Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB0945

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
17-07-2007
Datum publicatie
02-08-2007
Zaaknummer
AWB 06-218
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De strekking van artikel 8:73a Awb brengt met zich mee dat een verzoek om schadevergoeding in deze zin slechts betrekking kan hebben op schade die direct volgt uit het alsnog tegemoetkomen aan eiser. Voor een verzoek om vergoeding van schade die een behandeling ten gronde vergt van het - voorheen - bestreden besluit biedt genoemd artikel geen ruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06 - 218

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2007

in de zaak van:

Teico Service B.V.,

gevestigd te Wormerveer,

eiseres,

gemachtigde: mr. M.C.F.M. Mollee, werkzaam bij Commit te De Meern,

tegen:

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2004 heeft verweerder de uitkering van een werkneemster van eiseres krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd en de loondoorbetaling ten aanzien van deze werkneemster voor eiseres verlengd naar aanleiding van het reïntegratieverslag.

Eiseres heeft op 14 oktober 2004 tegen het besluit van 7 september 2004 bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van 29 november 2004 niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens termijnoverschrijding. Bij besluit van 28 februari 2005 wordt het bezwaar alsnog tijdig geacht, maar nu niet-ontvankelijk verklaard omdat de gronden niet zouden zijn ingediend. Bij brief van 4 oktober 2005 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat het besluit van 28 februari 2005 als niet geschreven dient te worden beschouwd en wordt aan eiseres om uitstel van de beslistermijn verzocht met betrekking tot het primaire besluit van 7 september 2004.

Eiseres heeft bij brief van 3 november 2005 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op het bezwaar van 14 oktober 2004 bij de rechtbank te Amsterdam. Met toepassing van artikel 6:15 Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroepschrift doorgezonden naar deze rechtbank, alwaar het op 27 december 2005 ter griffie is ontvangen.

Bij besluit van 22 februari 2006 wordt het bezwaar van 14 oktober 2004 ongegrond verklaard.

Het beroep van eiseres van 3 november 2005 wordt ingevolge artikel 6:20, vierde lid, Awb mede acht te zijn gericht tegen het besluit op bezwaar van 22 februari 2006.

Bij besluit van 4 september 2006 wordt het bezwaar alsnog gegrond verklaard en wordt de aan eiseres opgelegde loonsanctie opgeheven naar aanleiding van uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in een zestal loonsanctiezaken (LNJ-nrs. AV 2317, 2381, 2473, 2476, 2477 en 2478). Verweerder trekt het besluit van 22 februari 2006 in en kent aan eiser een vergoeding toe van ? 322,-, zijnde de kosten die eiseres heeft gemaakt in bezwaar.

Eiseres heeft bij brief van 12 september 2006 het beroep ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep heeft eiseres verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank. Eiseres heeft voorts verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:73a, eerste lid, te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij lijdt.

De verzoeken van eiseres zijn behandeld ter zitting van 11 juni 2007, alwaar eiseres, met bericht, niet is verschenen. Ook verweerder is, met bericht, niet op de zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Ten aanzien van het verzoek van eiseres om veroordeling van verweerder in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, Awb, overweegt de rechtbank als volgt.

2.2 De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in artikel 8:75 en 8:75a Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

2.3 In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan eiser is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.

2.4 De rechtbank stelt vast dat het beroep is ingetrokken, omdat verweerder volledig tegemoet is gekomen aan eiseres en eiseres tegelijk met de intrekking van het beroep heeft verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.

2.5 Nu verweerder naar aanleiding van het verzoek geen verweer heeft gevoerd, zal de rechtbank verweerder in de kosten van de procedure veroordelen.

2.6 De kosten hebben betrekking op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de procedure bij de rechtbank en komen ingevolge het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, Besluit voor vergoeding in aanmerking. Eiseres heeft hierbij aangevoerd kosten te hebben gemaakt voor het indienen van twee beroepschriften, te weten het beroepschrift van 3 november 2005 gericht tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar en het beroepschrift van 16 maart 2005 gericht tegen het op 22 februari 2005 door verweerder genomen reële besluit.

2.7 De rechtbank waardeert ingevolge het Besluit de kosten van het beroepschrift terzake het fictieve beroep op ? 80,50 ( 1 punt voor het beroepschrift: ? 322,-- x 0,25 waardering zeer licht) en de kosten van het beroepschrift terzake het beroep tegen het reële besluit op ? 322,-- (1 punt voor het beroepschrift: ? 322,-- x 1 waardering gemiddeld). Verweerder wordt derhalve veroordeeld ? 402,50 in verband met beroep te voldoen aan eiseres.

2.8 Ten aanzien van het verzoek van eiseres om veroordeling van verweerder tot vergoeding van geleden schade als bedoeld in artikel 8:73a, eerste lid, Awb, overweegt de rechtbank als volgt.

2.9 Ingevolge artikel 8:73a, eerste lid, Awb kan de rechtbank, ingeval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, op verzoek van de indiener de door aangewezen rechtspersoon bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 veroordelen tot vergoeding van de schade die verzoeker lijdt. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

2.10 De rechtbank stelt vast dat het beroep is ingetrokken, omdat verweerder volledig tegemoet is gekomen aan eiseres en eiseres tegelijk met de intrekking van het beroep heeft verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade die eiseres stelt te hebben geleden.

2.11 Eiseres stelt zich op het standpunt dat, gelet op de beslissing op bezwaar van verweerder van 4 september 2006 waarbij het bezwaar van eiseres alsnog gegrond is verklaard, de onrechtmatigheid van het primaire besluit van 7 september 2004 tot verlenging van de loondoorbetalingsverplichting ten aanzien van een werkneemster van eiseres een gegeven is. Zij stelt als gevolg van dit onrechtmatige besluit ? 1911,76 schade te hebben geleden. Dit bedrag omvat kosten die eiseres, naar zij betoogt, ten onrechte heeft moeten maken voor het doorbetalen van loon van haar werkneemster. Eiseres heeft haar vordering bij brief van 23 november 2006, aangevuld bij brieven van 16 april 2007 en 22 mei 2007 uitgebreid onderbouwd.

2.12 Verweerder heeft bij brief van 8 maart 2007 de vordering van eiseres betwist.

Zij voert daartoe aan dat het onverschuldigd betaalde loon niet aan de werkgever wordt vergoed voor zover de werknemer over diezelfde periode naderhand andere inkomsten heeft ontvangen, zoals een WAO-uitkering. Dat laatste is hier het geval, aldus verweerder. Standpunt van verweerder in deze is dat eiseres het onverschuldigd betaalde loon van de betrokken werkneemster dient terug te vorderen, en voorts dat executie van een loonsanctie alsmede terugvordering van onverschuldigd betaald loon arbeidsrechtelijke kwesties zijn waar verweerder buiten staat.

Verweerder bestrijdt bovendien dat de schade rechtstreeks wordt veroorzaakt door de ten onrechte opgelegde loonsanctie.

2.13 De rechtbank stelt allereerst vast dat nu het beroep is ingetrokken een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet heeft plaatsgevonden. Gelet op de uitgebreide onderbouwing van eiseres van haar vordering is de rechtmatigheid en daarmee de vraag of de schade is toe te rekenen aan verweerder echter wel een punt dat in het kader van de behan deling van het onderhavige verzoek ter beoordeling voorligt. De rechtbank is van oordeel dat de strekking van artikel 8:73a Awb met zich brengt dat een verzoek om schadevergoeding in deze zin slechts betrekking kan hebben op schade die direct volgt uit het alsnog tegemoetkomen aan eiser, zoals bijvoorbeeld wettelijke rente over een alsnog uitbetaalde uitkering. Voor een verzoek om vergoeding van schade die een behandeling ten gronde vergt van het - voorheen - bestreden besluit biedt artikel 8:73a Awb geen ruimte. De rechtbank is daarom van oordeel dat het onderhavige verzoek om schadevergoeding zich niet leent voor toepassing van artikel 8:73a Awb. De rechtbank wijst het verzoek gelet hierop af en zal dit doorzenden naar verweerder ter behandeling als een verzoek om schadevergoeding.

2.14 Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat ingevolge artikel 8:41, vierde lid, Awb het door eiseres betaalde griffierecht aan haar dient te worden vergoed door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV).

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 veroordeelt verweerder in de kosten in verband met het beroep ad € 402,50 en wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet voldoen;

3.2 wijst het verzoek van eiseres tot veroordeling van verweerder tot vergoeding van geleden schade af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. M.J.S. Korteweg-Wiers, rechter en op 17 juli 2007 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.A.J. Arts, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.