Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB0421

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
25-07-2007
Zaaknummer
127642/06-2881
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is, anders dan de vrouw, van oordeel dat, gelet op ieders draagkrachtruimte en rekening houdende met de mate waarin de man omgang heeft met de kinderen van partijen, een verdeling, waarbij de helft van de kosten bij de man komen en de andere helft voor rekening van de vrouw en haar huidige echtgenoot, redelijk is. Gebleken is dat de zorg voor [kind 3] ongeveer bij helfte wordt gedeeld tussen de man en de vrouw. Vaststaat dat de vrouw de kinderbijslag voor [kind 3] ontvangt. Voorts hebben zowel de man als de vrouw gesteld dat zij kosten voor [kind 3] maken. De rechtbank acht het redelijk om het aandeel van de man en de vrouw voor de kosten van [kind 3] voor beiden gelijk te stellen, waarbij in aanmerking is genomen dat de vrouw de kinderbijslag voor [kind 3] ontvangt. De man is derhalve geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 3] aan de vrouw verschuldigd. Uitgaande van een totale behoefte van [kind 1] en [kind 2] van € 664,-- bedraagt het aandeel van de man in deze kosten totaal € 332,--, hetgeen € 166,-- per kind is.

Gelet op bovenvermelde gegevens van de man en de fiscale aspecten in aanmerking nemende, is de rechtbank van oordeel dat de man in staat is voornoemde bijdrage in de opvoeding en verzorging van [kind 1] en [kind 2] van € 166,-- per maand per kind te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie- en Jeugdrecht

alimentatie

zaak-/rekestnr.: 127642/06-2881

beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken d.d. 5 juni 2007

in de zaak van:

[naam vrouw],

wonende te Haarlem,

hierna mede te noemen: de vrouw,

procureur mr. T.A. Bruins,

-- tegen --

[naam man]

wonende te Haarlem,

hierna mede te noemen: de man,

procureur mr. V.J.M.H.Y. van Haaster.

1 De loop van de procedure

Voor de loop van het geding verwijst de rechtbank naar:

- het op 1 september 2006 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift van de vrouw met bijlagen;

- het op 30 oktober 2006 ingekomen verweerschrift van de man met bijlagen;

- de op 5 maart 2007 ontvangen brief van de procureur van de vrouw met bijlagen;

- de op 5 maart 2007 ontvangen brief van de procureur van de man met bijlagen;

- de op 6 maart 2007 ontvangen brief van de procureur van de vrouw met bijlagen;

- het verhandelde ter terechtzitting op 15 maart 2007 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun raadslieden;

- de op 16 maart 2007 ontvangen brief met daarbij de jaaropgave 2006 van de procureur van de man. Op de daarbij tevens overgelegde balans per 31 december 2002 zal de rechtbank geen acht slaan, nu daarom door de rechtbank niet is verzocht.

2 Feiten en omstandigheden

Uit de stukken en bij het verhoor van partijen is onder meer het volgende gebleken.

2.1 Partijen zijn op [datum] 1988 met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [datum] 2002 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank d.d. [datum] 2002.

2.2 Het gezamenlijk gezag over de minderjarigen [achternaam]:

- [naam kind 1], geboren op [datum] 1989 te [plaats];

- [naam kind 2], geboren op [datum] 1992 te [plaats];

- [naam kind 3], geboren op [datum] 1998 te [plaats].

is na de echtscheiding in stand gebleven.

2.3 Partijen zijn bij convenant, opgesteld en ondertekend medio juni 2002, het volgende overeengekomen:

1.4 Ook met betrekking tot de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen hebben partijen voor 2002 de hierna sub 1.6 omschreven afspraak gemaakt. Partijen hebben afgesproken in januari 2003 naar aanleiding van de omzetcijfers van de door de man geëxploiteerde BV te zullen evalueren of de afgesproken bijdragen correctie behoeven. De afgesproken bijdragen zijn gebaseerd op een netto-inkomen per maand van eur 2.500,= van de man en van eur 800,= van de vrouw.

1.5 Partijen zullen aan de SVB verzoeken de uit te betalen kinderbijslag over te maken naar de door de man te openen kinderrekening.

1.6 Met ingang van 1 augustus 2002 zal de man met eur 600,= per maand en de vrouw met eur 200,= per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, bijdragen in de kosten van de kinderen door storting op de daartoe te openen gezamenlijke kinderrekening. Ieder der partijen zal de beschikking krijgen over een bankpasje van deze rekening. De rekeningafschriften zullen naar de vrouw worden verstuurd. Op zijn verzoek zullen de originele rekeningafschriften aan de man ter hand worden gesteld, waarna hij die rekeningafschriften binnen veertien zal teruggeven.

Van de kinderrekening zullen de kosten voor de kinderen worden voldaan, zowel de kosten van hun levensonderhoud als de basisvoorzieningen zoals school, studie en boekengeld, abonnementen, kosten van verenigingen, een nader af te spreken kleedgeld, zakgeld en dergelijke.

2.4 De man is geboren op [datum]1957. Hij woont sinds maart 2004 samen met een nieuwe partner en haar twee minderjarige kinderen uit een vorige relatie.

2.5 De vrouw is geboren op [datum] 1958. Zij is sinds mei 2004 gehuwd met de heer

[naam partner].

2.6 De voornoemde minderjarige kinderen van partijen zijn woonachtig bij de vrouw. Bij beschikking van 14 maart 2006 van deze rechtbank is een omgangsregeling tussen de man en de kinderen vastgesteld van de ene week van donderdagmiddag na school tot maandagochtend en de andere week van donderdagmiddag na school tot zaterdagochtend. De rechtbank heeft hierbij opgemerkt dat deze aanvullende regeling voornamelijk bedoeld is voor het jongste kind en dat de twee oudsten van deze uitbreiding kunnen afwijken in overleg met de ouders.

3 Verzoek

De vrouw verzoekt vaststelling van een door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen te stellen met ingang van 1 januari 2006 op € 300,-- per kind per maand. De regeling zoals deze met betrekking tot de kosten van de kinderen was opgenomen in het convenant, leidt tot de nodige problemen tussen partijen. Vanaf 1 januari 2006 is de man geheel gestopt met betalen van de bijdragen op de kinderrekening.

Voorts verzoekt de vrouw te bepalen dat de man een bedrag van € 7.065,-- aan haar zal betalen, omdat hij over de periode 1 augustus 2004 tot 1 januari 2006 in strijd met het convenant zijn bijdrage heeft verminderd.

4 Verweer

De man heeft het verzoek gemotiveerd bestreden. De man is bereid om voor [kind 1] en [kind 2] een bedrag van € 300,-- per maand te betalen. Nu voor [kind 3] een (nagenoeg) co-ouderschap geldt tussen partijen en de vrouw de kinderbijslag ontvangt voor [kind 3], stelt de man dat hij voor hem geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding dient te voldoen aan de vrouw.

De man voert voorts aan dat de vrouw in haar vordering met betrekking tot de betalingsachterstand niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu deze vordering dient te worden ingeleid met een dagvaarding.

5 Beoordeling

5.1 behoefte van de kinderen.

De man stelt dat de behoefte van de drie kinderen in totaal op € 900,-- moet worden gesteld. De vrouw heeft dit betwist. Zij is in haar berekening van de behoefte van de kinderen uitgegaan van de huidige gezamenlijke inkomens van partijen. De hoogte van de behoefte van de kinderen wordt, volgens de Tremanormen, gerelateerd aan het netto besteedbaar gezinsinkomen gedurende het huwelijk van partijen en niet gerelateerd aan de huidige gezamenlijke inkomens van partijen. Dit kan alleen anders zijn indien het inkomen van de niet-verzorgende ouder het voormalige gezinsinkomen overstijgt, maar daarvan is in casu niet gebleken. De rechtbank zal derhalve uitgaan van de inkomensgegevens, die zijn neergelegd in het echtscheidingsconvenant van partijen en stelt de hoogte van de behoefte van de drie kinderen op basis hiervan, met inachtneming van de wettelijke indexering, vast op in totaal € 995,-- per maand, derhalve ca. € 332,-- per kind per maand.

5.2 Volgens artikel 1:397 BW dient in het geval er meerdere onderhoudsplichtige bloed- of aanverwanten zijn, ieder van hen een deel van het bedrag dat de onderhoudsgerechtigden behoeven, te voldoen. Vast staat dat de huidige echtgenoot van de vrouw een wettelijke onderhoudsplicht heeft ten opzichte van de kinderen van partijen. Welke deel ieder van de in casu drie onderhoudsplichtigen dient bij te dragen, hangt af van ieders draagkracht en de verhouding van elk van de onderhoudsplichtigen tot de onderhoudsgerechtigden. Derhalve ligt thans de vraag voor in welke verhouding de vrouw en haar echtgenoot enerzijds en de man anderzijds dienen bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de minderjarigen.

De draagkracht van de man

Aan de zijde van de man is rekening gehouden met de volgende gegevens:

- hij is geboren op[datum]1957;

- de algemene heffingskorting en de arbeidskorting zijn op hem van toepassing;

- de omgangskosten bedragen € 150,-- per maand.

- de woonlasten van de door hem en zijn partner bewoonde woning bedragen € 937,50 per maand aan hypotheekrente en daarnaast de forfaitaire eigenaarslasten van

€ 95,-- per maand.

Met betrekking tot de man is gebleken dat hij een eigen B.V. heeft waarin zijn partner werkzaam is, in die zin dat blijkens de aangifte IB 2005 deze partner een bruto jaarinkomen van deze B.V. ontvangt van € 5.729,-- en volgens de jaaropgave 2006 € 6.300,-- bruto. De man ontvangt blijkens de aangifte IB 2005 een salaris uit de B.V. van € 42.652,-- bruto per jaar.

De vrouw stelt dat de partner van de man in haar eigen levensonderhoud kan voorzien of in ieder geval meer zou kunnen werken dan zij thans doet en daarmee de helft van de woonlasten voor haar rekening kan nemen.

De rechtbank is van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat van zijn partner niet kan worden verwacht dat zij geheel in haar eigen levensonderhoud voorziet, nu zij van [land] afkomst is en haar diploma’s in Nederland niet gelden. Derhalve gaat de rechtbank uit van het inkomen dat zij thans verdient van ca. € 6.300,-- bruto per jaar. Dit inkomen zal bij het inkomen van de man worden opgeteld. Gelet hierop zullen de woonlasten voor het gehele bedrag worden meegenomen en gaat de rechtbank ervan uit dat de man en zijn partner in aanmerking komen voor de aan de twee kinderen van de partner gerelateerde heffingskortingen. Voorts zal de gezinsnorm en het daarbij horende draagkrachtpercentage worden toegepast.

De vrouw stelt dat de man zichzelf een hoger salaris kan toekennen dan wel dat bij zijn inkomen een bedrag van ca. € 10.000,-- dient te worden opgeteld, omdat het resultaat voor belasting van de onderneming in 2005 € 18.445,11 bedraagt en de man er zelf voor kiest deze winst aan het eigen vermogen van de onderneming toe te voegen. Ten aanzien van het inkomen van de man gaat rechtbank uit van het bruto jaarinkomen blijkens de aangifte IB 2005 van € 42.652,--.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een hoger salaris toe te rekenen aan de man , nu uit de overgelegde stukken is gebleken dat het eigen vermogen van de onderneming negatief is.

De rechtbank houdt geen rekening met inkomen uit box III aan de zijde van de man, zoals door de vrouw is gesteld. Daartoe is redengevend dat de man ter zitting gemotiveerd en met de aangiften IB 2003, 2004 en 2005 onderbouwd heeft aangetoond dat het inkomen uit box III over 2003 afkomstig was uit de verkoop van de echtelijke woning van partijen en dat inmiddels dit bedrag is aangewend voor de koop van een andere woning. Voor de door de vrouw overgelegde aangifte IB 2003 blijkt dat zij is eveneens over dat jaar aangifte in box III heeft gedaan ter zake van inkomen uit verkoop van de woning.

De draagkracht van de vrouw

Aan de zijde van de vrouw is rekening gehouden met de volgende gegevens:

- zij is geboren op [datum] 1958;

- de gezinsnorm is van toepassing, alsmede de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de diverse aan de kinderen gerelateerde heffingskortingen;

- zij heeft een inkomen van € 1.743,05 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag;

- de premie zorgverzekering bedraagt € 132,90 en de inkomensafhankelijke bijdrage bedraagt € 162,58.

- Haar woonlasten bedragen € 576,92 aan hypotheekrente. Zij betaalt € 28,-- per maand aan premie levensverzekering;

Aan de zijde van de stiefvader, [naam], is rekening gehouden met de volgende gegevens:

- hij is geboren op [datum] 1956;

- de gezinsnorm is van toepassing alsmede de algemene heffingskorting en de arbeidskorting;

- hij heeft een inkomen van € 3.955,-- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag;

- zijn premie zorgverzekering bedraagt € 116,35 en de inkomensafhankelijke bijdrage bedraagt € 162,83;

- hij betaalt aan kinderalimentatie € 350,-- per maand;

De vrouw heeft aannemelijk gemaakt dat de heer [naam] ca. € 150,-- per maand aan kosten heeft in verband met omgang met zijn kinderen.

De rechtbank is, anders dan de vrouw, van oordeel dat, gelet op ieders draagkrachtruimte en rekening houdende met de mate waarin de man omgang heeft met de kinderen van partijen, een verdeling, waarbij de helft van de kosten bij de man komen en de andere helft voor rekening van de vrouw en haar huidige echtgenoot, redelijk is. Gebleken is dat de zorg voor [kind 3] ongeveer bij helfte wordt gedeeld tussen de man en de vrouw. Vaststaat dat de vrouw de kinderbijslag voor [kind 3] ontvangt. Voorts hebben zowel de man als de vrouw gesteld dat zij kosten voor [kind 3] maken. De rechtbank acht het redelijk om het aandeel van de man en de vrouw voor de kosten van [kind 3] voor beiden gelijk te stellen, waarbij in aanmerking is genomen dat de vrouw de kinderbijslag voor [kind 3] ontvangt. De man is derhalve geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 3] aan de vrouw verschuldigd. Uitgaande van een totale behoefte van [kind 1] en [kind 2] van € 664,-- bedraagt het aandeel van de man in deze kosten totaal € 332,--, hetgeen € 166,-- per kind is.

Gelet op bovenvermelde gegevens van de man en de fiscale aspecten in aanmerking nemende, is de rechtbank van oordeel dat de man in staat is voornoemde bijdrage in de opvoeding en verzorging van [kind 1] en [kind 2] van € 166,-- per maand per kind te betalen.

Aan het geschil omtrent de betaling van de man in de periode van 1 augustus 2004 tot 1 januari 2006 gaat de rechtbank voorbij, nu een dergelijk geschil buiten het bestek van deze procedure valt en bij dagvaarding moet worden ingeleid. De vrouw verzoekt immers nakoming van het echtscheidingsconvenant. Niet betwist is dat de man vanaf 1 februari 2006 de bijdragen voor de verzorging en de opvoeding van de kinderen op een afzonderlijke rekening heeft gestort en dat deze bedragen niet aan de vrouw zijn overgemaakt. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de ingangsdatum te bepalen op 1 februari 2006.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Bepaalt dat de man met ingang van 1 februari 2006 aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [naam]:

- [kind 1], geboren op [datum] 1989 te [plaats];

- [kind 2]l, geboren op [datum] 1992 te [plaats];

zal betalen € 166,-- per maand per kind, voor wat betreft toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

6.2 De hiervoor vastgestelde bijdrage wordt jaarlijks van rechtswege gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.

6.3 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.4 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.A. Coyajee-Kappers, als voorzitter en mrs. R.M. Flohil en J.G. Kok, als leden van deze kamer en in het openbaar uitgesproken van 5 juni 2007 in tegenwoordigheid van mr. J.E. Lee als griffier.