forceren, en [naam kind] te laten onthechten van de voor hem vertrouwde personen. De pleegmoeder voorziet dat er nog een lange weg te gaan is in verband met de behandeling en de verwerking van de opgelopen trauma’s. De behandeling betreffende het seksueel misbruik van [naam kind] bevindt zich in een beginfase; de laatste weken is er enige vooruitgang geboekt. De pleegmoeder stelt dat het van belang is dat de moeder wordt betrokken bij de therapie van [naam kind] bij [naam instantie], zodat zij leert omgaan met haar schuld- en schaamtegevoelens en leert hoe zij een bijdrage kan leveren bij de traumaverwerking van [naam kind].

Beoordeling

De kinderrechter stelt voorop dat de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikkingen van de kantonrechter van 15 maart 2007 en van de kinderrechter van 28 maart 2007 het uitgangspunt vormen voor het beoordelen van de onderhavige verzoeken. Zowel de kantonrechter als de kinderrechter hebben destijds alle betrokkenen gehoord en vervolgens het belang van [naam kind] voorop gesteld bij het nemen van de beslissingen.

Nadat op 15 maart jl. de moeder wederom met het ouderlijk gezag over [naam kind] is belast, heeft de kinderrechter op verzoek van de Raad op 28 maart jl. het ouderlijk gezag voor de duur van drie maanden beperkt middels een voorlopige ondertoezichtstelling van [naam kind], en daarnaast een machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend. Die maatregelen zijn genomen omdat ‘het belang van [naam kind] meebrengt dat hij wordt beschermd tegen een niet goed voorbereide overgang van een optimale verzorging en opvoeding – inclusief behandeling via de pleegouders – naar een voor hem onbekende en daardoor alleen al onveilige leefsituatie met een moeder die hij niet meer kent als zijn moeder, in een voor hem vreemd land waarvan hij de taal niet meer spreekt. Voor het (wederom) vormen van een gezin met [naam kind] en zijn reeds in Colombia verblijvende tweelingbroertje [naam] is het noodzakelijk dat de moeder eerst gedurende enkele maanden een verdere band opbouwt met [naam kind], opdat deze voldoende aan haar is gehecht om haar te volgen. De (voorlopige) ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing strekken ertoe de nadelige gevolgen van een scheiding van personen waar [naam kind] inmiddels veilig aan gehecht is, zoveel mogelijk te beperken en de overgang naar een andere leefsituatie te versoepelen.’

De Stichting heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter. De Raad, die het bezwaar van de Stichting tegen het wederom belasten van de moeder met het gezag deelt en de kantonrechter destijds heeft geadviseerd het verzoek van de moeder af te wijzen, heeft direct na de uitspraak van de kantonrechter de beschermingmaatregelen verzocht.

De Raad en de Stichting beogen dezelfde uitkomst, namelijk verhinderen dat [naam kind] samen met zijn moeder Nederland wordt uitgezet. Met de pleegouders beklemtonen beide verzoekers dat het “koffiedik kijken is” of de hechting tussen [naam kind] en de moeder op gang komt, en zo ja wanneer, en of de moeder in staat zal zijn de verzorging en opvoeding van [naam kind] over te nemen van de pleegouders.

Het beeld dat oprijst uit de overgelegde stukken, is ter zitting bevestigd: de pleegmoeder en de moeder ervaren dat er veel rek zit in de uitzetting van de moeder. De pleegmoeder is zeer content met de brieven die [naam instantie] heeft geschreven ten behoeve van de lopende procedures, omdat deze de deur openen naar een langer verblijf van de moeder in Nederland. [naam kind] en de moeder krijgen daardoor een langere tijd om naar elkaar te groeien. Het tempo wordt bepaald door [naam kind], moeder, pleegmoeder en de hulpverlenende instanties; het verwerkingsproces van [naam kind] heeft aldus een opschortende werking.

In het briefrapport van [naam instantie] van 14 juni 2007, pagina 2 onderaan, wordt gemeld dat [naam kind] de overdracht van de opvoedingsverantwoordelijkheid, die de pleegmoeder bij de moeder tracht neer te leggen, niet oppakt. Dit roept vragen op voor de basale hechtingsrelatie die ooit tussen [naam kind] en de moeder heeft bestaan. Wanneer immers de basale relatie hecht en positief te noemen is, dan zou de overdracht van de opvoedingsverantwoordelijkheid -na aanvankelijke aanpassing aan elkaar- op een natuurlijke en vanzelfsprekende wijze moeten plaatsvinden. Vandaar dat [naam instantie] een individueel psychologisch onderzoek (bij voorkeur door een onafhankelijke instelling) van [naam kind] geïndiceerd acht om de basale hechtingsrelatie tussen [naam kind] en de moeder helder te krijgen. Ook zou in een dergelijk onderzoek een nadere exploratie van de affectieve en pedagogische mogelijkheden van de moeder, gezien de gerezen vragen, meegenomen kunnen worden, zodat zowel vanuit het perspectief van het kind als vanuit de (on)mogelijkheden van de moeder betrouwbare uitspraken kunnen worden gedaan ten aanzien van de toekomst van [naam kind].

Het door [naam instantie] voorgestelde onderzoek zal de procedures oprekken. De kinderrechter is van oordeel dat dit niet in het belang is van [naam kind].

[naam kind] is voor zijn verdere groei en ontwikkeling gebaat bij duidelijkheid omtrent zijn opvoedingsperspectief. Naarmate hij langer in het pleeggezin blijft wonen, wetende dat zijn moeder van hem verlangt dat hij meegaat naar Colombia wanneer zij het land wordt uitgezet, wordt de druk op hem om te kiezen tussen het pleeggezin en zijn moeder steeds groter. Er kan dan naast de reeds opgelopen trauma’s een loyaliteitsconflict bijkomen, dat zijn ontwikkeling belemmert.

De verzoeken van de Raad en de Stichting lijken geen rekening te houden met de illegale status en de ongewenstverklaring van de moeder en het binnenkort te verwachten besluit van de Staatssecretaris van Justitie /IND.

Blijkens de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht van 15 maart 2007 heeft de IND bij de eerdere beslissing op bezwaar geen rekening gehouden met de tijdelijke voogdij en het ontbreken van toestemming van de tijdelijke voogd om [naam kind] mee te nemen naar het land van herkomst. De moeder wordt hierdoor belemmerd om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen. De IND dient deze aspecten bij de belangenafweging (het belang van de Staatssecretaris om de moeder uit te zetten tegenover het belang van moeder en kind om niet van elkaar te worden gescheiden) te betrekken. De voorzieningenrechter heeft de Staatssecretaris verboden de moeder gedwongen uit te zetten, totdat opnieuw op het bezwaarschrift is beslist. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter aanleiding gezien de strafrechtelijke gevolgen van dit besluit weg te nemen, omdat het primaire besluit tot ongewenstverklaring in stand blijft. De kinderrechter leidt uit de motivering van de voorzieningenrechter niet af dat de gedwongen uitzetting van de moeder op losse schroeven is komen te staan.

Daarbij komt dat de IND de Raad heeft laten weten dat het criminele verleden van de moeder een grote rol speelt in de procedures die aanhangig zijn.

De beschermingsmaatregelen die op 28 maart 2007 zijn getroffen, hebben er wel toe bijgedragen dat de vreemdelingenbewaring van de moeder is opgeheven. Dit blijkt uit de uitspraak van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht van 12 april 2007, pagina 2 r.o. 2.2 een na laatste alinea: ‘ De rechtbank is van oordeel dat verweerder pas na de beschikking van 28 maart 2007 van de kinderrechter, bij afweging van alle betrokken belangen, aanleiding heeft hoeven zien de bewaring op te heffen, waarbij de rechtbank met name het belang van [naam kind] tot de beslissing de bewaring op te heffen heeft moeten leiden. Na de beschikking van 28 maart 2007 stond pas vast dat [naam kind] in ieder geval tot de volgende zitting van de kinderrechter op 31 mei 2007 (welke op verzoek van de moeder is verplaatst naar 22 juni 2007) niet met eiseres naar Colombia zou kunnen uitreizen, omdat hij eerst in de gelegenheid moet worden gesteld een band met zijn moeder op te bouwen.’

De kinderrechter is enerzijds van oordeel dat de Raad en de Stichting terecht niet vooruit lopen op de door de IND te nemen beslissing en de uitkomst van de vreemdelingenprocedures die nog volgen. Anderzijds zou het wenselijk zijn dat de Raad en de Stichting de moeder en de pleegmoeder blijven wijzen op de redengeving voor de uitspraken als hiervoor vermeld.

De ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing belemmeren weliswaar tijdelijk de beslissingsmogelijkheden van de IND, maar zijn niet om die reden uitgesproken.

De kinderrechter in meervoudige kamer heeft in duidelijke bewoordingen aangegeven het niet wenselijk te vinden dat [naam kind] van de ene dag op de andere dag uit zijn vertrouwde omgeving kan worden gehaald, teneinde zijn moeder te volgen naar Colombia. In [naam kind]’s belang is een periode van enkele maanden gegeven om hem te laten wennen aan zijn moeder en aan het idee dat hij weer bij haar gaat wonen.

De kinderrechter is van oordeel dat in de omstandigheid dat de moeder niet voornemens is Nederland vrijwillig te verlaten en zij bij een gedwongen uitzetting [naam kind] mee wenst te nemen geen grond is gelegen om het gezag van de moeder voor lange tijd te beperken door middel van een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [naam kind]. Vaststaat dat [naam kind] en de pleegouders behoorlijk onder druk staan door de onzekerheid over het voortgezette verblijf van [naam kind] in Nederland. Verder komen ook de grenzen van een langer verblijf van de moeder in het pleeggezin in zicht. Het is derhalve voor alle betrokkenen van belang dat de IND op korte termijn een beslissing neemt.

De kinderrechter heeft verder geconstateerd dat noch de Raad noch de Stichting in de afgelopen drie maanden onderzoek heeft gedaan naar de verzorgings- en opvoedingsmogelijkheden van de moeder in Colombia. Dit terwijl ter zitting van 20 maart 2007 door de raadslieden van de moeder een schrijven van het Colombiaanse Instituut van Familiewelzijn is overgelegd, waarin de rechterlijke macht van Nederland wordt verzocht het proces van repatriëring van [naam kind] te versnellen. Dit Instituut heeft verklaard bereid te zijn de institutionele assistentie en begeleiding te bieden die nodig zijn om [naam kind]’s rechten te garanderen conform het Verdrag voor de Rechten van het Kind. De Raad behoorde in zijn onderzoek naar de noodzaak van een definitieve ondertoezichtstelling na te gaan of de therapie van [naam kind] ook in het land van herkomst kan worden gewaarborgd, zoals de moeder ten tijde van de vorige zitting beweerde. Thans moet het er als onweersproken voor worden gehouden dat in Colombia een vergelijkbaar instituut als de Raad is, dat de nodige hulpverlening op gang kan brengen. De enkele bewering van de pleegmoeder van [naam kind] dat de opvoedings- c.q. hulpverleningomstandigheden in het land van herkomst erbarmelijk zijn, is onvoldoende om de bewering van het Colombiaanse Instituut hieromtrent terzijde te schuiven.

De kinderrechter is op grond van het vorenoverwogene van oordeel dat, nu er in de afgelopen drie maanden slechts een voorzichtig begin is gemaakt met de voorbereiding van [naam kind] op een opvoedingssituatie bij de moeder er thans nog drie maanden voortvarend en onder regie van de Stichting moet worden gewerkt aan het opbouwen van een band tussen moeder en kind, zodat [naam kind] voldoende is toegerust om de moeder bij terugkeer naar Colombia te kunnen volgen. De verzoeken worden daarom voor de duur van drie maanden toegewezen.

Ten overvloede merkt de kinderrechter nog op dat de moeder, gedurende de periode dat zij samen met [naam kind] in het pleeggezin verblijft, ook tot het besef kan komen dat [naam kind] het beste kan worden verzorgd en opgevoed door de pleegouders en zij eerst haar eigen leven (in Colombia of in Nederland) op orde krijgt, alvorens [naam kind] te belasten met de zoveelste wisseling van zijn opvoedingssituatie.

Gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, acht de kinderrechter voldoende aannemelijk dat genoemde minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke en geestelijke belangen ernstig worden bedreigd, en dat andere middelen dan de verzochte ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

Verder is voldoende aannemelijk geworden dat de gronden die destijds tot de machtiging hebben geleid, ook nu nog aanwezig zijn. Daarom behoort de duur van de maatregel te worden verlengd voor de duur van drie maanden.

Beslissing

De kinderrechter:

Met betrekking tot de ondertoezichtstelling

Stelt voornoemde minderjarige onder toezicht van de Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, team Opperdan, met ingang van 23 juni 2007 tot 23 september 2007.

Met betrekking tot de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing

Verlengt de duur van de machtiging uithuisplaatsing in een pleeggezin met ingang van 23 juni 2007 tot 23 september 2007.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Ayal als kinderrechter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juni 2007, in tegenwoordigheid van J.B. Stevens als griffier.