Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB2577

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-08-2007
Datum publicatie
29-08-2007
Zaaknummer
134159/2007-1213
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing ouderlijk gezag: Hoewel de moeder bezwaar heeft tegen haar ontheffing van het gezag, weegt het recht van de kinderen op duidelijkheid omtrent hun opvoedingsperspectief en ongestoorde hechting in het pleeggezin zwaarder dan haar wens het gezag over haar kinderen te blijven uitoefenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector Familie- en Jeugdrecht

ontheffing

zaak-/rekestnr.: 134159/2007-1213

beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken d.d. 7 augustus 2007

in de zaak van:

de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Haarlem,

verzoekende partij,

hierna mede te noemen: de Raad,

--tegen--

1. [naam moeder],

wonende te Haarlem,

verwerende partij,

hierna mede te noemen: de moeder,

procureur mr. J.W. Ebbink.

-- en --

2. [naam vader],

wonende te Haarlem,

verwerende partij,

hierna mede te noemen: de vader.

1. Verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:

- het op 6 april 2007 ter griffie van deze rechtbank ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de Raad;

en het verhandelde ter terechtzitting op 28 juni 2007 in aanwezigheid van de moeder bijgestaan door mr. L.J. Woltring, namens mr. J.W. Ebbink, de vader, alsmede W.R. Daalderop, namens de Raad voor de Kinderbescherming en E.A.E. van Ooijen, namens de William Schrikker Stichting, afdeling Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.

2. De vaststaande feiten

In deze zaak kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1 De ouders zijn op [datum] 1999 met elkaar gehuwd, welk huwelijk op 28 juni 2002 is ontbonden door inschrijving van de beschikking echtscheiding van deze rechtbank van 4 juni 2002 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2 Het gezamenlijk gezag over de minderjarigen [naam]:

- [naam kind 1], geboren op [datum] 1999 te [plaats],

- [naam kind 2], geboren op [datum] 2001 te [plaats],

is na de echtscheiding in stand gebleven.

2.2 Bij beschikking van de kinderrechter te Haarlem van 29 mei 2001 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld met benoeming van de William Schrikker Stichting, als gezinsvoogdij-instelling. De ondertoezichtstelling is telkens verlengd, laatstelijk tot 29 mei 2008.

2.3 De minderjarigen zijn op grond van een machtiging uithuisplaatsing in juni 2004 in het kader van een ondertoezichtstelling door de kinderrechter te Haarlem uit huis geplaatst. De machtiging is telkens verlengd, laatstelijk tot 29 mei 2008.

3. Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1 Het verzoek strekt tot ontheffing van beide ouders van het gezag van voornoemde minderjarigen op grond van artikel 1:266 BW juncto art. 1:268 lid 1 en lid 2 aanhef en onder a BW, met benoeming van Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling Jeugdbescherming, Locatie Haarlem, namens deze de William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot voogdes.

3.2 Het verzoek is gebaseerd op de stelling dat beide ouders ongeschikt of onmachtig zijn hun plicht tot verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen te vervullen, en dat de maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onvoldoende is om de ernstige bedreiging van de belangen en de gezondheid van de minderjarigen af te wenden.

4. Beoordeling

4.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 1:266 BW kan een ouder worden ontheven van het gezag over een of meer van zijn kinderen op de grond dat de ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Op grond van het bepaalde in artikel 1:268 lid 1 BW kan de ontheffing niet worden uitgesproken ingeval de ouder zich tegen de ontheffing verzet. Deze regel lijdt slechts uitzondering indien er sprake is van een van de situaties als bedoeld in lid 2 onder a tot en met d van dit artikel.

4.2 Ingevolge het bepaalde in artikel 1:268 lid 2 aanhef en onder a. BW kan een ontheffing, ondanks het verzet van de ouder, worden uitgesproken indien na een ondertoezichtstelling van tenminste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel ­ door ongeschiktheid of onmacht van de ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

4.3 De vader heeft ter zitting verklaard in te stemmen met het verzoek hem van het gezag over [naam kind 1] en [naam kind 2] te ontheffen. De vader beseft dat hij het ouderlijk gezag hiermee overdraagt aan de William Schrikker Stichting en dat de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing komen te vervallen. Hoewel hij van mening is dat de kinderen bij (een van) de ouders behoren op te groeien, accepteert hij dat zij in het pleeggezin blijven wonen. Hij is van mening dat het niet in het belang van de kinderen is dat zij bij hem komen wonen, omdat hij zo graag zijn ouderschap zou willen uitoefenen. De vader heeft zijn leven inmiddels enigszins op de rails en heeft sinds enige tijd contact met de gezinsvoogd. Hij hoopt dat het contact met [naam kind 1] en [naam kind 2] kan worden hersteld.

De vader wil niet dat de kinderen opgroeien bij de moeder.

4.4 De moeder verzet zich tegen het verzoek haar te ontheffen van het gezag over [naam kind 1] en [naam kind 2]. Zij is van mening dat zowel de Raad als de William Schrikker Stichting bij het onderhavige verzoek en bij de verzoeken tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [naam kind 1] en [naam kind 2], maar ook van haar vierde dochter [naam kind 4] zich altijd baseren op situaties uit het verleden, terwijl haar situatie inmiddels in positieve zin is gewijzigd. Zij zorgt goed voor haar 2-jarige dochter [naam kind 3] en is van mening dat zij met bijstand van diverse hulpverlenende instanties ook in staat is de zorg van haar overige kinderen op zich te nemen wanneer deze kinderen weer bij haar thuis zouden worden geplaatst.

Wanneer [naam kind 1] en [naam kind 2] niet worden teruggeplaatst, geeft zij er de voorkeur aan de huidige situatie te laten voortduren. De moeder acht het in het belang van de kinderen dat ieder jaar opnieuw de noodzaak tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing wordt getoetst door de rechter. Op deze wijze kunnen de omstandigheden rond de twee kinderen steeds opnieuw worden onderzocht en beoordeeld. Daarnaast stelt zij dat het verzoek tot ontheffing niet kan worden toegewezen, nu zij appèl zal instellen dan wel heeft ingesteld tegen de beslissing van de kinderrechter tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing tot 29 mei 2008.

De moeder heeft voorts bezwaar tegen de beperkte omgangsregeling tussen haar en de twee kinderen. Zij mag hen slechts eenmaal per maand onder begeleiding ontmoeten.

4.5 De pleegouders zijn van mening dat het niet in het belang van de kinderen is dat zij worden teruggeplaatst in het gezin van de moeder. Beide kinderen zijn door gebeurtenissen in het verleden zeer ernstig beschadigd. [naam kind 2] staat op de wachtlijst voor behandeling bij [naam instantie]. De pleegouders zijn van mening dat [naam kind 1] en [naam kind 2] zich nog beter zullen hechten in hun gezin wanneer voor hen duidelijk is dat zij in het pleeggezin mogen opgroeien. Een ontheffing van de ouders van het gezag kan die duidelijkheid bieden.

4.6 Mevrouw Van Ooijen van de William Schrikker Stichting heeft ter zitting verklaard dat zij het in het belang van de ontwikkeling van de kinderen acht dat zij in het pleeggezin opgroeien. De moeder is weliswaar erg toegewijd aan de kinderen, maar heeft onvoldoende inzicht en capaciteiten om kinderen te verzorgen en op te voeden en hun ontwikkeling te bevorderen. De moeder is beperkt leerbaar. Met zeer intensieve bijstand van diverse hulpverlenende instanties is zij amper in staat de zorg voor de tweejarige [naam kind 3] op zich te nemen. Gebleken is dat de moeder aan haar tax zat op het moment dat [naam kind 3] de leeftijd van anderhalf jaar bereikte. [naam kind 3] is daarom sinds 1 februari 2007 voor vier dagen per week geplaatst op een kinderdagverblijf. Mevrouw Van Ooijen is van mening dat de moeder de verzorging van drie kinderen niet aan kan.

Mevrouw van Ooijen ondersteunt het verzoek tot ontheffing, omdat het voor de kinderen belangrijk is te weten dat zij niet meer teruggaan naar het gezin van de moeder en bij de pleegouders mogen blijven wonen. Door de ontheffing zullen bovendien de spanningen die de jaarlijkse verlengingsprocedures meebrengen tot het verleden behoren, hetgeen de ontwikkeling van de kinderen ten goede zal komen. Mevrouw Van Ooijen is bereid om in overleg met de vader toe te werken aan een herstel van het contact tussen de kinderen en hem, maar is van mening dat de kinderen daar op dit moment nog niet aan toe zijn. Mogelijk kan een van de hulpverleners van de kinderen in de toekomst betrokken worden bij het contactherstel.

4.7 De rechtbank is van oordeel dat de door de Raad gestelde feiten ingevolge de wet gronden zijn die tot ontheffing van de ouders kunnen leiden.

Uit de overgelegde stukken en hetgeen door alle betrokkenen ter zitting naar voren is gebracht, is voldoende aannemelijk geworden dat beide ouders hun verplichting tot verzorging en opvoeding van de kinderen in de toekomst niet kunnen nakomen.

De vader verzet zich niet tegen de ontheffing. Hij is nog druk doende zijn eigen leven op de rails te krijgen. Hij is op de goede weg en accepteert begeleiding, maar heeft nog een lange weg te gaan. De vader beseft dat de kinderen beter af zijn in het pleeggezin.

De moeder daarentegen wil de zorg voor de kinderen weer op zich nemen. De rechtbank is hierover van oordeel dat de moeder vanwege haar beperkte inzicht en capaciteiten de verzorging en opvoeding van [naam kind 1] en [naam kind 2] niet aan kan. De moeder kan hen onvoldoende rust, structuur en veiligheid bieden. [naam kind 1] en [naam kind 2] zijn kwetsbare kinderen met een zeer belaste voorgeschiedenis; beide kinderen hebben gedragsproblematiek, waarvoor [naam kind 2] bij [naam instantie] zal worden behandeld. De kinderen hebben baat bij de verzorging en opvoeding die het pleeggezin hen biedt. De moeder wordt op dit moment reeds door verschillende hulpverlenende instanties begeleid bij de zorg voor de tweejarige [naam kind 3]. Bij terugplaatsing van [naam kind 1] en [naam kind 2] dient de moeder haar aandacht over drie kinderen te verdelen en hen de zorg, aandacht, rust, veiligheid en structuur te bieden die zij behoeven. Anders dan de moeder is de rechtbank van oordeel dat zij deze basisbehoeften niet aan [naam kind 1] en [naam kind 2] kan bieden, ook niet wanneer er zeer intensieve begeleiding wordt ingezet. Tijdens de (begeleide) contacten tussen de moeder en de kinderen is immers gebleken dat de moeder weinig inzicht heeft hoe zij met de kinderen moet omgaan. Zij weet geen invulling te geven aan de bezoeken en kan haar aandacht niet verdelen over drie kinderen. Zij belast de meisjes met niet leeftijdsadequate onderwerpen, zoals familieproblemen, ongesteld zijn en negatieve verhalen over de vader. Na afloop van het contact met hun moeder vertonen de kinderen een aantal dagen agressief en onhandelbaar gedrag.

4.8 Vaststaat dat de kinderen inmiddels drie jaar uit huis zijn geplaatst en dat er onvoldoende perspectief is om hen weer bij de moeder terug te plaatsen. De rechtbank is van oordeel dat het ongewenst is dat kinderen die reeds jaren in een pleeggezin opgroeien tot het bereiken van de meerderjarigheid onder toezicht staan en dat er ieder jaar opnieuw verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt gevraagd. Daarvoor is maatregel van de ondertoezichtstelling ook niet bedoeld. De juridische positie waarbij het ouderlijk gezag weliswaar beperkt wordt door een ondertoezichtstelling, maar toch blijft doorlopen, sluit niet aan bij de feitelijke situatie waarbij de ouderrol geheel is overgenomen door de pleegouders met op de achtergrond de gezinsvoogd. Nu [naam kind 1] en [naam kind 2] reeds geruime tijd in een perspectief biedend pleeggezin verblijven en er geen zicht is op terugplaatsing, acht de rechtbank het in hun belang dat zij zich volledig en harmonieus in dit gezin kunnen ontwikkelen.

Hoewel de moeder bezwaar heeft tegen haar ontheffing van het gezag, weegt het recht van de kinderen op duidelijkheid omtrent hun opvoedingsperspectief en ongestoorde hechting in het pleeggezin zwaarder dan haar wens het gezag over haar kinderen te blijven uitoefenen.

Het jaarlijks verlengen van de maatregelen zal de kinderen belemmeren in hun ontwikkeling en ontneemt hen de mogelijkheid zich veilig te hechten aan degenen die hen dagelijks verzorgen en opvoeden. Het recht van de kinderen op duidelijkheid omtrent het opvoedingsperspectief en een ongestoorde hechting in het pleeggezin vloeit ook voort uit de artikelen 3 eerste lid en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) die aan kinderen die tijdelijk of blijvend het verblijf in het gezin waartoe zij behoren moeten missen, of dat men in hun belang niet kan toestaan in dat gezin te blijven, recht op bijzondere bescherming en bijstand van rechtswege toekent.

Het betoog van de moeder dat de ontheffing tot gevolg heeft dat het hoger beroep tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing illusoir wordt, doet niet af aan het oordeel van de rechtbank. Immers ook hiervoor geldt dat het belang van de kinderen bij duidelijkheid omtrent hun toekomstperspectief zwaarder weegt dan het belang van de moeder om rechtsmiddelen aan te wenden.

Nu vaststaat dat het belang van de minderjarigen zich niet tegen ontheffing verzet, en de William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering namens Bureau Jeugdzorg Noord-Holland locatie Haarlem zich bereid heeft verklaard de uitvoering van de voogdij te aanvaarden, zal het verzoek worden toegewezen.

6. Beslissing

De rechtbank

6.1 Ontheft:

[naam moeder],

wonende te Haarlem,

en

[naam vader],

wonende te Haarlem,

van het gezag over de minderjarigen [naam]:

- [naam], geboren op [datum] 1999 te [plaats],

- [naam], geboren op [datum] 2001 te [plaats].

6.2 Benoemt de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling Jeugdbescherming, Locatie Haarlem namens deze de William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Diemen, tot voogdes.

6.3 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Ayal, als voorzitter, tevens kinderrechter, en mrs. J.G. Kok en R.A. Otter, als leden van deze kamer en in het openbaar uitgesproken van 7 augustus 2007 in tegenwoordigheid van M.P. Joukes als griffier.