Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB0179

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-07-2007
Datum publicatie
23-07-2007
Zaaknummer
06/2287
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Nu eiser Nederland metterwoon heeft verlaten, binnen 1 jaar weer is teruggekeerd en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gedurende deze periode in een andere mogendheid heeft gewoond, wordt hij geacht gedurende deze periode in Nederland te hebben gewoond. De bewijslast dat eiser gedurende de periode in geding in een andere mogendhied heeft gewoond rust, bij betwisting door verweerder, op eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1397
FutD 2007-1410

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2287

Uitspraakdatum: 20 juli 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft eiser voor het jaar 2002 aangemerkt als binnenlandse belastingplichtige en aan eiser voor dat jaar een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv), gedagtekend 5 november 2004, opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 164.263.

Eiser heeft bij brief van 10 december 2004, door verweerder ontvangen op 17 december 2004, tegen de aanslag een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 december 2005 het bezwaar van eiser gegrond verklaard, het belastbaar inkomen uit werk en woning gehandhaafd en de aanslag verlaagd. Daartegen is door eiser een beroepschrift ingediend dat door de rechtbank op 13 januari 2006 is ontvangen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Met goedkeuring van de rechtbank heeft eiser een conclusie van repliek ingediend en verweerder een conclusie van dupliek.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2007 te Haarlem. Eiser is daarbij niet verschenen. Zijn gemachtigde, A van B Fiscaal & Financieel Adviseurs te Q, heeft per faxbericht van 29 mei 2007 aan de rechtbank laten weten niet aanwezig te zullen zijn ter zitting. Namens verweerder is verschenen C.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiser is gehuwd en was in 2001 en 2002 werkzaam voor D B.V. te R (hierna: D). Hij werd door D regelmatig uitgezonden naar projecten in het buitenland.

2.2. Op 21 april 2001 werd eiser uitgezonden naar een project in S. Zijn echtgenote bleef in Nederland in de eigen woning aan de a-weg 1 te T. Op 14 juli 2001 werd eiser opnieuw uitgezonden naar S, daarbij vergezeld door zijn echtgenote. Eiser en zijn echtgenote lieten zich uitschrijven uit de gemeentelijke Basisadministratie (GBA) van T per 1 juli 2001, maar zijn daadwerkelijk op 17 juli 2002 uit Nederland vertrokken.

2.3. Op 28 juni 2002 keerden eiser en zijn echtgenote terug uit S en lieten zich (weer) inschrijven in de GBA van T per 12 juli 2002. Eiser en zijn echtgenote betrokken voornoemde woning te T. In de periode van 7 juli 2001 tot 7 juli 2002 werd deze woning verhuurd.

2.4. Van 30 juli 2002 tot 17 augustus 2002 is eiser uitgezonden geweest naar een project in U. Zijn echtgenote vergezelde hem daarbij niet en bleef woonachtig in de woning te T. Eiser en zijn echtgenote lieten zich op 13 augustus 2002 (weer) uitschrijven uit de GBA van T. Van 17 augustus 2002 tot 13 november 2002 verbleven eiser en zijn echtgenote in Nederland. Op 13 november 2002 werd eiser met ingang van die datum uitgezonden naar een project in V, vergezeld door zijn echtgenote. Zij keerden terug uit V op 3 augustus 2004 en lieten zich toen inschrijven in de Gemeente W. In augustus 2002 heeft eiser de woning te T te koop gezet.

2.5. Op 2 juni 2003 heeft verweerder aan eiser een aangiftebiljet over 2002 uitgereikt en verstuurd naar het adres a-weg 1 te T. Op 12 juni 2003 heeft eiser het aangiftebiljet ingevuld geretourneerd. Op het voorblad van het aangiftebiljet heeft hij zijn telefoonnummer te V vermeld. Eiser heeft uitsluitend het in Nederland genoten salaris ten bedrage van € 20.157, waarop loonheffing is ingehouden, aangegeven.

2.6. Bij de aanslagregeling 2002 is eiser als binnenlandse belastingplichtige aangemerkt en is het belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) gecorrigeerd als volgt:

Loon in het buitenland (volgens opgave van D) € 68.772

Afkoop kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule € 74.974

Correctie inkomen box 1 € 143.746

Aangegeven inkomen box 1 € 20.517

Inkomen box 1 vastgesteld volgens aanslag € 164.263

2.7. In het jaar 2002 was eiser via de collectieve ziektekostenverzekering van D tegen ziektekosten verzekerd.

2.8. Per brief van 7 september 2005 heeft de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) aan verweerder het volgende medegedeeld:

“Hierbij delen wij u mede dat wij de heer en mw. X vanaf 2 juli 2001 hebben opgenomen in de vrijwillige AOW/Anw-verzekering.

De heer X is gedurende de periode van 2 juli 2001 tot en met 16 augustus 2002 uitgezonden door zijn werkgever (…) naar China.

Het gezin van betrokkene was eveneens uit Nederland vertrokken.

De familie X heeft zich op 1 juli 2001 laten uitschrijven uit het Nederlandse Bevolkingsregister.

Aangezien de duur van de werkzaamheden langer dan één jaar bedroeg hebben wij naar de feitelijke omstandigheden beoordeeld, dat de heer X vanaf 2 juli 2001 niet langer verplicht verzekerd was voor de Nederlandse Volksverzekeringen.

(…)

Betrokkenen hebben zich op 12 juli 2002 laten inschrijven en op 13 augustus 2002 wederom laten uitschrijven uit het bevolkingsregister van de gemeente W.

Naar de feitelijke omstandigheden beoordeeld is er gedurende de periode van 12 juli 2002 tot 13 augustus 2002 geen sprake van definitieve terugkeer in Nederland.

Op 3 augustus 2004 heeft de familie X zich echter weer definitief gevestigd in Nederland.

(…)

De heer X heeft echter gedurende de periode van 17 augustus 2002 tot 13 november 2002 voorbereidende werkzaamheden in Nederland verricht.

De werkgever van de heer X heeft gedurende deze periode premies volksverzekeringen ingehouden en afgedragen aan de belastingdienst.

De heer X is gedurende de periode van 2 juli 2001 tot en met 16 augustus 2002 en van 13 november 2002 tot en met 2 augustus 2004 opgenomen geweest in de vrijwillige AOW/Anw-verzekering.

(…)”

2.9. Eiser is voor het gehele jaar 2003 als buitenlandse belastingplichtige aangemerkt.

3. Geschil

In geschil is de vraag of eiser voor het jaar 2002 terecht door verweerder als binnenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 2.1, lid 1, onder letter a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) is aangemerkt.

Samengevat en zakelijk weergegeven stelt eiser dat hij het gehele jaar 2002 buitenlandse belastingplichtige is geweest. Ter ondersteuning van zijn stelling doet eiser beroep op de resolutie van 20 oktober 1970, no. B70/20 263 (inzake woonplaats uitgezonden employés), op het standpunt van de SVB inzake vrijwillige verzekering voor de AOW/Anw-verzekering en op het vertrouwensbeginsel, omdat hij voor 2003 wel als buitenlandse belastingplichtige is aangemerkt, terwijl de omstandigheden niet wezenlijk anders waren. Daarenboven stelt eiser dat, uitgaande van buitenlandse belastingplicht in 2002, de waarde in het economisch verkeer van de in 2.6. genoemde afkoopsommen in 2001 middels een conserverende aanslag had moeten worden vastgesteld.

Verweerder stelt, samengevat en zakelijk weergegeven, dat eiser Nederland in 2002 niet metterwoon heeft verlaten. Verweerder grondt deze stelling op met name de navolgende feiten en omstandigheden.

Hij noemt: geen buitenlandse werkgever; uitzending impliceert terugkeer; de woning in Nederland is slechts tijdelijk verhuurd; het gezin is slechts gedeelte van het jaar mee verhuisd naar het buitenland; het verblijf in het buitenland heeft korter dan een jaar geduurd en het gezin is met ingang van 12 juli 2002 weer ingeschreven geweest in Nederland; de resolutie van 1970, waaraan eiser refereert, is ingetrokken bij resolutie van 29 december 1989, nr. DB89/6693. Tenslotte wijst verweerder erop dat er financiële banden tussen eiser en Nederland zijn blijven bestaan.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven alsnog het standpunt in te nemen dat eiser vanaf 13 november 2002 aangemerkt dient te worden als buitenlandse belastingplichtige.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid onder letter a van de Wet IB 2001 geldt een natuurlijk persoon die in Nederland woont als binnenlandse belastingplichtige. Waar iemand woont wordt ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) naar de omstandigheden beoordeeld. Bepalend daarbij is het antwoord op de vraag waar de belastingplichtige het duurzame middelpunt van zijn persoonlijke levensbelangen heeft.

4.2. Artikel 2.2, eerste lid van de Wet IB 2001 bepaalt vervolgens dat een persoon die ophoudt in Nederland te wonen en binnen een jaar daarna weer in Nederland gaat wonen, zonder intussen in een andere mogendheid te hebben gewoond, ook tijdens zijn afwezigheid geacht wordt in Nederland te hebben gewoond.

4. 3. Vast staat dat eiser gedurende zijn verblijf in S zijn woning in Nederland tijdelijk heeft verhuurd. Voorts staat vast dat zijn echtgenote hem vanaf 21 juli 2001 heeft vergezeld naar S. De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat eiser op 14 juli 2001 Nederland metterwoon heeft verlaten en op 28 juni 2002 is teruggekeerd naar Nederland. Ingevolge artikel 2.2, eerste lid van de Wet IB 2001 wordt eiser derhalve geacht ook tijdens zijn afwezigheid in Nederland te hebben gewoond. Dit is slechts anders indien eiser in de periode van 14 juli 2001 tot en met 28 juni 2002 in een andere mogendheid (in casu S) heeft gewoond.

4. 4. De rechtbank is van oordeel dat, nu verweerder betwist dat eiser in S heeft gewoond, een redelijke bewijslastverdeling met zich meebrengt dat eiser, die claimt daar woonachtig te zijn geweest, deze claim aannemelijk maakt. De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij gedurende de periode van 14 juli 2001 tot en met 28 juni 2002 in S heeft gewoond in de zin van artikel 4, lid 1, van de AWR. De door eiser overgelegde belastingaanslagen uit S vormen naar het oordeel van de rechtbank slechts een begin van bewijs. Eiser heeft geen gegevens aangedragen die doen blijken of en zo ja op welke wijze hij en zijn echtgenote aan het (sociale) leven in S hebben deelgenomen en evenmin blijkt wat de woonsituatie van eiser en zijn echtgenote aldaar is geweest. Voorts heeft eiser gedurende de periode van uitzending naar S zijn woning in Nederland, hoewel tijdelijk verhuurd, aangehouden. Hij is in Nederland verzekerd gebleven voor ziektekosten en heeft de beschikking gehouden over een postadres in Nederland. Uit de feiten en omstandigheden zoals die blijken uit de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie worden getrokken dat eiser in de in geding zijnde periode in S heeft gewoond in de zin van voornoemd artikel 4, lid 1, AWR.

4.5. Ook ten aanzien van de periode 30 juli tot 17 augustus 2002, waarin hij zonder zijn echtgenote in U heeft verbleven, is niet aannemelijk geworden dat hij gedurende deze periode niet meer in Nederland woonde.

4.6. Eiser heeft voorts aangevoerd dat de SVB heeft geoordeeld dat hij het gehele jaar 2002 niet in Nederland woonachtig is geweest en dat hiermee bij eiser het in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat hij aangemerkt zou worden als buitenlandse belastingplichtge gedurende het gehele jaar 2002. De Rechtbank overweegt dienaangaande het navolgende.

De SVB en verweerder zijn twee verschillende bestuursorganen die beiden zelfstandig bevoegd zijn tot het nemen van een besluit omtrent de woonsituatie van eiser in de in geding zijnde periode voor de uitvoering van de regelgeving die tot hun bevoegdheid behoort. De uitlatingen van de SVB zijn van 7 september 2005 en het is dus niet zo dat eiser zich bij zijn handelen in 2002 heeft kunnen baseren op een door de SVB ingenomen standpunt. Tenslotte overweegt de rechtbank dat in de brief van de SVB ten onrechte is opgenomen dat eiser van 2 juli 2001 tot en met 16 augustus 2002 is uitgezonden door zijn werkgever. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat eiser niet met vrucht een beroep op het vertrouwensbeginsel kan doen.

4.7. Het feit dat eiser voor het jaar 2003 door verweerder is aangemerkt als buitenlandse belastingplichtige betekent naar het oordeel van de rechtbank evenmin dat eiser voor het jaar 2002 eveneens aangemerkt dient te worden als buitenlandse belastingplichtige. Eiser is, anders dan voor het jaar 2002, immers voor het jaar 2003 aangemerkt als buitenlandse belastingplichtige omdat hij op 13 november 2002 Nederland metterwoon heeft verlaten voor een periode langer dan 1 jaar, welke periode zicht uitstrekt over het gehele jaar 2003.

4.8. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eisers beroep op de Resolutie van 20 oktober 1970, nr. B70/ 20 263, BNB 1970/263, niet kan slagen nu deze resolutie bij besluit van 29 december 1989, nr. DB89/6693, BNB 1990/116 is ingetrokken.

4.9 Met verweerder is de rechtbank tot slot van oordeel dat eiser met ingang van 13 november 2002 dient te worden aangemerkt als buitenlandse belastingplichtige.

4.10. Gelet op het vorenoverwogene dient eiser voor de periode van 1 januari 2002 tot 13 november 2002 aangemerkt te worden als binnenlandse belastingplichtige. Nu bij de uitspraak op bezwaar eiser ook over de periode van 13 november tot en met 31 december 2002 is aangemerkt als binnenlandse belastingplichtige dient het beroep gegrond te worden verklaard. De uitspraak op bezwaar zal worden vernietigd. Nu de rechtbank over onvoldoende gegevens beschikt om zelf in de zaak te voorzien, zal hij verweerder opdragen met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan-lei-ding verweerder te veroordelen in de kos-ten die eiser in verband met de behande-ling van het beroep redelij-kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 483 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor de conclusie van repliek met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak binnen 10 weken opnieuw op de bezwaren van eiser te beslissen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 483, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 20 juli 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. van Kempen, voorzitter, mr. R.G. Kemmers en mr. T.J.P. van Os van den Abeelen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Mulder, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.