Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB0446

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
08-05-2007
Datum publicatie
25-07-2007
Zaaknummer
132187/2007-429
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming ex art. 1:336a BW. BJA verzoekt toestemming om de verblijfplaats van de minderjarige te wijzigen. Deze verblijft sinds jaren haar oma.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM R

Sector Familie- en Jeugdrecht

Vervangende toestemming wijziging verblijfplaats voogdijpupil art. 1:336a lid 2

zaak-/rekestnr.: 132187/2007-429

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken d.d. 8 mei 2007

in de zaak van:

Stichting Bureau jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, team Opperdan,

gevestigd te Zaandam,

hierna mede te noemen: BJA,

--tegen--

[naam],

wonende te [plaats],

hierna mede te noemen: de pleegmoeder,

procureur mr. M.J. van der Staaij.

1 Verloop van de procedure

1.1 Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:

- het op 5 februari 2007 ter griffie van deze rechtbank ontvangen verzoekschrift met bijlagen van BJA;

- het op 28 maart 2007 ter griffie van deze rechtbank ontvangen verweerschrift met bijlagen van de pleegmoeder;

- de op 29 maart 2007 ontvangen brief met bijlagen van BJA de op 30 maart 2007 ontvangen brief met bijlagen van BJA, en het verhandelde ter terechtzitting op 2 april 2007.

Hierbij zijn verschenen en gehoord: de moeder, de pleegmoeder, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. M.J. van der Staaij en BJA, vertegenwoordigd door de heer F. Vogelaar, voogd en mevrouw M. Laan, werkbegeleider bij BJA;

1.2 Na te melden minderjarige is in raadkamer gehoord.

2 De vaststaande feiten

In deze zaak kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1 De minderjarige [naam kind] is op [datum] 1995 te [plaats] geboren uit de relatie van [naam moeder] en de inmiddels overleden [naam vader].

2.2 Bij beschikking van deze rechtbank van 15 december 1998 is de moeder ontheven van het gezag over de minderjarige en is de Werkstichting Jeugdbescherming van de Stichting Bureau jeugdzorg Amsterdam, team Opperdan benoemd tot voogdes over de minderjarige.

2.3 Op 1 juli 1997 is de minderjarige -officieel- geplaatst in het pleeggezin van mevrouw [naam pleegmoeder]. [naam pleegmoeder] is de oma van [naam kind].

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1 Het verzoek van BJA strekt tot het verkrijgen van vervangende toestemming ex artikel 1:336a lid 2 BW, om de verblijfplaats van [naam kind] te wijzigen. BJA voert daartoe aan dat het in het belang van de geestelijke gesteldheid van de minderjarige is dat zij op een neutrale woon- of verblijfplaats wordt geplaatst, waarbij wordt gedacht aan een accommodatie van een zorgaanbieder voor dag en nacht of deeltijd.

3.2 BJA is van mening dat er op dit moment geen zicht is op de huidige ontwikkeling van [naam kind]. BJA voert daartoe aan dat de samenwerking tussen de instelling tot pleegzorgbegeleiding Spirit (hierna Spirit) en de pleegmoeder sinds 2005 zeer moeizaam verloopt. In juli 2006 is in samenspraak met de pleegmoeder opnieuw een pleegouderbegeleidingsplan opgesteld. In december 2006 is door de pleegzorg geconstateerd dat geen van de in juli 2006 overeengekomen afspraken tot stand zijn gekomen omdat de pleegmoeder deze niet heeft uitgevoerd. Op 13 december 2006 heeft Spirit besloten de begeleiding aan pleegmoeder te beëindigen.

3.3 De moeder stemt in met de plaatsing van [naam kind] buiten het gezin van de pleegmoeder. Zij meent dat die plek geen goede plek is voor [naam kind] om op te groeien, omdat zij niet wil dat [naam kind] meemaakt wat zijzelf heeft meegemaakt. Volgens de moeder drinkt haar moeder te veel, laat zij [naam kind] te veel aan haar lot over en belemmert zij het contact van haar met [naam kind].

4 Het verweer

De pleegmoeder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. Beoordeling

5.1 De pleegmoeder heeft ter zitting erkend dat BJA als voogd zicht moet hebben op de ontwikkeling van [naam kind] en dat zij niet goed heeft meegewerkt aan de afspraken die in juli 2006 in samenspraak met haar in het pleegouderbegeleidingsplan zijn opgesteld. Zij wijt haar houding aan de wijziging van de voogd en de pleegzorgwerker in 2005. Tot die tijd was de samenwerking met de instellingen BJA en Spirit volgens de pleegmoeder wel positief verlopen. Door communicatieproblemen en de druk die zij van de nieuwe begeleiders voelde, o.a. door de pogingen het contact tussen [naam kind] en haar biologische moeder te herstellen, is haar vertrouwen in deze instellingen verminderd en heeft zij zich steeds meer op zichzelf teruggetrokken, hetgeen uiteindelijk tot de beëindiging van de begeleiding van de pleegmoeder door Spirit heeft geleid. Zij heeft ter zitting benadrukt dat zij [naam kind] belang voorop stelt en in dat kader de samenwerking met BJA en pleegzorg zonder meer op prijs stelt. Zij verklaart uitdrukkelijk dat zij de regels en aanwijzingen van deze instellingen wil opvolgen en wil blijven opvolgen. Dat geldt ook voor een eventueel verder contactherstel tussen [naam kind] en haar moeder dan wel een eventueel onderzoek van [naam kind].

5.2 Ter zitting is de bijzonder positie die de pleegmoeder ten opzichte van [naam kind] heeft, nu [naam kind] vrijwel haar hele leven door de pleegmoeder is opgevoed en haar ook ‘moeder’. noemt, aan de orde geweest. De situatie is hierdoor als het ware vergelijkbaar met een uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling. Toewijzing van het verzoek van BJA kan alleen plaatsvinden als dit in het belang van [naam kind] is. Gegeven voormelde jarenlange opvoedings- en verzorgingsrelatie tussen [naam kind] en de pleegmoeder is plaatsing van [naam kind] op een neutrale plaats een zeer ingrijpende beslissing voor de minderjarige. Daarbij komt dat [naam kind] zelf nadrukkelijk de wens heeft geuit bij de pleegmoeder te willen blijven. Op school functioneert [naam kind] goed en ook anderszins zijn er geen concrete zorgen over [naam kind] gedrag. Wel is er een gecompliceerde verhouding tussen pleegmoeder en de moeder en is er verschil van inzicht tussen de pleegmoeder en BJA over de termijn en de wijze waarop gewerkt moet worden aan contactherstel tussen de moeder en [naam kind], hetgeen tot loyaliteitsproblemen bij [naam kind] zou kunnen leiden. Pleegmoeder heeft geen medewerking willen verlenen aan het door BJA noodzakelijk geachte psychologisch onderzoek van [naam kind], terwijl BJA mede vanwege de afhoudende opstelling van de pleegmoeder in het toelaten van contact tussen [naam kind] enerzijds en BJA en pleegzorgwerker anderzijds, met een dergelijk onderzoek meer zicht wilde krijgen op de ontwikkeling van [naam kind] en ook op de mogelijkheid en wenselijkheid van contactherstel met haar moeder.

5.3 Partijen hebben er uiteindelijk ter zitting mee ingestemd om de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) te vragen een onderzoek in te stellen naar de vraag of plaatsing van [naam kind] buiten het gezin van de pleegmoeder op een neutrale plaats in haar belang moet worden geacht. Gekozen is voor een op verzoek van de rechtbank te verrichten Raadsonderzoek omdat de Raad door zowel de pleegmoeder als BJZ als een objectieve en neutrale instelling wordt gezien. Indien de Raad vanuit deze neutrale positie ter beantwoording van voormelde vraag een psychologisch dan wel psychodiagnostisch onderzoek noodzakelijk acht door een externe instantie staat dat de Raad vanzelfsprekend vrij.

Indien de Raad op basis van het onderzoek tot de conclusie komt dat het niet in het belang van [naam kind] is dat zij buiten het gezin van de pleegmoeder op een neutrale plaats wordt geplaatst en derhalve bij de pleegmoeder blijft wonen, wordt, gelet op hetgeen de pleegmoeder onder punt 25 van haar verweerschrift vermeldt, aan de Raad tevens verzocht te onderzoeken of het in het belang van [naam kind] is de pleegmoeder in plaats van BJA tot voogd over de minderjarige te benoemen.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek in te stellen en de rechtbank te adviseren omtrent de vraag:

- Is plaatsing van de minderjarige buiten het gezin van de pleegmoeder op een neutrale plaats, zoals bedoeld door BJA, in het belang van [naam kind];

en indien plaatsing van de minderjarige buiten het gezin van de pleegmoeder niet in het belang van [naam kind] is:

- Is het in het belang van [naam kind] dat de pleegmoeder in plaats van BJA tot voogd over de minderjarige wordt benoemd.

6.2 Houdt de behandeling van de zaak aan tot 3 september 2007 pro forma.

6.3 Verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming de rechtbank schriftelijk te berichten omtrent de stand van zaken en aan te geven wanneer het onderzoek afgerond zal zijn en het rapport aan de rechtbank zal worden verzonden.

6.4 Bepaalt dat het schriftelijk bericht uiterlijk op 27 augustus 2007 door de rechtbank ontvangen dient te zijn.

6.5 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Kok en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 8 mei 2007, in tegenwoordigheid van M.P. Joukes als griffier.