Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB1551

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
09-08-2007
Datum publicatie
10-08-2007
Zaaknummer
137117 / KG ZA 07-369
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Weigering gevraagde voorziening tot een verbod op in de toekomst te verrichten handelingen. Gedaagden handelen niet onrechtmatig. Onvoldoende reële dreiging van inbreuk op rechten. De voorzieningenrechter overweegt daarbij onder andere dat gedaagden zich ervan hebben vergewist dat als gevolg van het uitvoeren van werkzaamheden redelijkerwijs geen schade zal optreden voor derden of anderszins en dat gedaagden ter zitting bovendien hebben toegezegd niet te zullen bouwen zonder de benodigde vergunningen en voorts ter voorkoming van schade aan derden alle voorzorgsmaatregelen te nemen die in het maatschappelijk verkeer te gelden hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 137117 / KG ZA 07-369

Vonnis in kort geding van 9 augustus 2007

in de zaak van

de volledig rechtsbevoegde vereniging

HAARLEMSCHE JACHTCLUB,

gevestigd te Haarlem,

eiseres,

procureur mr. L.J.L. Heukels,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HAARLEM,

en

HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE HAARLEM,

beide zetelend te Haarlem,

gedaagden,

procureur mr. W.J.R.M. Welschen,

2. de vennootschap onder firma

COMBINATIE SCHOTERBRUG V.O.F.,

gevestigd te Utrecht,

alsmede haar vennoten

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOSKALIS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STRUKTON BETONBOUW B.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagden,

advocaat mr. L.C. van den Berg te Rotterdam,

procureur mr. M. Middeldorp.

Eiseres zal hierna ‘HJC’ worden genoemd. De gedaagden onder 1 zullen hierna respectievelijk ‘de Gemeente’ en ‘het college van B&W’ (en tezamen ‘de Gemeente c.s.’) worden genoemd en de gedaagden onder 2 zullen hierna gezamenlijk ‘de Bouwcombinatie’ worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van HJC

- de pleitnota van de Gemeente c.s.

- de pleitnota van de Bouwcombinatie

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. HJC heeft aan het Spaarne te Haarlem (Spaarndamseweg 15) een stuk grond en een daarbij gelegen stuk water krachtens geldige titel in gebruik, alwaar zij haar doel ten uitvoer brengt, te weten het beoefenen van de watersport in het algemeen, het organiseren van zeilwedstrijden en tochten, het beleggen van vergaderingen en bijeenkomsten, het houden van cursussen en lezingen, het opleiden van zeilers en varenslieden en het aanbrengen, in stand houden en verschaffen van watersport-accommodatie.

2.2. Op voornoemd stuk grond staan opstallen die eigendom zijn van HJC. In voornoemd stuk water heeft zij aanlegsteigers waar de leden van HJC hun boten gedurende het gehele jaar kunnen afmeren.

2.3. De Gemeente is voornemens om nabij het terrein van HJC de nieuwe vaste oeververbinding aan te brengen tussen Haarlem Noord en de Waarderpolder, de Schoterbrug. Met de uitvoering van de voorbereidende werkzaamheden ten behoeve van de bouw van de Schoterbrug zal direct na de bouwvakantie, te weten op 13 augustus 2007, een aanvang worden gemaakt.

3. Het geschil

3.1. HJC vordert de start van de bouw van de Schoterbrug, beginnend bij zowel alle voorbereidende werkzaamheden in het gehele gebied waar de Schoterbrug gepland is, alsmede de voorbereidingen voor- alsmede het aanleggen van het zandlichaam aan de zijde van HJC, alsmede het heien te stoppen en gestopt te houden tot zolang een door HJC in de arm te nemen deskundige de door de Gemeente te nemen maatregelen ter bescherming van de belangen van HJC, zoals in het lichaam van de dagvaarding genoemd, als afdoende zijn beoordeeld en zijn gerealiseerd

en

tot zolang de gevraagde en toegezegde stukken zoals: de doorberekening van Deloitte, de conceptovereenkomsten terzake een nieuw erfpachtcontract door de gemeente aan HJC, de uitleg aan welke norm een marktconform prijs getoetst dan wel gekoppeld is, zijn afgegeven, zoals in het lichaam van de dagvaarding beschreven,

met veroordeling van de Gemeente in de kosten van het geding.

3.2. HJC legt aan haar vordering ten grondslag dat wanneer op 13 augustus met werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de Schoterbrug zou worden begonnen HJC schade zal lijden door onrechtmatig handelen van de Gemeente.

3.3. De Gemeente c.s. alsmede de Bouwcombinatie voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De Gemeente c.s. heeft als eerste punt van verweer aangevoerd dat HJC niet ontvankelijk is in haar vordering voor zover die is gericht tegen het college van B&W. Dit verweer slaagt, nu, gelijk ook door de Gemeente c.s. is betoogd, een college van burgemeester en wethouders een bestuursorgaan van een gemeente is en geen daarvan afzonderlijk te onderscheiden rechtspersoon.

4.2. Ter onderbouwing van haar vordering heeft HJC het nodige gesteld omtrent het door haar moeten verlaten van haar huidige locatie. Ter zitting is door de Gemeente c.s. aangevoerd dat de komende bouw van de Schoterbrug de huidige locatie van HJC op zich onverlet laat en dat eerst wanneer een beoogd naburig woningbouwproject gerealiseerd gaat worden - hetgeen nog niet vast staat -, HJC naar een andere locatie zal moeten verhuizen. Dat er wel verband bestaat tussen de komende bouw van de Schoterbrug en het moeten verhuizen van HJC naar een andere locatie, is door HJC niet aannemelijk gemaakt.

4.3. HJC vordert een verbod tot het starten van de bouw van de Schoterbrug onder meer totdat haar, naar zij stelt, door de Gemeente toegezegde stukken, zoals de doorberekening van Deloitte, de conceptovereenkomsten terzake een nieuw erfpachtcontract en de uitleg aan welke norm een marktconforme prijs getoetst dan wel gekoppeld is, zijn afgegeven. Nu, zoals hiervoor overwogen, de komst van de Schoterbrug de huidige locatie van HJC onverlet laat en er geen verband bestaat tussen de door HJC gestelde schade als gevolg van de bouw van de Schoterbrug en die (mogelijk) voor de verhuizing van HJC van belang zijnde stukken, kan de duur van de door HJC gevraagde voorziening, niet (mede) worden gekoppeld aan het al dan niet afgeven door de Gemeente van genoemde stukken. Dit nog afgezien van het feit dat, als HJC recht heeft op de afgifte van bedoelde stukken, het in de rede had gelegen dat zij die afgifte had gevorderd en niet een verbod tot het starten van de bouw van de Schoterbrug zolang die stukken haar niet zijn afgegeven, hetgeen van de kant van de Gemeente c.s. niet geheel onbegrijpelijk ter zitting als een vorm van chantage werd getypeerd.

4.4. De vordering van HJC tot een verbod tot het starten van de bouw van de Schoterbrug is in feite gebaseerd op een vrees bij haar voor schade als gevolg van die komende bouw. Bij de beoordeling van vorderingen tot een verbod van in de toekomst te verrichten handelingen die onrechtmatig zouden zijn, dient voorop gesteld te worden dat er sprake moet zijn van een reële dreiging van de handelingen die de eiser verboden wenst te zien.

4.5. De eerste door HJC gestelde inbreuk op haar rechten die zij vreest, betreft de aangekondigde kap van de bomen die thans nog op de erfgrens met HJC staan, waardoor, naar HJC heeft gesteld, alle windvang zal verdwijnen en de leden van HJC schade aan hun schepen dreigen te lijden. Voorts zou het te storten zand voor het aanleggen van het zandlichaam aan de zijde van HJC kunnen gaan verstuiven waardoor schade aan bedoelde boten zou kunnen optreden, nu de bouwer geen afdoende maatregelen neemt tegen verstuiving van dat zand. Tenslotte zal doordat er begonnen wordt met het heien van bascules in het Spaarne precies in het midden van het zeillesgebied alsmede midden in het startgebied voor wedstrijden van HJC, het voortbestaan van HJC in gevaar worden gebracht, aangezien HJC daardoor belangrijke onderdelen van haar verenigingsleven zou moeten staken, aldus nog steeds HJC.

4.6. Voor wat betreft die door HJC gevreesde inbreuken op haar rechten, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.7. Dat HJC enige overlast zal ondervinden door de bouw van de Schoterbrug valt waarschijnlijk niet te vermijden. Dergelijke overlast wordt echter pas onrechtmatig als er maatregelen niet getroffen zijn die wel getroffen hadden moeten worden. In dit verband is in de eerste plaats van belang dat de Gemeente c.s. onbetwist heeft gesteld dat de Gemeente alvorens de opdracht voor de bouw van de Schoterbrug te verlenen, zich ervan heeft vergewist dat als gevolg van het uitvoeren van werkzaamheden redelijkerwijs geen schade zal optreden voor derden of anderszins, voor zover die thans reeds zou kunnen worden voorzien en dat tot de opdracht van de Gemeente aan de Bouwcombinatie behoort het voorkomen van schade aan derden of anderszins en dat dit onderdeel uitmaakt van de voorwaarden waaronder de Gemeente heeft gecontracteerd.

De Gemeente c.s. en de Bouwcombinatie hebben voorts ter zitting toegezegd niet te zullen bouwen zonder de benodigde vergunningen en voorts ter voorkoming van schade aan derden alle voorzorgsmaatregelen te nemen die in het maatschappelijk verkeer te gelden hebben.

4.8. Dat er geen, zoals HJC het noemt, nulmetingen zijn uitgevoerd, heeft niet te gelden als het niet nemen van alle voorzorgsmaatregelen die in het maatschappelijk verkeer te gelden hebben. Een dergelijke meting kan HJC immers ook zelf laten uitvoeren. (Dit overigens bij voorkeur wel onder uitnodiging van de Gemeente en de Bouwcombinatie om daarbij aanwezig te zijn.) Gezien het feit dat de komst van de Schoterbrug al tijden aan HJC bekend is, heeft inmiddels HJC voldoende de tijd gehad om dat te (laten) doen, terwijl zij dat nog steeds kan (laten) doen. Hoewel het thans vakantietijd is, wil dat nog niet zeggen dat het hele maatschappelijk leven stil ligt en wat dat betreft thans niets meer mogelijk is.

4.9. Dat, zoals HJC heeft gesteld, er geen afdoende maatregelen worden getroffen om verstuiving van zand zo veel mogelijk tegen te gaan, komt de voorzieningrechter, gezien de ter zitting door de Bouwcombinatie gedane toezegging dit te zullen doen, onvoldoende aannemelijk voor om het gevorderde te kunnen toewijzen.

4.10. Voorts bestaat er geen grond om aan te nemen dat er een reële dreiging bestaat dat het voortbestaan van HJC in gevaar wordt gebracht door het heien van bascules in het Spaarne, nu de Gemeente en de Bouwcombinatie ter zitting hebben aangegeven bij de aanleg van de Schoterbrug zoveel mogelijk rekening te zullen houden met de belangen van het vervoer te water en de recreatie. Daar komt bij dat, zoals de Gemeente c.s. ook heeft aangevoerd, het Spaarne ter plaatse eigendom van de Gemeente en openbaar is. HJC kan jegens de Gemeente rechtens geen exclusieve aanspraak maken op het gebruik van dit water.

4.11. Voor wat betreft het door de Gemeente voorgenomen kappen van bomen dient voorop gesteld te worden dat het hier, naar de Gemeente c.s. ter zitting heeft verklaard, gaat om bomen die staan op grond die eigendom is van de Gemeente en niet staan op het bij HJC in gebruik zijnde stuk grond, en dat de Gemeente voor die kap een kapvergunning heeft verkregen. Onder deze omstandigheden en gezien het feit dat de Gemeente een genoegzaam belang bij de kap van die bomen heeft, te weten het algemeen belang dat gemoeid is met de komst van de Schoterbrug, kan het met de kap van die bomen (mogelijk) verdwijnen van de windvang die die bomen voor HJC brengen, naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet als onrechtmatig worden beschouwd.

4.12. Gelet op het hiervoor overwogene moet worden geconcludeerd dat er onvoldoende reële dreiging van inbreuk door de Gemeente en/of de Bouwcombinatie bestaat om de gevraagde voorzieningen te treffen. Een afweging van de betrokken belangen kan dat oordeel niet anders doen zijn. Evident is dat de schade die de Gemeente en de Bouwcombinatie bij toewijzing van de gevraagde voorziening zullen lijden aanzienlijk groter zal zijn dan de door HJC gevreesde schade. De gevraagde voorziening zal dan ook worden geweigerd.

4.13. HJC zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van de Gemeente c.s. worden begroot op:

- vast recht EUR 251,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.067,00

De kosten aan de zijde van de Bouwcombinatie worden begroot op:

- vast recht EUR 251,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.067,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. verklaart de vordering voorzover die gericht is tegen het College van B&W niet ontvankelijk,

5.2. weigert voor het overige de gevraagde voorzieningen,

5.3. veroordeelt HJC in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente c.s. tot op heden begroot op EUR 1.067,00 en aan de zijde van de Bouwcombinatie tot op heden eveneens begroot op EUR 1.067,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2007.?