Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB0587

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
27-07-2007
Zaaknummer
06/10005
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ter zitting gedane bewijsaanbod afgeslagen, eiseres had reeds voldoende tijd gehad om standpunt te onderbouwen. Onvoldoende gegevens overgelegd om te kunnen bepalen of de kans dat de gecumuleerde rente opeisbaar wordt zodanig groot is dat het bedrag van de geldlening dat ten laste van de belastbare winst mag worden gebracht vastgesteld moet worden op meer dan 4,016% van het gepassiveerde bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1382
FutD 2007-1446
V-N 2007/54.2.3

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/10005 en 06/10006

Uitspraakdatum: 4 juli 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, gevestigd te Z, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres voor de jaren 2001 en 2002 aanslagen vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van -omgerekend- € 2.415 (2001) respectievelijk € 22.661 (2002). Gelijk met de aanslag over 2001 heeft verweerder aan eiseres een verzuimboete opgelegd van -omgerekend- € 113.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 10 augustus 2006 de aanslagen verminderd, berekend naar een belastbaar bedrag van -omgerekend- € 2.225 (2001) respectievelijk € 22.465 (2002). Eiseres heeft daartegen bij brief van 20 september 2006, ontvangen bij de rechtbank op 21 september 2006, beroep ingesteld.

1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2007 te Haarlem. Namens eiseres is verschenen A. Namens verweerder is verschenen B. Het onderzoek ter zitting is vervolgens gesloten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. De activiteiten van eiseres bestaan uit het adviseren van ondernemingen en het deelnemen in een vennootschap. Van de uitstaande aandelen in eiseres wordt 98,8% gehouden door A, directeur van eiseres.

2.2. Eiseres heeft op 16 februari 2000 een overeenkomst van geldlening gesloten met C, van welke vennootschap alle aandelen worden gehouden door D. Het bedrag van de lening, fl 10.000, heeft eiseres van C ontvangen. In de overeenkomst, waarin eiseres als partij 1 en C als leningverstrekker wordt aangegeven, komen onder meer de volgende bepalingen voor:

“2. Het bedrag van de lening verhoogd met de bijgeschreven rente en verminderd met de betalingen wordt door partij 1 (...) aan de leningverstrekker betaald op 31-12-2210.

3. De door partij 1 (...) te vergoeden rente bedraagt fl 80.000 (...) per jaar en wordt ieder jaar verhoogd met een bedrag van fl 1.000 (...). De rente over het eerste jaar bedraagt derhalve fl 80.000, over het tweede jaar fl 81.000, over het derde jaar fl 82.000, enzovoort. (...) De rente over het eerste jaar vervalt op de datum van ontvangst van het leningbedrag door partij 1 (...). De rente over het tweede jaar en volgende jaren vervalt steeds na 12 (...) maanden volgend op het vervallen van de rente over het voorafgaande jaar.

4. De vervallen jaarlijkse rente wordt (...) niet jaarlijks (...) betaald maar telkens bijgeschreven (...).

5. Het bedrag van de lening verhoogd met de bijgeschreven rente kan (...) niet tussentijds worden opgeëist met uitzondering van het tussentijds opeisen van de bijgeschreven rente in de gevallen hieronder in dit nummer 5 genoemd. De (...) tussentijdse opeising (...) is met uitsluiting van elk ander geval of elke andere grond of alle situaties hoe ook genoemd waarin partij 1 (...) op enig moment verkeert of komt te verkeren, alleen mogelijk indien

1. (...) de AEX-index of de opvolger van die index, over een kalenderjaar gemeten (...) een stijging 90% (...) of meer heeft doorgemaakt, of

2. op de postcode 1211 KK (...) of 1404 CN (...) of 1393 PW (...) een prijs valt in (...) Nationale Postcodeloterij, waarbij in dat geval geldt dat het bedrag (...) dat tussentijds kan worden opgeëist wordt beperkt tot het bedrag dat gemiddeld aan de winnaars met de postcode 1211 KK en 1404 CN en 1393 PW wordt uitbetaald.

In het geval van surséance van betaling, van faillissement van partij 1 (...) en in het geval dat door derden op enig vermogensbestanddeel van partij 1 (...) conservatoir of executoriaal beslag wordt gelegd is (...) tussentijdse opeising (...) niet mogelijk (...).”

2.3. Eiseres heeft in verband met hetzelfde materiele geschil bezwaar en beroep ingesteld tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2000. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij uitspraak van 22 juli 2005, nr. 04/00476 (AV0885), het beroep ongegrond verklaard. Eiseres is hiertegen in hoger beroep gegaan. De Hoge Raad bij arrest van 14 april 2006, nr. 42.547 (LJN AW1750), het beroep gegrond verklaard en de zaak zelf afgedaan, oordelend dat geen hoger bedrag dan 4,016 percent van het gepassiveerde bedrag als rentekosten in aanmerking mag worden genomen.

2.4. Eiseres heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting voor de jaren 2001 en 2002 fl 81.000 respectievelijk € 37.210 (˜ fl 82.000) opgenomen als kosten van schulden in verband met deze lening. Deze bedragen zijn bij het vaststellen van de aanslag niet in aftrek toegelaten. Bij beslissing op bezwaar is overeenkomstig evenbedoeld arrest van de Hoge Raad een bedrag aan rentekosten in aanmerking genomen

2.5. Bij de aanslagregeling en de beslissing op bezwaar is het belastbaar bedrag als volgt vastgesteld:

2001 2002

Aangegeven belastbaar bedrag fl -/- 75.677 € -/- 14.549

Bij: minder kosten van schulden 81.000 37.210

Af: rente van schulden (4,016%) -/- 419 -/- 196

Vastgesteld belastbaar bedrag fl 4.907 € 22.465

Tegen de over 2001 opgelegde verzuimboete zijn in bezwaar geen klachten aangevoerd. De verzuimboete is bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

3. Geschil

3.1. In geschil is of het bedrag dat ter zake van de kosten van de onder 2.2. genoemde geldlening ten laste van de belastbare winst mag worden gebracht moet worden gesteld op 4,016% van het gepassiveerde bedrag, zoals verweerder stelt, of op een hoger bedrag, zoals eiseres verdedigt.

3.2. Eiseres wijst, ter onderbouwing van haar standpunt, op de eerder genoemde uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam waarin onder meer werd overwogen:

“5.2.3. (...) De in nummer 5 van de overeenkomst opgenomen opeisbaarheid van geaccumuleerde rente in geval zich één of twee onzekere toekomstige gebeurtenissen voor doen, heeft in beginsel enig effect op de met waarschijnlijkheidsrekening bepaalbare totale werkelijke rente. Belanghebbende heeft dit effect echter niet gekwantificeerd noch argumenten voor het bepalen van de grootte ervan aangedragen. Het Hof is van oordeel dat dit effect verwaarloosbaar klein is. (...)“

Eiseres is van mening dat verweerder een te laag bedrag aan kosten van geldlening in aanmerking heeft genomen. Zij heeft aangekondigd het effect van de in nummer 5 van de overeenkomst opgenomen voorwaarde voor opeisbaarheid van geaccumuleerde rente in deze procedure te kwantificeren en argumenten aan te dragen voor het bepalen van de grootte ervan. Vooruitlopend daarop geeft eiseres de rechtbank in overweging om de afwijking van de aangifte ongedaan te maken, dan wel -subsidiair- de kosten van de geldlening en de balanswaardering van de schuld in goede justitie vast te tellen.

3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De rechtbank verwerpt de klacht dat de afwijking van de ingediende aangifte niet is gerechtvaardigd en wijst voor de onderbouwing van dit oordeel naar de overwegingen van de Hoge Raad in zijn eerder aangehaalde arrest van 14 april 2006, nr. 42.547 (LJN AW1750).

4.2. Eiseres stelt dat de kans dat er op de genoemde drie postcodes een prijs valt in de Nationale Postcode Loterij niet verwaarloosbaar klein is, zoals het gerechtshof in Amsterdam heeft overwogen in zijn uitspraak van 22 juli 2005. Eiseres heeft dit echter niet nader onderbouwd. Ook heeft eiseres zich niet uitgelaten over de hoegrootheid van deze kans en het effect daarvan op de waardering van de schuld per ultimo 2001 en 2002. Eiseres is gewezen op de mogelijkheid om tot tien dagen voor de zitting nadere stukken bij de rechtbank in te dienen, maar heeft dit niet gedaan.

4.3. Ter zitting heeft eiseres bewijs voor haar stellingen aangeboden. Zij stelt te hebben gezocht op het internet maar daar nog geen onderbouwing voor haar standpunt te hebben gevonden. Eiseres is voornemens bewijs aan te bieden in de vorm van een berekening waaruit het effect van de onder nummer 5 van de hiervoor geciteerde overeenkomst op de balanswaardering van de schuld zou moeten blijken. Hiertoe wil eiseres een statisticus raadplegen. Ter zitting was dat contact nog niet gelegd. Eiseres denkt 3 à 4 maanden nodig te hebben om dit bewijs te kunnen leveren. Ter zitting heeft eiseres aangegeven de gevolgen voor het belastbaar bedrag niet in te kunnen schatten, ook niet bij benadering.

4.4. Met betrekking tot het door eiseres ter zitting gedane bewijsaanbod overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres ruim de tijd gehad om nader bewijs voor haar stellingen te leveren. Immers, sinds de uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam van 22 juli 2005 heeft zij zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een verwaarloosbaar kleine kans, terwijl bekend was dat verweerder deze opvatting niet deelt. Alsdan mag bekend worden verondersteld dat het op de weg van eiseres ligt om een nadere onderbouwing voor haar standpunt te geven. Voorts is niet duidelijk tot welke gevolgen het standpunt van eiseres moet leiden, nu eiseres zelfs niet bij benadering heeft kunnen aangeven wat het effect is van de onder nummer 5 van de hiervoor geciteerde overeenkomst op de belastbare bedragen. Aldus heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan haar stelplicht. In dit verband acht de rechtbank de enkele stelling dat de kans niet verwaarloosbaar klein kan zijn omdat dan niemand aan de Postcodeloterij zal willen meedoen, onvoldoende. Deze redenen tezamen geven de rechtbank aanleiding het bewijsaanbod te passeren.

4.3. Wat de invloed is van de onder nummer 5 van de hiervoor geciteerde overeenkomst op de belastbare bedragen, is gesteld noch gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres onvoldoende gegevens aangedragen om de rechtbank in staat te stellen evenbedoelde invloed in goede justitie vast te stellen. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 4 juli 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J. Snitker, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C.J. Loggen - ten Hoopen, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.