Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB0984

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-07-2007
Datum publicatie
03-08-2007
Zaaknummer
AWB 07-3900 en AWB 07-3901
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter deelt het standpunt van verweerder dat de feiten een ernstige

verstoring van de openbare orde met zich brengen. De voorzieningenrechter ziet geen

grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot intrekking van de exploitatievergunning alsmede

sluiting van de horeca-inrichting voor de duur van een half jaar heeft kunnen overgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 4433 en AWB 07 - 4434

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juli 2007

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. V.Q. Vallenduuk, advocaat te Haarlem,

tegen:

de burgemeester van Purmerend,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2006 heeft verweerder besloten de aan eiser verstrekte exploitatievergunning voor de horeca-inrichting '[X]' aan de Koemarkt [nummer] te Purmerend (hierna: de horeca-inrichting) in te trekken met ingang van 14 december 2006 te 18.00 uur voor een periode van zes maanden, derhalve eindigend op 14 juni 2007 te 18.00 uur.

Bij besluit van eveneens 13 december 2006 heeft verweerder de tijdelijke sluiting van de horeca-inrichting bevolen. Verweerder heeft hierbij aangegeven over te gaan tot het toepassen van bestuursdwang en de sluiting van gemeentewege zal laten effectueren indien eiser niet voor 18 december 2006 te 12.00 uur maatregelen treft om uitvoering te geven aan het bevel tot sluiting.

Tegen deze besluiten heeft eiser bij brief van 15 december 2006 bezwaar gemaakt.

De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 18 december 2006 voornoemde besluiten geschorst tot zes weken na bekendmaking van de besluiten op bezwaar van eiser.

Bij besluit van 31 mei 2007, verzonden op 4 juni 2007, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de primaire besluiten, onder aanvulling van de gronden, gehandhaafd met dien verstande dat de exploitatievergunning wordt ingetrokken van vrijdag 20 juli 2007 vanaf 12.00 uur en eindigend op zaterdag 19 januari 2008 te 12.00 uur. Verweerder heeft het besluit tot tijdelijke sluiting eveneens gehandhaafd, met dien verstande dat het sluitingsbevel geen betrekking heeft op de toegang tot de bovenwoning.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 13 juli 2007 beroep ingesteld. Bij brief van 13 juli 2007 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld ter zitting van 19 juli 2007, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door G.P.C. de Koning en mr. W.H. Correia, beiden werkzaam bij de gemeente Purmerend.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De in het onderhavige geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

2.2 Ingevolge artikel 24, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Purmerend (hierna: APV) is het verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. Het derde lid bepaalt dat de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk kan weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aan-wezigheid van het horecabedrijf.

Artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, APV bepaalt dat de vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist.

Artikel 26, eerste lid, APV bepaalt dat de burgemeester in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandig-heden, te zijner beoordeling, voor een of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan krachtens artikel 25 geldende sluitingstijden kan vaststellen of tijdelijke sluiting kan bevelen.

2.3 Verweerder heeft het besluit tot intrekking van de exploitatievergunning gebaseerd op artikel 5, aanhef en onder b juncto artikel 24, derde lid, APV. Het besluit tot sluiting voor een zelfde periode, dat is gebaseerd op artikel 26 APV, onder aanzegging van bestuursdwang heeft verweerder genomen teneinde zeker te stellen dat niet wordt gehandeld in strijd met het verbod van artikel 24, eerste lid, APV om een horeca-inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

2.4 De grieven van eiser richten zich met name tegen de feitelijke grondslag van het bestreden besluit. Bovendien acht eiser het bestreden besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van het verbod op détournement de pouvoir, het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod op willekeur. Tegen de aanzegging van bestuursdwang zijn geen grieven aangevoerd.

2.5 Verweerder heeft het besluit tot intrekking van de exploitatievergunning alsmede het bevel tot sluiting van de horeca-inrichting onder aanzegging van bestuursdwang gebaseerd op een viertal incidenten. Het betreffen het niet dadelijk melden aan de politie van een bedreiging van een derde met een pistool door een klant in de horeca-inrichting op 2 juni 2006, alsmede het meewerken aan het wegmaken/verbergen van een pistool dat is gebruikt door diezelfde klant bij een bedreiging in de directe nabijheid van de horeca-inrichting op 11 juni 2006. Bovendien heeft eiser volgens verweerder geen informatie aan de politie verschaft omtrent de identiteit van een persoon die eiser op 10 augustus 2006 bedreigde en heeft eiser op 20 en 27 augustus 2007 een portier, die niet voldeed aan de wettelijk gestelde voorwaarden, beveiligingswerkzaamheden laten verrichten.

2.6 Aan het besluit op bezwaar heeft verweerder tevens ten grondslag gelegd het feit dat op 26 september 2006 op de eerste verdieping van het pand aan de Koemarkt [nummer] boven de horeca-inrichting een hennepkwekerij is aangetroffen. Verweerder heeft dienaangaande overwogen dat deze overtreding van de Opiumwet ten tijde van het nemen van de primaire besluiten nog niet in zijn volle omvang bekend was en dat dit feit een verdere onderbouwing van de ernstige verstoring en/of nadelige beïnvloeding van de openbare orde levert, welke de grondslag vormt van het ingrijpen van verweerder. Verweerder heeft hierbij wel aangegeven dat deze nadere onderbouwing in verband met het verbod op 'reformatio in peius' niet van invloed is geweest op de vaststelling van de duur van de sluiting van de horeca-inrichting. De voorzieningenrechter overweegt terzake dat de heroverweging in de bezwaarschriftprocedure niet zover strekt, dat de beslissing op het bezwaarschrift mede op geheel andere overtredingen kan worden gebaseerd, dan die welke aan het primaire besluit ten grondslag zijn gelegd (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2004, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN-nummer AO8850). Het besluit van 31 mei 2007 gaat - voor zover het ziet op de overtreding van de Opiumwet - de grondslag van het bezwaar zozeer te buiten, dat dit gedeelte van de motivering van het bestreden besluit buiten beschouwing moet worden gelaten bij de beoordeling van het bestreden besluit. Voor verweerder kan deze overtreding wel aanleiding zijn om een nieuw primair besluit te nemen, maar het kan geen rol spelen in de heroverweging in bezwaar.

2.7 Ten aanzien van de reeks incidenten die verweerder aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder groot gewicht kon toekennen aan de uit de processen-verbaal blijkende verklaringen van getuigen, slachtoffer en eiser zelf omtrent de verschillende gebeurtenissen, alsmede aan de door verbalisanten opgemaakte processen-verbaal van bevindingen. Of er sprake is van schuld in strafrechtelijke zin speelt in dit kader geen doorslaggevende rol. Beoordeeld zal slechts moeten worden of de aan de intrekking van de exploitatievergunning en het sluitingsbevel ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn. Hierbij wijst de rechtbank er op dat eiser verantwoordelijk wordt gehouden voor de gang van zaken in en rondom zijn horeca-inrichting. Daarbij is niet van doorslaggevende betekenis of hij al dan niet direct persoonlijk betrokken is bij de tot sluiting redengevende feiten.

2.8 Verweerder heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht aangenomen dat zich op 2 juni 2006 in de horeca-inrichting een bedreiging met behulp van een vuurwapen heeft voorgedaan. De door mevrouw [naam], mevrouw [naam] en de heer [naam] afgelegde verklaringen maken voldoende aannemelijk dat hiervan sprake is geweest. Het feit dat deze gebeurtenis strafrechtelijk niet is bewezen, is in dit verband niet doorslaggevend.

2.9 Voor wat betreft de gebeurtenis op 11 juni 2006 wordt door de voorzieningenrechter als vaststaand aangenomen dat er vanuit de horeca-inrichting een vechtpartij is ontstaan die zich buiten heeft voortgezet en dat een van de betrokkenen meermalen heeft gepoogd met een vuurwapen een andere persoon om het leven te brengen. De voorzieningenrechter acht het voorts, gezien de afgelegde verklaringen van mevrouw [naam] en de heer [naam] alsmede de strafrechtelijke veroordeling van eiser terzake, voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser een rol heeft gespeeld bij het wegmaken van dit vuurwapen.

2.10 Niet in geschil is dat eiser op 10 augustus 2006 heeft verzocht om politie-assistentie in verband met een bedreiging. Evenmin betwist eiser de lezing van verweerder dat eiser heeft doen voorkomen alsof hij werd bedreigd door een hem onbekende persoon, terwijl het hier een vaste klant van eiser betrof die tevens betrokken was bij de incidenten op 2 en 11 juni 2006. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat eiser belangrijke informatie ten aanzien van de identiteit van de betreffende persoon voor de politie heeft achtergehouden.

2.11 Eveneens is op grond van de stukken voldoende aannemelijk geworden dat eiser een daartoe onbevoegde persoon portierwerkzaamheden heeft laten verrichten op 20 en 27 augustus 2007.

2.12 Ter beoordeling van de voorzieningenrechter rechtbank staat of verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. De bevoegdheden van verweerder tot intrekking van de exploitatievergunning en sluiting van de horeca-inrichting zijn discretionair, terzake waarvan verweerder beleidsvrijheid is gelaten. Gelet hierop dient de aanwending van deze bevoegdheden terughoudend te worden getoetst door de voorzieningenrechter.

2.13 De voorzieningenrechter deelt het standpunt van verweerder dat de feiten als hierboven vastgesteld een ernstige verstoring van de openbare orde met zich brengen. Daarvoor is niet van belang dat bij de reeks van incidenten één persoon een belangrijke rol heeft gespeeld. Dat doet immers niet af aan het effect van de gebeurtenissen op de openbare orde. Voorts kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden vastgesteld dat eiser bij alle gebeurtenissen een rol heeft gespeeld.

2.14 Verweerder heeft toegelicht geen beleid te hebben geformuleerd met betrekking tot de toepassing van de hier aan de orde zijnde bepalingen uit de APV omdat verweerder slechts zeer incidenteel toepassing aan deze artikelen heeft gegeven. Verweerder heeft echter in dit geval gekozen voor hard optreden omdat de verstoring van de openbare orde gepaard gaat met het gebruik van vuurwapens en bovendien plaats vindt in het uitgaanscentrum van Purmerend. Om te voorkomen dat in de toekomst een verstoring van de openbare orde op een zelfde wijze plaats vindt, acht verweerder het noodzakelijk dat de horeca-inrichting gedurende zes maanden gesloten blijft. Op die manier wordt de vaste klantenkring gedwongen om langdurig zijn heil elders te zoeken zodat daarna exploitatie op andere leest kan worden voortgezet. Alleen dan wordt de bekendheid van de horeca-inrichting als een plaats waar alles mogelijk is, doorbroken met als doel rust en orde in de directe omgeving in het uitgaanscentrum te garanderen.

2.15 Gegeven deze uitleg en de terughoudende rechterlijke toets ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot intrekking van de exploitatievergunning alsmede sluiting van de horeca-inrichting voor de duur van een half jaar heeft kunnen overgaan. Anders dan eiser is de voorzieningenrechter van oordeel dat het ontbreken van beleidsregels er in dit geval niet toe leidt dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan willekeur. Evenmin rechtvaardigt dit de conclusie dat verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden.

2.16 De voorzieningenrechter overweegt voorts dat niet is gebleken dat verweerder tot intrekking van de exploitatievergunning en sluiting van de horeca-inrichting heeft besloten om eiser leed toe te voegen. Verweerder heeft genoegzaam uiteen gezet dat de besluiten geen vergeldingsmaatregelen zijn, maar bedoeld zijn om verdere verstoring van de openbare orde te voorkomen. Dat de financiële consequenties van de sluiting voor eiser aanzienlijk zal zijn, doet hieraan niet af. Niet valt in te zien derhalve dat is gehandeld in strijd met het in artikel 3:3 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verbod van détournement de pouvoir.

2.17 Hoewel de onderhavige besluitvorming voor eiser ontegenzeggelijk nadelige financiële gevolgen met zich brengt, heeft verweerder de belangen die zijn gemoeid met de handhaving van de openbare orde en veiligheid mogen laten prevaleren boven het belang dat eiser heeft bij een onbelemmerde voortzetting van de exploitatie van de horeca-inrichting. In het besluit op bezwaar heeft verweerder voldoende tot uitdrukking gebracht welke belangen hij in dit verband heeft meegewogen en welk gewicht hij daaraan heeft toegekend.

2.18 Vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Er bestaat daarom geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het desbetreffende verzoek wordt derhalve afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.M. Rutten, voorzieningenrechter, en op 19 juli 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat uitsluitend voorzover het de hoofdzaak betreft hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.