Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB2280

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
24-08-2007
Zaaknummer
130746 - HA ZA 06-1573
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wettelijk systeem van afwikkeling van rechtspersonen. Eiseres is niet opgehouden te bestaan, ondanks de (achteraf onjuist gebleken) inschrijving in het handelsregister dat zij is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zouden zijn.

Rechtbank staat herstel toe van verschrijving in de dagvaarding van de naam van eiseres nu uit de bij dagvaarding overgelegde producties blijkt dat gedaagde steeds heeft begrepen dan wel redelijkerwijs heeft moeten begrijpen wie haar wederpartij was, zodat gedaagde niet is geschaad in haar mogelijkheden om verweer te voeren.

De rechtbank is relatief bevoed aangezien gedaagde kantoor houdt binnen het arrondissement Haarlem, terwijl de vordering geen aangelegenheid betreft waarin volgens de bepalingen van het rechtspersonenrecht uitsluitend de rechter van de statutaire zetel bevoegd is.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 10
Burgerlijk Wetboek Boek 1 14
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 6
Burgerlijk Wetboek Boek 2 19
Burgerlijk Wetboek Boek 2 23c
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 99
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 110
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2007, 672
JOR 2007/262
JIN 2007/439
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 130746 / HA ZA 06-1573

Vonnis in incident van 18 juli 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

COXON CONSULTANCY & SERVICES B.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

procureur mr. J.V.C. Constandse,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTERXION HEADQUARTERS B.V.,

gevestigd te Amsterdam, mede kantoorhoudende te Schiphol-Rijk, gemeente Haarlemmermeer,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

procureur mr. M. Middeldorp.

Partijen zullen hierna Coxon en InterXion genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis in het incident van 23 mei 2007

- de akte uitlating productie van InterXion.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten

2.1. Coxon Business Support is de handelsnaam van Coxon Consultancy & Services B.V.

2.2. Op 9 augustus 2004 is in het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor Utrecht en omstreken geregistreerd dat de ontbonden vennootschap Coxon Consultancy & Services B.V. op voormelde datum is opgehouden te bestaan, omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn.

2.3. Bij beschikking van de rechtbank Utrecht d.d. 11 april 2007 is op verzoek van na te melden vereffenaar de heropening bevolen van de vereffening van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Coxon Consultancy & Services B.V. met benoeming van Guillaume Elisabeth Gustave Cox tot vereffenaar.

3. De beoordeling in het incident

Ontvankelijkheid

(…)

3.1. De rechtbank overweegt als volgt. In dit ontvankelijkheidsincident ligt de vraag ter beantwoording voor of Coxon met de hiervoor onder 2.2. vermelde inschrijving in het handelsregister is opgehouden te bestaan.

3.2. In het systeem van Boek 2 BW m.b.t. het eindigen van een rechtspersoon houdt een ontbonden rechtspersoon op te bestaan indien zij geen baten meer heeft. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2:19 lid 4 BW dient van het ophouden te bestaan van de rechtspersoon opgave te worden gedaan aan het handelsregister. Daarnaast bepaalt artikel 2:23c BW dat de ontbonden rechtspersoon herleeft, wanneer alsnog van het bestaan van een bate blijkt. Aan deze herleving van de rechtspersoon dient een beslissing van de rechtbank vooraf te gaan. De beslissing van de rechtbank tot herleving komt neer op een heropening van de vereffening.

3.3. De rechtbank is van oordeel dat Coxon onder dit wettelijk systeem van afwikkeling van rechtspersonen steeds is blijven bestaan. Vooropgesteld zij dat de vraag of een rechtspersoon blijft voortbestaan vooral materieel, materialistisch bezien dient te worden. Uit de onderhavige procedure blijkt reeds dat Coxon meent nog een vordering op InterXion te hebben. Aangezien voor het aanwezig zijn van een bate het voldoende is dat de rechtspersoon pretendeert een vorderingsrecht te hebben in een rechtsgeding waarin nog geen definitieve uitspraak is gedaan, is de rechtbank van oordeel dat Coxon niet is opgehouden te bestaan.

3.4. De aantekening in het handelsregister dat Coxon is opgehouden te bestaan, omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn, is uitgaande van de hierboven aangegeven systematiek een onjuiste inschrijving. In het systeem van de Nederlandse handelsregisterwet heeft een inschrijving aldaar van een bepaald feit evenwel geen constitutieve werking. Ook geldt er geen garantie dat hetgeen in het handelsregister te vinden is altijd klopt.

Uit de bij de dagvaarding overgelegde producties 2 t/m 6 volgt dat InterXion wist dat Coxon pretendeert nog een vordering op InterXion en dus een mogelijke bate te hebben. Om deze reden kan naar het oordeel van de rechtbank InterXion niet als een onkundige derde in de zin van artikel 2:6 lid 3 BW worden beschouwd en mag Coxon zich jegens InterXion op haar voortbestaan beroepen.

3.5. Op grond van vorenstaande kan Coxon in haar vordering jegens InterXion worden ontvangen.

3.6. Aangezien uit de bij dagvaarding overgelegde producties blijkt dat InterXion steeds heeft begrepen dan wel redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat haar wederpartij Coxon Consultancy & Services B.V. was, zodat InterXion niet is geschaad in haar mogelijkheden om verweer te voeren, staat de rechtbank toe dat herstel van de verschrijving plaatsvindt, in die zin dat het ervoor gehouden wordt dat als eiseres in deze procedure optreedt Coxon Consultancy & Services B.V.

Bevoegdheid

3.7. Nu Coxon in haar vordering kan worden ontvangen dient de rechtbank thans te beslissen op het door InterXion opgeworpen bevoegdheidsverweer. InterXion vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en op grond van artikel 99 lid 1 jo. art. 110 lid Rv de hoofdzaak naar de rechtbank te Amsterdam zal verwijzen.

3.8. InterXion heeft daartoe het volgende gesteld. Op grond van artikel 99 Rv is de rechter van de woonplaats van de gedaagde relatief bevoegd. Artikel 1:10 lid 2 BW bepaalt dat een rechtspersoon zijn woonplaats heeft ter plaatse waar hij volgens zijn statuten zijn zetel heeft. Amsterdam is de statutaire zetel van InterXion. De rechtbank Haarlem mist derhalve (relatieve) bevoegdheid om van de onderhavige zaak kennis te nemen en dient deze op grond van artikel 110 Rv te verwijzen naar de wél bevoegde rechter, in dit geval de rechtbank Amsterdam. Ten overvloede wijst InterXion erop dat Coxon aan haar vordering de overeenkomst tussen haar en InterXion B.V. ten grondslag legt. Deze overeenkomst ziet op de integratie van de kantoren van InterXion aan de Breguetlaan 32-38 te Oude Meer en Gyroscoopweg 144 te Amsterdam Sloterdijk. Het betreft dus niet een aangelegenheid die het kantoor van InterXion te Schiphol-Rijk betreft, zodat InterXion niet op grond van artikel 1:14 BW kan worden geacht ook daar woonplaats te hebben. Aldus InterXion.

3.9. Coxon heeft geconcludeerd tot afwijzing van de voormelde vordering van InterXion, met haar veroordeling in de kosten van het incident, zulks uitvoerbaar bij voorraad. Coxon heeft daartoe gesteld dat artikel 1:14 BW bepaalt dat een (rechts)persoon die een kantoor of filiaal houdt, ten aanzien van de aangelegenheden die dit kantoor of filiaal betreffen mede aldaar woonplaats heeft. Coxon voert aan dat InterXion stelt dat de overeenkomst tussen partijen betrekking had op de integratie van twee kantoren te Oude Meer en Amsterdam en dus niet op die te Schiphol-Rijk. Coxon stelt dat InterXion daarmee een valse voorstelling van zaken geeft, nu immers in de overeenkomst vermeld staat dat haar werkzaamheden betrekking hebben op “the integration of the Interxion Headquaters offices in Amsterdam en Schiphol Rijk” en dat het zo feitelijk ook is geweest.

3.10. Artikel 99 Rv bepaalt als hoofdregel dat de rechter van de woonplaats van gedaagde relatief bevoegd is. Voor de vraag of deze rechtbank relatief bevoegd is van de vordering van Coxon kennis te nemen is derhalve bepalend wat als woonplaats voor InterXion heeft te gelden.

3.11. Artikel 1:10 tweede lid BW bepaalt dat een rechtspersoon zijn woonplaats heeft ter plaatse waar hij volgens zijn statuten of reglementen zijn zetel heeft. Daarnaast volgt uit artikel 1:14 BW echter dat een persoon, waaronder mede dient te worden verstaan een rechtspersoon, die een kantoor of filiaal houdt ten aanzien van aangelegenheden die dit kantoor of filiaal betreffen mede aldaar woonplaats heeft.

3.12. Laatstgenoemde bepaling dient op grond van vaststaande jurisprudentie als volgt worden verstaan: de rechter van de plaats waar zich het kantoor of hoofdkantoor bevindt, is naast de rechter van de statutaire zetel eveneens rechter van de woonplaats van de rechtspersoon in alle zaken die de wet niet ter uitsluitende competentie van de rechter van de statutaire zetel verklaart.

3.13. De rechtbank stelt vast dat in de bij de dagvaarding als productie 1 overgelegde overeenkomst staat vermeld dat de werkzaamheden van Coxon betrekking hebben op “the integration of the Interxion Headquaters offices in Amsterdam and Schiphol Rijk”. Nu uit het door InterXion overgelegde uittreksel uit het Handelsregister van InterXion blijkt dat haar statutaire zetel is gevestigd te Amsterdam en dat zij kantoor houdt op het adres Cessnalaan 1-33 te Schiphol-Rijk, welk laatstgenoemd adres is gelegen binnen het arrondissement Haarlem, terwijl de Coxon ingestelde vordering geen aangelegenheid betreft waarin volgens de bepalingen van het rechtspersonenrecht uitsluitend de rechter van de statutaire zetel bevoegd is, is deze rechtbank derhalve mede bevoegd van de vordering van Coxon kennis te nemen.

3.14. Uit vorenstaande volgt dat de incidentele vorderingen van InterXion zullen worden afgewezen en dat InterXion als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident zal worden veroordeeld.

4. De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1. wijst de vorderingen af,

4.2. veroordeelt InterXion in de kosten van het incident, aan de zijde van Coxon tot op heden begroot op EUR 452,00,

4.3. verklaart die hiervoor onder 4.2. vermelde kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

4.4. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 augustus 2007 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2007.?