Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB0938

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
31-05-2007
Datum publicatie
02-08-2007
Zaaknummer
AWB 06-7077
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat het SBL 1981 noch het interimbeleid ten aanzien van de geluidsnormen bindende regels oplegde. Weliswaar werd een aanvang genomen om te komen tot definitieve geluidszonering, echter het interimbeleid behelsde "slechts" indicatieve geluidszones waarvan kon worden afgeweken (en ook daadwerkelijk is afgeweken). Aldus behelsde dit beleid geen beperkingen ten aanzien van de nog te verwachten geluidsbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06 - 7077

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 mei 2007

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. F.H. Koers, advocaat te Zwolle,

tegen:

de besliscommissie van het Schadeschap Luchthaven Schiphol,

verweerder,

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2005, verzonden op 22 november 2005, heeft verweerder besloten aan eiser een schadevergoeding wegens waardevermindering toe te kennen van in totaal € 11.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2004, de dag waarop het verzoek bij het Schadeschap Luchthaven Schiphol is binnengekomen, tot de datum van uitbetaling. Daarbij heeft verweerder verwezen naar het advies van 7 oktober 2005, van de Adviescommissie Schadeschap Luchthaven Schiphol.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 24 december 2005, aangevuld bij brief van 23 januari 2006, bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 3 juli 2006 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 14 augustus 2006, aangevuld bij brief van 22 september 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 1 maart 2007, alwaar eiser is verschenen met zijn gemachtigde voornoemd en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. drs. B.P.M. van Ravels en mr. O.M. te Rijdt.

2. Overwegingen

2.1 De uitbreiding van Schiphol is vastgelegd in de Planologische Kernbeslissing (PKB) "Schiphol en omgeving", deel vier, goedgekeurd door de Staten-Generaal op 29 november 1995.

2.2 De Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer hebben op 23 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 211) een Aanwijzingsbesluit genomen als bedoeld in artikel 27 jo. artikel 24 van de Luchtvaartwet, strekkende tot uitbreiding van het bestaande luchtvaartterrein (hierna: het Aanwijzingsbesluit).

2.3 Bij de Gemeenschappelijke Regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol (hierna: de Regeling) is het openbaar lichaam "Schadeschap Luchthaven Schiphol" (hierna: het Schadeschap) ingesteld. Het Schadeschap is opgericht in verband met de behandeling van verzoeken tot schadevergoeding, als gevolg van de uitbreiding van de luchthaven Schiphol ten behoeve van de mainportfunctie, aan één loket.

2.4 In de Regeling zijn de bevoegdheid en werkwijze van het Schadeschap geregeld. De Regeling strekt er onder meer toe de schadevergoedingsbevoegdheden van de raden van de deelnemende gemeenten te delegeren aan het Schadeschap. De gemeenteraden hebben hun bevoegdheden ex artikel 49 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) overgedragen, doch uitsluitend voor zover het schadeverzoeken betreft die betrekking hebben op de uitbreiding van Schiphol, zoals bepaald in het Aanwijzingsbesluit en de PKB. De Minister van Verkeer en Waterstaat heeft zijn bevoegdheid tot het toekennen van schadevergoeding, zoals bepaald in artikel 21 van het Aanwijzingsbesluit, eveneens aan het Schadeschap gedelegeerd.

2.5 Eiser stelt schade te lijden als gevolg van de uitbreiding van de luchthaven Schiphol met een vijfde baan, door het instellen van geluidszones en veiligheidszones rond de luchthaven, alsmede door het in werking treden van het Luchthavenindelingsbesluit en het Luchthavenverkeersbesluit. Als gevolg van voormelde oorzaken stelt verzoeker schade te hebben geleden wegens derving van woongenot en schade vanwege waardevermindering van de woning door de toegenomen geluidsbelasting. In dat kader heeft eiser betoogd dat het interimbeleid dat is gevoerd op basis van het Structuurschema Burgerluchtvaartterreinen (SBL 1981), met in deel D de planologische kernbeslissing ook planologische betekenis voor de omgeving van de Luchthaven Schiphol heeft gehad. Dit beleid behelst volgens eiser een planologisch regime. Op grond daarvan stelt eiser dat de situatie die voortvloeit uit de in het SBL 1981 gestelde beperkingen aan de door het gebruik van de Luchthaven Schiphol veroorzaakte geluidshinder, dient te gelden als uitgangssituatie voor de vergelijking ter vaststelling van de toename van de geluidsbelasting als gevolg van de in aanmerking te nemen besluiten. De omvang van de schade wordt geschat op €16.411,--.

2.6 De Adviescommissie heeft in zijn advies van 7 oktober 2005 geconcludeerd dat er sprake is van een verslechtering van de geluidshinder als gevolg van het gebruik van het vijfbanenstelsel op grond van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan Schiphol-West van 29 april 1999 e.o. voor het object van eiser en daarmee van schade in de vorm van waardevermindering. Daarnaast is er naar het oordeel van de Adviescommissie sprake van een verdere verslechtering van de geluidssituatie voor het object van eiser en daarmee van schade in de vorm van waardevermindering als gevolg van gebruik van het vijfbanenstelsel op grond van het Luchthavenverkeersbesluit (Lvb) van 20 februari 2003. Op grond hiervan heeft de Adviescommissie de waardevermindering van het object van eiser getaxeerd op ? 11.000,--. Verweerder heeft dit advies gevolgd.

2.7 Verweerder stelt zich ten aanzien van eisers beroep op het interimbeleid op het standpunt dat noch bij het interimbeleid noch bij het SBL 1981 geluidszones waren vastgesteld aan de hand waarvan beperkingen konden worden opgelegd aan het vliegverkeer van de luchthaven Schiphol. In geen van beide regimes waren geluidscontouren opgenomen die in juridische zin beperkingen oplegden, dan wel konden opleggen aan het vliegverkeer van de luchthaven Schiphol. Deze situatie is volgens verweerder in het geheel niet vergelijkbaar met die onder het A-besluit van 1996 waar zodanige beperkingen wel en derhalve voor het eerst zijn ingevoerd, met de daarin vastgestelde geluidscontouren als bedoeld in artikel 25 van de Luchtvaartwet. Voor een planologische vergelijking, met de maximale invulling als uitgangspunt, dient derhalve het A-besluit van 1996 te worden vergeleken met dat van 1962, aldus verweerder. In dit verband verwijst verweerder naar de uitspraak van deze rechtbank van 8 juni 2006, Awb 05-2682 en 05-2683.

2.8 Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna de Afdeling) dient bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd.

2.9 Niet in geschil is dat deze beoordeling in de onderhavige zaak analoog dient te worden toegepast. Tussen partijen is in geschil de vraag of met de vaststelling in het Aanwijzingsbesluit 1996 van geluidszones wel of geen verslechtering voor eiser is opgetreden ten aanzien van de situatie voordien. Te dien aanzien overweegt de rechtbank als volgt.

2.10 De rechtbank heeft eerder bij uitspraak van 8 juni 2006 (Awb 05-2682 en 05-2683) overwogen dat onder het Aanwijzingsbesluit uit 1962, dat geen geluidsgrenzen stelde, evenveel of zelfs meer geluidshinder mogelijk was dan onder het Aanwijzingsbesluit uit 1996 en dat het Aanwijzingsbesluit uit 1996 aan de (tot dan ongelimiteerde) geluidshinder thans grenzen stelt, zodat gezegd zou moeten worden dat de - theoretische, in de zin van qua mogelijkheden maximaal benutbare - situatie dus zelfs beter is, in elk geval niet slechter.

Deze overweging geldt ook in onderhavige zaak. Het feit dat deze uitspraak door de Afdeling is vernietigd onder verwijzing naar het gezag van gewijsde van de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2004 doet hieraan niet af. In de uitspraak van 27 oktober 2004 betrof het immers het preferentieel gebruik van de Kaagbaan en was doorslaggevend dat over dat specifieke gebruik nog geen besluit was genomen.

Vraag is vervolgens of het interimbeleid en het SBL 1981 kunnen afdoen aan bovengenoemde overweging. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

2.11 De rechtbank stelt vast dat het SBL 1981 noch het interimbeleid ten aanzien van de geluidsnormen bindende regels oplegde. Weliswaar werd een aanvang genomen om te komen tot definitieve geluidszonering, echter het interimbeleid behelsde "slechts" indicatieve geluidszones waarvan kon worden afgeweken (en ook daadwerkelijk is afgeweken). Aldus behelsde dit beleid geen beperkingen ten aanzien van de nog te verwachten geluidsbelasting. Dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2000 blijkt dat wel rekening moet worden gehouden met het interimbeleid, acht de rechtbank niet doorslaggevend nu deze uitspraak betrekking had op de goedkeuring van een bestemmingsplan. De vraag of woningbouw (in beginsel) in strijd met het interimbeleid moet worden toegestaan in geluidsbelaste gebieden is iets anders dan de vraag of bij dat interimbeleid daadwerkelijk geluidszones zijn vastgesteld.

2.12 Nu het bestreden besluit ook anderszins niet voor vernietiging in aanmerking komt, zal het beroep ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, voorzitter van de meervoudige kamer, en mrs. C.E. Heijning-Huydecoper en A.P.W. Duijkersloot, rechters, en op 31 mei 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. H.J. de Boer, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.