Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB2201

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-08-2007
Datum publicatie
25-09-2007
Zaaknummer
06/10423
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BT7084, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BPM: Eiser heeft gebruik gemaakt van de weg met een niet in Nederland geregistreerde auto. Blijkens HR 28 februari 2003, nummer 36829 (BNB 2003/154) kan slechts dan met vrucht een beroep op de vrijstelling worden gedaan indien deze vóór het gebruik van de weg is verleend. Geen toepassing van het herstelbeleid nu eiser, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld na een eerdere controle, geen verzoek om een vrijstellingsvergunning heeft ingediend. Geen beroep mogelijk op arrest C-242/05, omdat, in tegenstelling tot de situatie in dit arrest, sprake van duurzaam gebruik van de weg. Er is sprake van opzet: boete van 50 procent terecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1838
FutD 2007-1851
V-N 2008/7.1.4

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/10423

Uitspraakdatum: 16 augustus 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane P, verweerder.

De bestreden uitspraak

De in één geschrift verenigde uitspraken van verweerder van 28 augustus 2006 op het bezwaar van eiser tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen en boetebeschikking, beide gedagtekend 2 mei 2006.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2007.

Verschenen is A namens verweerder. Namens eiser, bij faxbericht en brief van 18 juni 2007, gezonden aan respectievelijk het faxnummer en het adres van zijn gemachtigde B, in kennis gesteld van de mondelinge behandeling, is niemand verschenen.

Gronden

1.1. Eiser is in de periode van 22 mei 1997 tot en met 30 januari 2006 ingeschreven in de Basisadministratie van de gemeente Q op het adres C-straat 1 aldaar. Per 1 maart 2006 is eiser in de Basisadministratie van de gemeente R ingeschreven op het adres D-straat 1 te S. Eisers echtgenote staat eveneens per 22 mei 1997 in de Basisadministratie van de gemeente Q ingeschreven op het adres C-straat 0 aldaar.

1.2. Eiser is sinds 6 mei 2003 aandeelhouder van E B.V. te Q en oprichter van F B.V. i.o. te Q. Hij is voor de jaren 2002 tot en met 2006 als binnenlands belastingplichtige voor de inkomstenbelasting aangemerkt.

1.3. Op 17 februari 2005 omstreeks 17.00 uur is door ambtenaren van de Belastingdienst/ douane P, geconstateerd dat eiser met een niet in Nederland geregistreerde auto (hierna: de auto) gebruik maakte van de openbare weg, gemeente R, ter plaatse genaamd Vertrekpassage Schiphol. De auto betrof een Land Rover, type Rangerover Vogue, met het kenteken 000000 (Verenigd Koninkrijk). In het vereenvoudigd rapport van de voormelde ambtenaren is, voor zover hier van belang, vermeld:

“Naar aanleiding van onze bevindingen hebben wij:

x de bestuurder gehoord.

x deze verklaarde, het volgende:

“Deze auto is mij ter beschikking gesteld door het bedrijf waar ik voor werk. Dit bedrijf heeft vestigingen in Schotland, maar ook in Nederland. Voor de vestiging in Nederland ben ik de directeur. Ik woon in Nederland en Schotland. Daar sta ik ook ingeschreven”.

x aan de bestuurder een Mededeling Aan Belastingplichtige uitgereikt.

(...)

x hierop hebben wij geen terugkoppeling ontvangen, waarna wij het gebruik van de openbare weg met die auto niet meer hebben vastgesteld;

Voorgesteld wordt:

(...)

x de zaak te beschouwen als “afgedaan”.

(...)

Schiphol, woensdag 16 maart 2005”

1.4. Tot de stukken behoort een ‘Aanvraag vergunning vrijstelling tijdelijk gebruik personenvoertuig o.g.v. de wet Belasting Personenauto’s en Motorvoertuigen’, door eiser ingevuld en ondertekend met datum 4 april 2005. Als adres is G-straat 1 te Q vermeld en als plaats van vestiging van de werkgever is vermeld T in Schotland. Als soort onderneming is vermeld ‘Internat. transport- en beheer mij’. In het onderdeel functie is ingevuld Manager en in het onderdeel (geografisch) werkterrein Europa. Voorts heeft eiser in het onderdeel ‘In welke landen wordt het personenvoertuig voor de uitoefening van uw functie gebruikt?’ ingevuld: ‘NL. UK. Brd. B. Fr.’. in het ‘Overzicht aantal kilometers per maand’ is ingevuld:

Zakelijk Woon/werk Privé Totaal

in Nederland 2000 + +200 = 2200

in het buitenland 2500 + + = 2500

totaal + + = 4700 km

Eiser heeft deze aanvraag niet ingediend.

1.5. Op 29 juni 2005, omstreeks 9.55 uur, hebben ambtenaren van de Belastingdienst/ douane P, wederom geconstateerd dat eiser met de auto gebruik maakte van de weg in Nederland, ter plaatse genaamd U. In het op 12 juli 2005 van deze controle opgemaakte rapport is, voor zover hier van belang, vermeld:

“Vervolgens hebben wij (...) (eiser) gevraagd of hij wel eens eerder is gecontroleerd door de Douane, waarop hij antwoordde: Ik ben wel eens eerder gecontroleerd.

Tijdens onze controle hebben wij contact opgenomen met de meldkamer Veendam om te informeren of (...) (eiser) in DFB. Van de meldkamer kregen te horen dat (...) (eiser) reeds op 17-02-2005 was gecontroleerd door collega’s (...) en dat aan hem een “informatieformulier buitenlands kentekens” is uitgereikt. (...)

Hierna (...) (eiser) gevraagd ons uit te leggen waarom hij nog steeds in dit motorrijtuig rijdt en of hij begrijpt wat de consequenties zijn. Aangezien hij op 17-02-2005 op te hoogte is gesteld dmv. formatieformulier buitenlands kentekens. Vervolgens verklaarde (...) (eiser) het volgende: Ik heb mij niet gehouden aan de brief die mij is uitgereikt omdat wij als bedrijf internationaal bezig zijn. En ik heb de brief niet goed gelezen.

Op onze vraag wie de eigenaar is van dit motorrijtuig antwoordde hij;

Het bedrijf “H” waar ik werknemer ben. Deze auto zou verkocht worden door het bedrijf, maar dat is toen niet doorgegaan. Ik heb in april 2005 van het bedrijf H te horen gekregen dat deze auto per eind juni 2005 verkocht is en dat de auto terug gaat naar Schotland.

Op onze vraag wie en hoe de auto dan in Schotland komt antwoordde (...) (eiser) het volgende;

1 Juli 2005 breng ik zelf de auto terug naar Schotland.

Ik weet nu niet waar dit zal gebeuren, meestal is het via IJmuiden naar New Castle. En daarna zal ik wel terug vliegen.

Op mijn vraag of (...) (eiser) een afspraak heeft gemaakt en ons kan laten zien dat (...) er ruimte is besproken dat de auto meekan op de boot antwoordde (...) (eiser) het volgende;

Nee dat heb ik niet.

Op mijn vraag of de auto nu wel mee kon met de boot omdat het nu 29 juni 2005 is en hij verklaar(...) 1 juli 2005 de auto terug te brengen naar Schotland antwoordde (...) (eiser) het volgende:

Wij maken geen afspraak wij kunnen altijd mee.

Vervolgens verklaarde (...) (eiser) het volgende: Ik heb wel een formulier opgevraagd in Amsterdam bij de Douane om een ontheffing cq een vergunning aan te vragen. Na 3 of 4 dagen had ik de documenten ontvangen(...). Ik heb het formulier niet terug gestuurd omdat toen sprake was dat de auto verkocht zou worden.

Toelichting en conclusie

Uit onderzoek blijkt dat (...) (eiser) reeds op 30-04-1999 is gecontroleerd met een Duits gekentekend motorrijtuig op Schiphol.”

1.6. Bij brief van 24 september 2003 deelde H Ltd eiser onder meer het volgende mede:

“Our reference: xxxxx

X

Of X Holdings

G-straat 1

(...) Q

(...)

RE: Range rover registration xxxxx.

Further to our recent discussions concerning the above, we would confirm the agreement that the above vehicle which is a pool car owned by this company and is to be made available for you to fulfil your duties as transport coordinator in respect of E B.V.

The vehicle will be taxed, insured and registered in the UK.”

1.7. Tot de stukken behoort een ‘UK Registration Certificate’ met als datum van eerste registratie 25 mei 2004. Hierin is als ‘Registered Keeper’ vermeld ‘X’ te T.

1.8. Bij brief van 24 november 2005 deelde de Belastingdienst/Douane P, eiser mede voornemens te zijn eiser een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) en een boete op te leggen. Na enige correspondentie is de in het geding zijnde naheffingsaanslag opgelegd. Deze is berekend op € 27.748. De boete is vastgesteld op 50 procent, ofwel € 13.874. Het door eiser tegen de naheffingsaanslag en de boete ingediende bezwaar is door verweerder afgewezen.

1.9. Tot de stukken behoort voorts een berekening van 13 juni 2006 met betrekking tot de auto, waarin de BPM wordt berekend op € 16.297,02. Op deze berekening is als klant vermeld K.

2. In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd.

3. Eiser stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat hij zowel in Nederland als in Schotland woont, dat de auto daadwerkelijk voor het grootste deel in het buitenland, waaronder Groot-Brittannië, wordt gebruikt, dat de auto aan eiser ter beschikking is gesteld voor zijn werkzaamheden ten behoeve van H Ltd en dat deze situatie feitelijk niet afwijkt van het geval waarin de auto van dit bedrijf zou zijn gehuurd, zodat het arrest van het Hof van Justitie van de EG (HvJ) van 27 juni 2006, C-242/05, ook hier van toepassing is. Voorts zou gebruik van de auto gedurende meer dan twaalf aaneengesloten maanden van de auto buiten Groot-Brittannië aan de bevoegde van Groot-Brittannië moeten worden gemeld. Ook kan het niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat twee maal BPM wordt geheven. De naheffingsaanslag en de boete dienen daarom te worden vernietigd.

4.1. Ter ondersteuning van zijn standpunt voert verweerder, kort samengevat, aan dat er sprake is van een belastbaar feit voor de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM), dat eiser de belastingplichtige is, dat eiser heeft nagelaten een vrijstellingsvergunning aan te vragen en daarom niet voor vrijstelling in aanmerking komt en dat geen sprake is van een huurovereenkomst, zodat het arrest van het HvJ EG van 27 juni 2006, C-242/05, niet van toepassing is. Ook is de boete terecht opgelegd.

4.2. Ter zitting heeft verweerder, zakelijk weergegeven, hieraan nog het volgende toegevoegd:

Omdat de berekening van de naheffingsaanslag niet in geschil is, is deze niet overgelegd, maar ik bied aan dat alsnog te doen.De belasting is berekend naar de toestand op 17 februari 2005, de aanvang van het gebruik van de weg. Ter aanvulling op het verweerschrift: het arrest C-242/05 is niet van toepassing, omdat uit de stukken blijkt dat er duurzaam gebruik in Nederland is, terwijl daarvan in genoemd arrest geen sprake was. Dit duurzame gebruik blijkt uit de twee controles en uit het feit dat eiser gezien het door hem ingevulde formulier meer met de auto reed.

5.1. Artikel 1, vijfde lid, van de Wet BPM bepaalt dat, ingeval een niet geregistreerde personenauto feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon, de belasting is verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. Ingevolge artikel 5, tweede lid, wordt met betrekking tot een niet geregistreerde personenauto de belasting geheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft.

5.2. Op grond van artikel 14 van de Wet BPM kan vrijstelling van belasting worden verleend voor uit een ander land afkomstige personenauto’s die voor specifieke doeleinden, dan wel onder specifieke omstandigheden naar Nederland zijn gebracht. De voorwaarden waaronder de vrijstelling wordt verleend, zijn opgenomen in de artikelen 2, 3 en 4 van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Uitvoeringsbesluit). Artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit komt erop neer dat onder de gestelde voorwaarden vrijstelling van belasting wordt verleend voor in het buitenland geregistreerde personenauto’s die ter beschikking zijn gesteld aan een in Nederland wonende persoon en die hoofdzakelijk zijn bestemd voor de uitoefening van werkzaamheden buiten Nederland. In het derde lid van voormeld artikel 2 is bepaald dat het verzoek om vrijstelling vóór de aanvang van het gebruik van de weg in Nederland wordt ingediend.

Blijkens het arrest van 28 februari 2003, nummer 36829, van de Hoge Raad (onder meer gepubliceerd in BNB 2003/154) kan slechts dan met vrucht een beroep op de vrijstelling worden gedaan indien deze vóór het gebruik van de weg is verleend.

5.3. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser die in Nederland woont, op 29 juni 2005 met de auto gebruik heeft gemaakt van de weg in Nederland zonder de daartoe op grond van artikel 1, vijfde lid, van de Wet BPM verschuldigde belasting te hebben voldaan en zonder te beschikken over de daartoe op de voet van artikel 14 van de Wet BPM jo. artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit vereiste vergunning voor vrijstelling van belasting.

Voorts staat vast dat eiser met toepassing van het herstelbeleid (Besluit van de Staatssecretaris van financiën van 13 december 2002, nummer CPP2002/1574M) na de constatering van het gebruik van de weg op 17 februari 2005 in de gelegenheid is gesteld een vergunning voor vrijstelling aan te vragen. Niet in geschil is dat eiser geen verzoek als voormeld heeft ingediend.

Op grond hiervan is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.

5.4. Eiser doet voorts een beroep op toepassing van het arrest van het HvJ EG van 27 juni 2006, C-242/05. In het geval van eiser acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat, in tegenstelling tot de situatie in genoemd arrest, sprake van duurzaam gebruik van de weg. Naar het oordeel van de rechtbank doet eiser reeds daarom ten onrechte een beroep op dit arrest.

5.5. Naar het oordeel van de rechtbank is overigens evenmin sprake van schending van enige regel van nationaal of intracommunautair recht.

5.6. De omstandigheid dat vervolgens op (of omstreeks) 13 juni 2006 BPM is geheven ter zake van registratie van de auto doet aan het voorgaande niet af.

5.7. Eiser heeft tegen de boete geen zelfstandige grieven aangedragen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser, hoewel deze ervan op de hoogte was dat hij een vergunning voor vrijstelling diende aan te vragen dan wel de verschuldigde BPM diende te voldoen, desondanks zonder die vergunning voor vrijstelling of indiening van een aanvraag daartoe en/of zonder BPM te betalen met de auto van de openbare weg gebruik maakte. Alsdan heeft eiser willens en wetens geen BPM betaald noch een verzoek om een vergunning voor vrijstelling ingediend, weshalve sprake is van opzet. Verweerder heeft daarom met toepassing van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto paragraaf 25, derde lid van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst een boete van 50 procent van de nageheven belasting opgelegd.

Van overige omstandigheden op grond waarvan deze boete zou moeten dan wel kunnen worden gematigd, zoals bijvoorbeeld een overschrijding van de redelijke termijn, is niet gebleken. Derhalve acht de rechtbank de boete onder de omstandigheden van het onderhavige geval passend en geboden.

5.8. Op grond van het onder 5.1. tot en met 5.7. overwogene is het beroep ongegrond.

5.9. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 16 augustus 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. E. Polak, rechter, in tegenwoordigheid van mr. V.M. Maat, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.