Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB1795

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-06-2007
Datum publicatie
15-08-2007
Zaaknummer
129619 / HA ZA 06-1418
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsfout advocaat?

Nadat eiser VD EUR 45.000 had betaald als lening voor de aankoop door VD van een pand, legt gedaagde (advocaat) op verzoek van eiser en VD de tussen hen gemaakte afspraken, mede inhoudende een door VD nog te verstrekken zekerheidsstelling voor de terugbetaling van die lening, vast. Vervolgens treft VD die zekerheidstelling (inhoudende tijdelijk mede-eigendom van eiser van het pand) niet, betaalt hij het geleende geld niet terug en blijkt hij geen verhaal te bieden. Eiser verwijt gedaagde dat hij eiser en VD niet heeft geadviseerd de zekerheidsstelling door middel van een hypotheekrecht te regelen en dat gedaagde niet eigener beweging de notaris die het transport van het pand zou verzorgen heeft geïnformeerd over de door X en VD gemaakte afspraken. Een dergelijke verplichting wordt door de rechtbank niet aangenomen. De rechtbank acht een causaal verband tussen de gedaagde verweten gedragingen en de schade van eiser niet aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

Meervoudige kamer

zaaknummer / rolnummer: 129619 / HA ZA 06-1418

Vonnis van 27 juni 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. E. Bongers,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. M. Middeldorp,

advocaat mr. F.R.A. Schaaf te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 januari 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 19 april 2007.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Op 16 januari 2003 te omstreeks 15.35 uur heeft [eiser] op het kantoor van de Rabobank opdracht gegeven tot overboeking per telegiro van een bedrag van EUR 45.000,-- van zijn rekening bij die bank naar de bankrekening van [VD] (verder te noemen [VD]).

Later op genoemde dag zijn [eiser] en [VD] op het kantoor van [gedaagde], die advocaat is, verschenen en hebben zij een overeenkomst ondertekend (verder te noemen de akte van 16 januari 2003), waarin onder meer het volgende is bepaald:

“Partijen verklaren vooraf als volgt:

a. Door [eiser] heden 16 januari 2003 een bedrag van € 45.000,00 betaald wordt aan [VD], welk dit bedrag direct zal doorbetalen aan de ING-Bank, opdat hiermede een hypothecaire schuld van [YYY] voldaan kan worden (zie bijlage).

b. [VD] de onroerende zaak gelegen aan de Zijlstraat 5 te Haarlem van [YYY] gekocht heeft, waarbij de ING-bank hypotheeknemer is en waarbij het notariële transport gepland is uiterlijk 1 mei 2003.

c. Partijen wensen de afspraak vast te leggen waaronder [eiser] op naam van [VD] [YYY] € 45.000,00 ter beschikking heeft gesteld (zie bijlage).

(…)

Komen overeen:

1. [eiser] verkrijgt het 50% eigendomsrecht van [VD] op alle rechten voor hem voortkomende uit de met [YYY] gesloten koopovereenkomst terzake de Zijlstraat 5 te Haarlem.

2. Indien [VD] voor of op uiterlijk 1 mei 2003 niet notarieel het eigendomsrecht van de Zijlstraat 5 te Haarlem afgenomen heeft [eiser] zelfstandig van dit recht gebruik kan maken en terzake bij deze de onherroepelijke volmacht van [VD] verkrijgt in plaats van [VD] als koper te kunnen optreden, waarbij hij alsdan wel gehouden is [VD] zijn 50% eigendomsrecht te respecteren en met hem te verrekenen.

3. [VD] betaalt [eiser] als rente een bedrag van 6,5% over het heden door hem geleende bedrag van € 45.000,00.

4. Indien het bedrag van € 45.000,00 door [VD] aan [eiser], vermeerderd met rente, is terugbetaald vervalt het 50% eigendomsrecht van [eiser].

(…)

Aldus getekend in drievoud te Haarlem op 16 januari 2003 in het bijzijn van mij [gedaagde], procureur te Haarlem, die de handtekeningen van de ondergetekenden legaliseert.”

[volgen de handtekeningen van [gedaagde], [VD] en [eiser]]

Op 19 maart 2003 is het voor € 169.033,13 door [YYY] (verder te noemen [YYY]) aan [VD] verkochte pand Zijlstraat 5 te Haarlem (verder te noemen het pand) door [YYY] - zonder dat [eiser] daaromtrent was geïnformeerd - aan (uitsluitend) [VD] geleverd. Op diezelfde dag is door een derde aan [VD], tegen het verlenen door laatstgenoemde van een eerste hypotheek op het pand, een geldlening van EUR 174.000,-- verstrekt. Op 3 september 2003 zijn door de SNS bank aan [VD], tegen het verlenen door laatstgenoemde van een eerste hypotheek op het pand, geldleningen tot een totaal van EUR 225.000,-- verstrekt. Op laatstgenoemde datum heeft [VD] bij notariële akte erkend aan eerdergenoemde derde wegens ter leen ontvangen gelden EUR 51.500,00 verschuldigd te zijn en heeft [VD] aan die derde onder meer “recht van EERSTE respectievelijk TWEEDE hypotheek” op het pand verleend.

Bij inmiddels in kracht van gewijsde gegaan vonnis in verzet d.d. 11 januari 2006 van de rechtbank Haarlem is het verstekvonnis van die rechtbank d.d. 16 maart 2005, waarbij [VD] werd veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van, in totaal, EUR 61.302,36, vermeerderd met rente en kosten, bekrachtigd. Genoemd bedrag betrof de door [eiser] op 16 januari 2003 aan [VD] geleende EUR 45.000,--, vermeerderd met de door [VD] niet betaalde rentetermijnen.

Begin 2006 is het pand door [VD] verkocht, waarbij de gehele opbrengst van die verkoop naar de SNS Bank is gegaan.

Het geschil

[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 45.000,--, vermeerderd met 6,5% rente vanaf 15 april 2003 en EUR 1.200,-- terzake buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

Tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde feiten legt [eiser] het navolgende aan zijn vordering ten grondslag. Uit de tekst van de akte van 16 januari 2003 is af te leiden dat daarmee onder meer beoogd werd [eiser] zekerheid te verschaffen voor de terugbetaling van de door hem aan [VD] geleende EUR 45.000,--. Een bekwaam en zorgvuldig opererend advocaat had behoren te weten dat [eiser] op grond van die onderhandse akte nimmer die zekerheid zou verkrijgen en/of medeeigenaar van het pand zou worden. Wat [gedaagde] had moeten doen, is [VD] en [eiser] laten weten dat zij de door [eiser] gewenste zekerheid dienden te regelen door middel van een tweede hypotheek op het pand dat [VD] van [YYY] gekocht had. Vervolgens had [gedaagde] de notaris die het transport van het pand van [YYY] aan [VD] zou gaan uitvoeren, te weten notaris Lamers te Zaanstad, moeten laten weten dat [VD] en [eiser] die tweede hypotheek waren overeengekomen. Dan had de notaris dat transport nooit gerealiseerd zonder dat die tweede hypotheekakte er ook was gekomen. Een andere optie zou zijn geweest dat [gedaagde] [VD] een positieve hypotheekverklaring had laten afgeven, zodat de notaris bij de overdracht van het pand door [YYY] aan [VD] ten behoeve van [eiser] een tweede hypotheek had kunnen vestigen.

Nu blijkt dat [VD] geen enkel verhaal biedt voor de terugbetaling van de geldlening, lijdt [eiser] schade die in causaal verband staat met de wanpresatie van [gedaagde]. Die schade bedraagt genoemde EUR 45.000,--, te vermeerderen met de tussen [eiser] en [VD] overeengekomen rente van 6,5% per jaar vanaf 16 april 2003 tot de dag der voldoening. Subsidiair - voor het geval er destijds geen contractuele relatie tussen partijen zou hebben bestaan - stelt [eiser] zich op het standpunt dat het handelen van [gedaagde] jegens [eiser] een onrechtmatige daad inhoudt.

[Gedaagde] voert verweer op de navolgende gronden.

Tussen [gedaagde] en [eiser] bestond geen contractuele relatie. [VD], en niet [eiser], was de cliënt van [gedaagde]. [Gedaagde] heeft niet van [eiser] en/of [VD] de opdracht gekregen een overeenkomst op te stellen en/of hen te adviseren inzake (de voorwaarden) van een overeenkomst. [VD] is, nadat [eiser] hem de geleende EUR 45.000,-- had betaald, voor [gedaagde] onverwacht, samen met [eiser] op het kantoor van [gedaagde] verschenen, met het verzoek een door [VD] zelf op papier gezette en aan [gedaagde] op dat moment nog niet bekende overeenkomst tussen [VD] en [eiser] te legaliseren. Aan de op zijn kantoor uitgetypte versie van die overeenkomst, de akte van 16 januari 2003, heeft [gedaagde] in feite alleen maar toegevoegd dat er inmiddels was betaald (dit door middel van een verwijzing naar een aan de overeenkomst gehechte bijlage) en er aan toegevoegd dat hij de handtekeningen van [VD] en [eiser] legaliseerde. [Gedaagde] heeft voorts aan [VD] en [eiser] gevraagd of er niet ook een hypotheekakte moest komen, maar dat wilden zij vanwege de daaraan verbonden kosten niet.

[Gedaagde] heeft verder het causaal verband tussen de hem door [eiser] verweten gedragingen en de door [eiser] gestelde schade betwist. Nu aan [gedaagde] eerst om een vastlegging van de door [eiser] en [VD] overeengekomen zekerheidsstelling is gevraagd nadat [eiser] al aan [VD] had betaald, is dat te laat als de schuldenaar - zoals in casu - feitelijk weigert om mee te werken aan het verstrekken van een zekerheid. Niet vast staat dat het advies van [gedaagde] om een tweede hypotheek te vestigen door [VD] wel zou zijn uitgevoerd als partijen een dergelijke tweede hypotheek zouden zijn overeengekomen. Ook dan zou het transport van [YYY] aan [VD] buiten [eiser] omgegaan kunnen zijn, gelijk het ook met de huidige overeenkomst tussen [VD] en [eiser], anders dan daarin is bepaald, buiten [eiser] is omgegaan. Als er bij de levering van het pand aan [VD] een tweede hypotheek ten gunste van [eiser] was gevestigd, zou er bovendien na voldoening aan de eerste hypotheekhouder niets voor een tweede hypotheekhouder zijn overgebleven.

De beoordeling

Door [gedaagde] is niet betwist dat [VD] geen verhaal biedt voor de bij inmiddels onherroepelijk vonnis aan [eiser] toegewezen bedragen terzake van de door hem op 16 januari 2003 aan [VD] tegen een rente van 6,5% per jaar geleende EUR 45.000,--, zodat de rechtbank er vanuit gaat dat [eiser] de door hem gestelde schade heeft geleden.

Het verweer van [gedaagde] dat tussen hem en [eiser] geen contractuele relatie bestond (waarmee reeds om die reden geen sprake zou kunnen zijn van wanprestatie van [gedaagde]) wordt door de rechtbank verworpen. Naar [gedaagde] heeft gesteld, heeft hij, toen [VD] en [eiser] zich op 16 januari 2003 tot hem wendden, niet alleen de van hen ontvangen overeenkomst omgezet in de akte van 16 januari 2003, maar hen tevens gevraagd of er niet ook een hypotheekakte moest komen. [Gedaagde] is door [VD] en [eiser] benaderd als advocaat, en genoemde activiteiten kunnen naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet anders worden gezien dan als het voldoen door [gedaagde] aan een opdracht van [VD] en [eiser]. Dat er dienaangaande overeenstemming tussen [gedaagde] enerzijds en [VD] en [eiser] anderzijds bestond, volgt ook uit de brief d.d. 5 juli 2006 van [gedaagde] aan de raadsman van [eiser], waarin [gedaagde] onder meer schrijft dat: “Juist ter voorkoming van notariële kosten de kwestie op deze wijze op verzoek van- en in opdracht van beide heren zo op schrift gezet is.”

Voor wat betreft het door [gedaagde] betwiste causaal verband tussen de hem door [eiser] verweten gedragingen en de door [eiser] gestelde schade, dient naar het oordeel van de rechtbank voorop gesteld te worden dat als de akte van 16 januari 2003 zou zijn uitgevoerd als daarin overeengekomen, [eiser] daarmee de nodige zekerheid had verkregen voor de terugbetaling door [VD] van de - toen [VD] en [eiser] zich op 16 januari 2003 tot [gedaagde] wendden reeds door [VD] aan [eiser] betaalde - EUR 45.000,00. Van een ‘verboden eigendomsoverdracht tot zekerheid’, zoals [eiser] ter comparitie nog heeft gesteld, is niet gebleken. Dat de beoogde zekerheid er niet is gekomen, is enkel te wijten aan het feit dat [VD] zich niet heeft gehouden aan één van zijn verbintenissen uit de onderhavige overeenkomst, te weten er voor te zorgen dat [eiser] bij de levering van het pand (op 19 maart 2003) voor 50% eigenaar van het pand zou worden. Nu [VD] zich niet aan die verbintenis heeft gehouden, is onwaarschijnlijk - [eiser] heeft het tegendeel in ieder geval op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt - dat, indien partijen zulks op 16 januari 2003 ten kantore van [gedaagde] zouden hebben afgesproken, [VD] op 19 maart 2003 aan [eiser] wel (tevens) het recht van tweede hypotheek zou hebben verstrekt. Hetzelfde geldt voor de door [eiser] gestelde positieve hypotheekverklaring. De veronderstelling dat [VD] een en ander evenmin gedaan zou hebben, wordt verstrekt door het feit dat [VD] - op één keer na - ook nooit heeft voldaan aan zijn in de akte van 16 januari 2003 opgenomen verplichting tot het betalen van rente over de door hem van [eiser] geleende gelden.

Een verplichting van [gedaagde] om eigener beweging de notaris die het transport van het pand aan [VD] zou gaan uitvoeren te informeren over een tussen partijen overeengekomen zekerheid tot terugbetaling van de EUR 45.000,-- die [VD] van [eiser] ter leen had ontvangen, wordt door de rechtbank - in ieder geval in de omstandigheden van het onderhavige geval - niet aangenomen. Het had veeleer op de weg van [eiser] zelf gelegen om er voor te waken dat een tussen hem en [VD] overeengekomen, maar feitelijk nog door [eiser] te verkrijgen zekerheid voor de terugbetaling van reeds door hem aan [VD] geleende gelden, ook daadwerkelijk zou worden gerealiseerd. Naar [eiser] heeft gesteld, heeft hij eerst bij brief van 20 oktober 2004 - derhalve meer dan anderhalf jaar na het tot stand komen van de akte van 16 januari 2003 - [VD] gesommeerd zich schriftelijk bereid te verklaren alsnog zekerheid te verstrekken voor de geldlening.

Op grond van het hiervoor overwogene acht de rechtbank een causaal verband tussen de door [eiser] aan [gedaagde] verweten gedragingen en de door [eiser] gestelde schade niet aanwezig. Reeds op die grond dient de vordering van [eiser] te worden afgewezen. Dit zo zijnde, behoeven de verdere stellingen en weren van partijen geen verdere bespreking.

[Eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht 1.015,00

- salaris procureur 1.788,00 (2 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 2.803,00

De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 2.803,00,

verklaart dit vonnis voor wat betreft genoemde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman, als voorzitter en mr. A.J. van der Meer en mr. I.H. Lips, als leden van genoemde kamer, en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2007.?