Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB1931

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
17-08-2007
Zaaknummer
06-11713
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06 - 11713

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2007

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats]

eiseres,

tegen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2006 heeft verweerder de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 20 juni 2006 verlaagd van 80-100% naar 45-55%.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 18 juni 2006, aangevuld bij brief van 4 augustus 2006, bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 19 oktober 2006 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 22 november 2006, aangevuld bij brief van 20 december 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 27 juni 2007, alwaar eiseres is verschenen, vergezeld van [persoon]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door F. Steeman, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Amsterdam.

2. Overwegingen

2.1 Eiseres ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering vanaf 17 oktober 1995. De uitkering werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Eiseres is laatstelijk werkzaam geweest als fiscaal jurist / belastingadviseur voor 40 uur per week. Zij is uitgevallen als gevolg van vermoeidheid en concentratieproblemen. Eiseres is in 1993 gevallen van haar paard. De KNO-arts Oosterveld (oud-voorzitter van de whiplashvereniging) heeft vijf jaar na het ongeval vastgesteld dat er sprake is van een whiplash.

2.2 Op 13 december 2005 is eiseres onderzocht door de verzekeringsarts. Deze heeft een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Vervolgens heeft op 19 april 2006 een gesprek plaatsgevonden tussen eiseres en de arbeidsdeskundige. Naar het oordeel van de arbeidsdeskundige is het eigen werk voor eiseres niet meer passend te achten. Zij moet echter volgens de arbeidsdeskundige nog wel in staat geacht worden andere passende werkzaamheden te verrichten. Functies, waarin deze werkzaamheden worden verricht zijn beleidsambtenaar juridische zaken, sociale zekerheid, portier, toezichthouder (divers) en parkeercontroleur. Op basis van deze functies is de WAO-uitkering van eiseres herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

2.3 In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts een nader (dossier)onderzoek verricht. De bezwaarverzekeringsarts concludeert dat de FML in voldoende mate aansluit op de diagnoses en het beschreven klinisch beeld. De bezwaarverzekeringsarts is van oordeel dat er geen aanleiding is voor een urenbeperking. De bezwaararbeidsdeskundige heeft op 18 oktober 2006 gerapporteerd en geconcludeerd dat het maatmanloon juist is vastgesteld en dat de tantième niet meegenomen hoeft te worden bij de berekening van het maatmanloon. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van 16 december 1996.

2.4 Volgens eiseres wordt de ernst van haar klachten niet onderkend en zijn haar beperkingen groter dan in de FML is weergegeven. Om die reden acht zij zich ongeschikt tot het verrichten van de geduide functies. Daarnaast is er ten onrechte geen beperking opgenomen ten aanzien van de werktijden. Er is geen rekening gehouden met het recidiverend optreden van longontsteking en de gevolgen daarvan. Verweerder heeft bovendien noch in het heden noch in het verleden enige informatie opgevraagd bij huisarts, fysiotherapeut of overige medisch specialisten. Eiseres betoogt verder dat verweerder bij de berekening van het maatmanloon ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het tantième dat onderdeel uitmaakt van het loon. Ten slotte is er volgens eiseres sprake van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM .

2.5 In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder op goede gronden de WAO-uitkering van eiseres met ingang van 20 juni 2006 heeft herzien en berekend naar een mate van ongeschiktheid van 45-55%. Daartoe wordt het kader gevormd door artikel 18 WAO.

2.6 In artikel 18 WAO is bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet is staat is om te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.

2.7 Het bestreden besluit berust op rapportages die aan verweerder zijn uitgebracht door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Eiseres betwist de juistheid van deze rapportages. In dat geval dient de rechtbank te beoordelen of deze rapportages zorgvuldig tot stand zijn gekomen, of de rapportages in overeenstemming zijn met het van toepassing zijnde Schattingsbesluit en of er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

2.8 Er is onvoldoende grond voor het oordeel dat de rapportages van de verzekeringsartsen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de primaire verzekeringsarts alvorens een functionele mogelijkhedenlijst op te stellen, eiseres op het spreekuur heeft gezien en dossierstudie heeft verricht. De bezwaarverzekeringsarts heeft de hoorzitting van 7 september 2006 bijgewoond en dossieronderzoek verricht.

2.9 Evenmin bestaan er aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de rapportages. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in verband met de ziekte van eiseres beperkingen zijn vastgesteld, waaronder beperkingen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren, dynamische handelingen en statische houdingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 15 september 2006 geconcludeerd dat er op basis van de informatie geen redenen zijn om de FML te wijzigen. De grief van eiseres dat verweerder ten onrechte geen medische informatie heeft ingewonnen bij huisarts, fysiotherapeut of overig medisch specialisten kan niet slagen, nu eiseres al lang niet meer onder behandeling is van een medisch specialist. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat er geen actuele, relevante medische informatie was. Voorts was er geen aanleiding om informatie over de longontsteking bij de huisarts in te winnen omdat de verzekeringsarts de gevolgen daarvan voldoende kan overzien. Daarnaast is onvoldoende gebleken dat onjuiste toepassing is gegeven aan de regeling medisch arbeidsongeschiktheidscriterium, zoals eiseres ter zitting heeft betoogd.

2.10 De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige in het rapport van 19 april 2006, na overleg met de verzekeringsarts, de door het systeem gesignaleerde eventuele knelpunten en mogelijke overschrijdingen heeft voorzien van een motivering, waarin de beweegredenen zijn vermeld om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt te achten voor eiseres. Deze arbeidskundige onderbouwing biedt naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzicht in en geeft mogelijkheden tot toetsing van de voorliggende schatting. Er is naar dezerzijds oordeel voldoende gemotiveerd waarom de geduide functies voor eiseres geschikt zijn te achten.

2.11 De grief van eiseres dat verweerder bij de berekening van het maatmanloon ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het tantième dat onderdeel uitmaakt van het loon, kan niet slagen. Te dien aanzien overweegt de rechtbank dat, hoewel het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige daartoe wel aanleiding gaf, eiseres haar stelling niet met stukken of anderszins met controleerbare gegevens heeft onderbouwd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding het door verweerder vastgestelde maatmanloon voor onjuist te houden.

2.12 Het verzoek van eiseres ter zitting om in de gelegenheid te worden gesteld om de informatie alsnog te overleggen wordt afgewezen aangezien eiseres daartoe alle gelegenheid heeft gehad. Het bevreemdt de rechtbank dat eiseres zegt te beschikken over medische informatie en die informatie niet voor of tijdens de behandeling ter zitting heeft overgelegd.

2.13 Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat zowel het medische als het arbeidskundige onderzoek een adequate en toereikende grondslag biedt voor de - theoretische - schatting.

2.14 Met betrekking tot het beroep van eiseres op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM heeft verweerder betoogd dat het gewijzigd schattingsbesluit weliswaar een "ontneming van de eigendom" vormt, maar dat geen schending aanwezig is nu dat is geschied in het algemeen belang. De rechtbank overweegt als volgt.

2.15 Artikel 1 luidt: Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

2.16 De rechtbank overweegt allereerst dat zowel de wetgeving die gold op het moment dat eiseres arbeidsongeschikt werd als de wetgeving die gold op het moment dat de uitkering is ingetrokken was gebaseerd op het uitgangspunt dat het recht op uitkering afhankelijk was van de mate waarin de werknemer ten gevolge van ziekte of gebrek buiten staat was een inkomen te verwerven dat de werknemer placht te verdienen voor hij arbeidsongeschikt werd. De wijze waarop dit kon worden vastgesteld heeft weliswaar wijziging ondergaan, maar als systematiek is behouden gebleven dat voor de vaststelling wat de werknemer met medische beperking nog kan verdienen, een methode wordt gehanteerd die voldoende realiteitswaarde heeft, in die zin dat steeds functies worden aangedragen die in voldoende mate in de samenleving voorkomen. Dit roept derhalve de vraag op of er sprake is ontneming van eigendom als waarvan verweerder van uit gaat. Zo daarvan al sprake is moet worden gezegd dat de verandering van wetgeving, waarvan eiseres heeft betoogd dat die ontneming van eigendom tot gevolg heeft, te weten het per 1 oktober 2004 in werking getreden gewijzigde Schattingsbesluit (Staatsblad 2004 nr. 434), voldoet aan de criteria zoals die in de jurisprudentie op artikel 1 van het Eerste Protocol tot stand is gekomen. Kort gezegd dient de inbreuk een evenwichtige afweging te bewerkstelligen tussen de belangen van de gemeenschap en de vereisten die voortvloeien uit het ingeroepen fundamentele recht en moet er een redelijke proportionaliteitsrelatie bestaan tussen de gekozen middelen en het beoogde doel; een en ander onder erkenning van een ruime beoordelingsmarge die de staat heeft bij de hantering van die criteria. (EHRM 29 april 1999, NJ 1999, 649, LJN: AD3045).

2.17 Blijkens de nota van toelichting van voornoemd Schattingsbesluit is de wetgever van mening dat meer mensen moeten worden gestimuleerd hun capaciteiten voor werk in te zetten. Het voor 1 oktober 2004 geldende Schattingsbesluit bracht deze mogelijkheden volgens de wetgever onvoldoende naar voren, omdat het vaak voorkwam dat er bij de theoretische schatting onvoldoende functies te duiden waren voor iemand, terwijl deze persoon ondanks zijn beperkingen door ziekte wel degelijk nog zou kunnen werken. Dit achtte de wetgever een onbevredigende situatie, die leidde tot een te hoge mate van arbeidsongeschiktheid, onnodige of onnodig hoge uitkeringen, te hoge kosten en maatschappelijke inactiviteit. De wetgever achtte het wenselijk de claimbeoordeling aan te passen, zodat er makkelijker functies te vinden zijn, die door de arbeidsongeschikte kunnen worden vervuld. De wetgever koos daarbij voorts voor flankerend beleid in de vorm van ondersteuning bij re-integratie en de mogelijkheid van werkaanpassingen. Deze aan het algemeen belang ontleende overwegingen en de grote beoordelingsmarge die de staat heeft brengt de rechtbank tot de conclusie dat de wetgever een voldoende evenwichtige afweging heeft gemaakt. Voorts kan niet gezegd worden dat de wetgever een redelijke proportionaliteitsrelatie tussen gekozen middelen en beoogde doel uit het oog heeft verloren. Daarbij dient vermelding dat het recht op een sociale verzekeringsuitkering weliswaar een voorwerp van eigendom vormt als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol, maar dat deze eigendom niet de aanspraak omvat op een bepaald bedrag. Gegeven de omstandigheid dat het gaat om een sociale verzekeringsuitkering, die gelet op zijn karakter (vanwege zijn afhankelijkheid van politieke keuzes) niet op een lijn gesteld kan worden met een particuliere uitkering, krijgt het aspect van de beoordelingsvrijheid van de staat nog een grotere betekenis. (CRvB 18 juni 2004, LJN: AP4680).

2.18 Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.M. Rutten, rechter, en op 25 juli 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. H.J. de Boer, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.