Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB0182

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-07-2007
Datum publicatie
23-07-2007
Zaaknummer
340784/AL VERZ 07-1091
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging gezag over minderjarige kinderen. Partijen hebben met hun kinderen samengewoond en zijn niet gehuwd geweest. Moeder heeft van rechtswege gezag. De huidige omgangsregeling loopt al een aantal jaren goed. De kinderen verblijven ongeveer de helft van de week bij ieder van de ouders. In feite verschilt de situatie van partijen niet van die van gewezen echtelieden en zou in beginsel gezamenlijk ouderlijk gezag mogelijk moeten zijn. Vader is wel ontvankelijk in zijn verzoek om gezamenlijk ouderlijk gezag. Verzoek tot wijziging wordt niettemin afgewezen, omdat niet gebleken is dat deze wijziging in het belang van de kinderen zou zijn, hoewel de omgangsregeling kennelijk goed verloopt. Partijen zijn het eens over de omgangsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 340784/AL VERZ 07-1091

datum uitspraak: 20 juli 2007

BESCHIKKING VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[verzoeker]

te [woonplaats]

verzoeker

hierna te noemen: de vader

gemachtigde mr. M.C. Kelderman

tegen

[verweerster]

te [woonplaats]

verweerster

hierna te noemen: de moeder

gemachtigde mr. P. van de Kolk

De procedure

Voor de loop van het geding verwijst de kantonrechter naar de volgende stuk-ken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd is te beschouwen:

- het verzoekschrift, met producties,

- het verweerschrift, met producties,

- de aantekeningen van de griffier van de op 18 april 2007 aangevangen en op 20 juni 2007 voortgezette mondelinge behandeling.

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweerspro-ken inhoud van de overgelegde producties, staat tussen partij-en het volgende vast:

a. Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie op 4 februari 1998 hun minderjarige zoon [AAA] en op 17 maart 2000 hun minderjarige zoon [BBB] is geboren.

b. De vader heeft beide minderjarige kinderen erkend.

c. De moeder oefent van rechtswege het gezag over de beide minderjarige kinderen uit.

d. Partijen hebben gedurende ongeveer 8 jaar samengewoond. Eind 2003 zijn partijen uit elkaar gegaan.

e. Sedert partijen niet meer samenwonen, verblijven de minderjarige kinderen in het kader van de door partijen overeengekomen omgangsregeling van zaterdagavond 17.00 uur tot woensdagochtend bij de vader en voor de rest van de week bij de moeder.

Het verzoek

De vader verzoekt de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. wijziging van het ouderlijk gezag in die zin dat bepaald wordt dat de vader samen met de moeder het ouderlijk gezag verkrijgt over de minderjarige kinderen;

b. vaststelling van de omgangsregeling tussen de vader de minderjarige kinderen.

De vader heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat het in het belang van de minderjari-gen is dat hij gezamenlijk met de moeder het gezag over beide kinderen uitoefent.

Het verweer

De moeder heeft het verzoek gemotiveerd weersproken. Op het verweer zal, voor zover relevant, bij de beoordeling van het verzoek nader worden ingegaan.

De beoordeling van het verzoek

Het verzoek om wijziging van het ouderlijk gezag

De eerste vraag die moet worden beantwoord is of de vader in zijn verzoek kan worden ontvangen. Aan de orde is daarbij of de in art. 1:252 BW besloten liggende regel dat de rechter het gezamenlijk gezag over een kind van ouders die niet met elkaar gehuwd zijn (geweest) en die nimmer het gezag over hun kind gezamenlijk hebben uitgeoefend, slechts op gezamenlijk verzoek van de ouders en niet enkel op verzoek van de vader kan toekennen, een ongeoorloofde beperking is van het door art. 6 lid 1 EVRM aan de vader gegarandeerde recht op toegang tot de rechter ter vaststelling van zijn aan art. 8 lid 1 EVRM ontleende aanspraak op bescherming van zijn recht op "the exercise of parental rights". Die vraag moet bevestigend worden beantwoord. Nu de vader het kind heeft erkend en partijen ook geruime tijd met elkaar en de kinderen hebben samengewoond, bestaat tussen hen beiden een band die als familie- en gezinsleven in de zin van art. 8 lid 1 EVRM kan worden aangemerkt. Een "fundamental element" van het familie- en gezinsleven van ouder en kind wordt gevormd door "the exercise of parental rights", ook indien sprake is van een "natural family", zoals in het onderhavige geval. De vader ontleent aan art. 8 lid 1 EVRM een aanspraak op bescherming van zijn recht op "the exercise of parental rights", welk recht tevens is te beschouwen als een burgerlijk recht in de zin van art. 6 lid 1 EVRM, zodat dit artikellid de vader eveneens het recht op toegang tot de rechter garandeert ter vaststelling van dat recht. Voor de in art. 1:252 BW besloten liggende beperking van dat recht op toegang tot de rechter doordat het gezamenlijk gezag slechts door beide ouders kan worden verzocht, bestaat onvoldoende grond. De vader moet ten minste aan de rechter de vraag kunnen voorleggen of grond bestaat tot wijziging van het eenhoofdige gezag van de moeder in gezamenlijk gezag. Indien het recht op eerbiediging van het "family life" van de moeder of het kind of hun belangen zich tegen een dergelijke wijziging verzetten, kan dit leiden tot afwijzing van het verzoek, maar die mogelijkheid kan niet rechtvaardigen dat door niet-ontvankelijkverklaring van de vader in zijn verzoek hem het recht op toegang tot de rechter wordt ontnomen.

De vader kan daarom in zijn verzoek tot wijziging van het gezag worden ontvangen.

Vervolgens moet worden beoordeeld of het verzoek kan worden toegewezen.

Tussen partijen staat vast dat zij een aantal jaren samen hun minderjarige kinderen hebben verzorgd en dat de omgangsregeling reeds een aantal jaren zonder problemen verloopt, met dien verstande dat partijen bij het halen en brengen van de kinderen nauwelijks of geen contact met elkaar hebben.

De situatie waarin partijen verkeren, verschilt in wezen niet van de situatie van ouders die met elkaar gehuwd zijn geweest en die op grond van de wet het gezag gezamenlijk blijven uitoefenen. Ook in die gevallen is veelal sprake van ouders die niet optimaal met elkaar communiceren. Niettemin is dat kennelijk geen beletsel om het gezamenlijke ouderlijke gezag te handhaven.

Om die reden is de kantonrechter van oordeel dat ook de gebrekkige communicatie tussen partijen in beginsel geen beletsel behoort te vormen voor een gezamenlijke uitoefening van het ouderlijke gezag, tenzij dit niet in het belang zou zijn van de minderjarige kinderen.

De moeder heeft zich erop beroepen dat het in het verleden niet is gelukt de vader te betrekken bij de hulpverlening door het bureau Jeugdzorg aan de minderjarige [AAA]. Dit wordt bevestigd in de door de moeder in het geding gebrachte producties. Door de vader zijn hiertegenover te weinig feiten en/of omstandigheden aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat dit beroep van de moeder niet terecht zou zijn. Hoewel de vader dus wel voldoende betrokken is bij de kinderen door hen in het kader van de omgangsregeling een gedeelte van de week te verzorgen, is dit naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende basis om reeds thans de ouders met het gezamenlijke gezag te belasten.

Bovendien heeft de vader onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het belang van de kinderen beter zou worden gediend door een gezamenlijk ouderlijk gezag dan door voortzetting van de huidige situatie.

Op grond van het vorenstaande zal het verzoek van de vader strekkende tot wijziging van het ouderlijk gezag worden afgewezen.

Het verzoek om een omgangsregeling

Partijen hebben overeenstemming bereikt over de omgangsregeling. Deze zal daarom conform die overeenstemming worden vastgelegd zoals hieronder zal worden vermeld.

Beslissing

De kantonrechter:

Bepaalt dat de voornoemde minderjarige kinderen van partijen bij de vader zullen verblijven van zaterdagavond 17.00 uur tot woensdagochtend, alsmede de helft van de vakanties, waarbij in de oneven jaren de minderjarige kinderen in de tweede helft van elke vakantie bij de vader zullen zijn en in de even jaren in de eerste helft van elke vakantie bij de vader zullen zijn, waarbij voorts voor elke omgang de vader de minderjarige kinderen ophaalt bij de moeder en de moeder de minderjarige kinderen na afloop van de omgang weer bij de vader ophaalt.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.