Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB0140

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-07-2007
Datum publicatie
23-07-2007
Zaaknummer
334406/ CV EXPL 07-389
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres, een muziekschool, vordert betaling van cursusgeld voor drumlessen van de minderjarige zoon van gedaagde. Gedaagde voert aan dat zij de cursus tijdig heeft opgezegd en dat eiseres haar zoon niet meer voor drumlessen heeft ingedeeld. Eiseres betwist de stellingen van gedaagde.

Niet is komen vast te staan dat de opzegging door eiseres is ontvangen. De kantonrechter overweegt dat, indien komt vast te staan dat eiseres de zoon van gedaagde niet meer op lessen heeft ingedeeld, het er voor moet worden gehouden dat er, ondanks dat niet vastgesteld kan worden dat de opzeggingsbrief door eiseres is ontvangen, wel degelijk een (tijdige) opzegging heeft plaatsgevonden. Eiseres is in de gelegenheid gesteld om lesroosters en een verklaring van de drumleraar over te leggen. De door eiseres overgelegde lesroosters zijn naar het oordeel van de kantonrechter zodanig onduidelijk dat daarin geen steun voor het verweer van eiseres te vinden is. Nu eiseres ook geen verklaring van de drumleraar heeft overgelegd, komt de kantonrechter tot het oordeel dat eiseres de stelling van gedaagde, dat eiseres haar zoon niet meer voor drumlessen heeft ingedeeld, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 334406/ CV EXPL 07-389

datum uitspraak: 18 juli 2007

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

de cooperatie Kunstencentrum Cooperatie U.A., mede handelende onder de naam het Muzenhuis

te Haarlem

eisende partij

hierna te noemen Muzenhuis

gemachtigde H. Terhoeven

tegen

[gedaagde], ouder/verzorger van de minderjarige [zoon van gedaagde]

te [woonplaats]

gedaagde partij

hierna te noemen [gedaagde]

procederende in persoon

De procedure

Muzenhuis heeft [gedaagde] gedagvaard op 5 januari 2007. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 28 februari 2007 een comparitie van partijen gelast, welke heeft plaatsgevonden op 25 april 2007 en waarbij de griffier aantekeningen heeft gemaakt van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht.

De zaak is vervolgens aangehouden voor het nemen van een akte overlegging producties door Muzenhuis (waarbij zij twee brievenboeken ter griffie heeft gedeponeerd) en een antwoordakte door [gedaagde]. Beide partijen hebben een akte genomen.

Vonnis is bepaald op heden. Muzenhuis heeft bij fax van 2 juli 2007 verzocht om op de laatste akte van [gedaagde] te mogen reageren.

De feiten

1. Muzenhuis exploiteert een muziekschool. [gedaagde] heeft op 23 juli 2003 haar zoon [zoon van gedaagde] bij Muzenhuis ingeschreven voor de cursus drumles (privé-les 30 minuten).

2. Op de overeenkomst zijn de door Muzenhuis gehanteerde algemene voorwaarden van toepassing. Ingevolge artikel 4 van deze voorwaarden dient schriftelijk te worden opgezegd, uiterlijk twee maanden voor het einde van de lopende cursusperiode.

3. Bij factuur van 17 oktober 2005 heeft Muzenhuis [gedaagde] een bedrag van € 1.170,00 in rekening gebracht in verband met de cursusperiode 16 oktober 2005 tot 16 oktober 2006.

4. Op 24 november 2005 heeft Muzenhuis [gedaagde] een eerste betalingsherinnering gezonden.

5. Bij e-mail van 28 november 2005 heeft [gedaagde] Muzenhuis onder meer het volgende medegedeeld:

“Bij deze willen wij nogmaals bevestigen dat [zoon van gedaagde] voor het komende cursusjaar niet zal deelnemen [...] zoals al eerder gemeld.”

6. Bij brief van 30 november 2005 heeft Muzenhuis [gedaagde] doen weten [zoon van gedaagde] per 16 oktober 2006 te zullen uitschrijven als leerling van de muziekschool.

7. Na door de gemachtigde van Muzenhuis tot betaling te zijn aangemaand, heeft [gedaagde] bij brief van 26 juli 2006 onder meer het volgende opgemerkt:

“Opzeggingsbrief verstuurd 3-5-2005.”

8. [gedaagde] heeft de factuur van 17 oktober 2005 onbetaald gelaten.

De vordering

Muzenhuis vordert (samengevat) veroordeling van [gedaagde] tot betaling van

€ 1.423,50. Zij heeft daartoe het volgende gesteld.

[gedaagde] heeft pas op 28 november 2005 aan Muzenhuis doorgegeven dat haar zoon geen drumles meer zou volgen in de cursusperiode die loopt vanaf 16 oktober 2005 tot 16 oktober 2006. Omdat [gedaagde] de overeenkomst niet binnen de in de algemene voorwaarden genoemde termijn van twee maanden heeft opgezegd, is deze met de nieuwe cursusperiode verlengd. [gedaagde] dient het cursusgeld over die periode ad € 1.170,00, vermeerderd met € 75,50 administratiekosten, aan Muzenhuis te voldoen.

Voorts is [gedaagde] de buitengerechtelijke incassokosten ten belope van € 178,50, inclusief btw, alsmede de wettelijke rente verschuldigd.

Het verweer

[gedaagde] betwist de vordering. Zij voert daartoe het volgende aan.

Het leslokaal waar [zoon van gedaagde] drumles kreeg zou gaan verhuizen naar Santpoort-Noord. Omdat deze verhuizing [gedaagde] niet goed uitkwam, heeft zij al vroegtijdig aan de drumleraar van [zoon van gedaagde], [XXX], doorgegeven dat zij de drumlessen van [zoon van gedaagde] wilde beëindigen. Bij brief van 3 mei 2005 heeft [gedaagde] de overeenkomst met Muzenhuis opgezegd. Vanaf begin juli 2005 heeft [zoon van gedaagde] geen drumlessen meer gevolgd. Muzenhuis heeft [zoon van gedaagde] niet meer op lessen ingedeeld. Dit heeft de leraar ook met zoveel woorden gezegd tijdens de laatste les.

De beoordeling van het geschil

De kantonrechter ziet geen aanleiding om Muzenhuis in de gelegenheid te stellen om op de laatste akte van [gedaagde] te reageren.

Het verweer van [gedaagde] valt in twee delen uiteen. In de eerste plaats voert zij immers aan dat zij op 3 mei 2005 een opzeggingsbrief heeft verstuurd naar Muzenhuis en in de tweede plaats voert zij aan dat Muzenhuis aan die opzegging gevolg heeft gegeven, door [zoon van gedaagde] na begin juli 2005 niet meer op lessen in te delen.

Muzenhuis heeft gemotiveerd betwist de opzeggingsbrief van 3 mei 2005 te hebben ontvangen. Zij heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen betoogd, dat dit blijkt uit het feit dat de ontvangst van genoemde brief niet in het door Muzenhuis gehanteerde brievenboek is ingeschreven. Muzenhuis heeft het zogenoemde brievenboek ter griffie gedeponeerd. De kantonrechter heeft geconstateerd dat in het brievenboek geen notitie is gemaakt van de ontvangst van de brief van [gedaagde] van 3 mei 2005. Uit het brievenboek is derhalve niet af te leiden dat Muzenhuis de opzegging van [gedaagde] heeft ontvangen.

Indien het Muzenhuis echter wel gevolg heeft gegeven aan een opzegging door [gedaagde] - door [zoon van gedaagde] niet meer op lessen in te delen - dan moet het er voor worden gehouden dat er, ondanks dat niet vastgesteld kan worden dat de brief door Muzenhuis is ontvangen, wel degelijk een (tijdige) opzegging heeft plaatsgevonden. Daarbij gaat de kantonrechter er vanuit dat een muziekdocent niet zelfstandig zijn rooster kan wijzigen en dat de centrale administratie van Muzenhuis bij een dergelijke organisatorische kwestie hoe dan ook betrokken dient te zijn.

Muzenhuis heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen uitdrukkelijk betwist dat zij gevolg heeft gegeven aan de opzegging van [gedaagde], door [zoon van gedaagde] na de zomer van 2005 niet meer op lessen in te delen. Vervolgens heeft de kantonrechter aangegeven dat Muzenhuis - ter onderbouwing van haar betwisting - lesroosters en een verklaring van de betrokken docent in het geding dient te brengen.

Muzenhuis heeft vervolgens bij akte na comparitie tien kopieën overgelegd van een op 10 mei 2007 gedateerd document, genaamd “Rooster voor Dhr. [XXX]”, en vier kopieën van een eveneens op 10 mei 2007 gedateerd document, genaamd Rooster voor “Dhr. [YYY]”. Op ieder document staat [zoon van gedaagde] genoemd voor drumles vanaf 17.50 tot 18.40 uur. De documenten zijn voorts elk voorzien van een in pen geschreven datum, beginnende bij 10 juni 2005 tot en met 15 december 2005. De kantonrechter is van oordeel dat de door Muzenhuis als lesroosters overgelegde documenten met name wat betreft de datering daarvan zodanig onduidelijk zijn, dat zij niet kunnen dienen als motivering van haar betwisting van de stelling van [gedaagde] dat Muzenhuis [zoon van gedaagde] niet ook na de zomervakantie van 2005 voor drumlessen heeft ingeroosterd.

Muzenhuis is - zie hetgeen hiervoor is overwogen - tevens uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld om een verklaring van [XXX] met betrekking tot de door hem aan [zoon van gedaagde] gegeven drumlessen in het geding te brengen. Zij heeft echter geen verklaring overgelegd. Volgens Muzenhuis was dit niet mogelijk, omdat zij [XXX] niet heeft kunnen bereiken en zijn adres niet heeft kunnen traceren. Dit acht de kantonrechter onbegrijpelijk. [XXX] heeft immers tot voor kort deel uitgemaakt van het lerarencorps van Muzenhuis (hetgeen impliceert dat zij de nodige gegevens over hem heeft) en bovendien bestaat de mogelijkheid om de gemeentelijke basisadministratie te raadplegen. Muzenhuis heeft in het geheel geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aan het achterhalen van het adres van [XXX] in de weg hebben gestaan. Dit had wel op haar weg gelegen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat het ontbreken van een verklaring van [XXX] niet in het nadeel van [gedaagde] kan werken.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat Muzenhuis de stelling van [gedaagde] - Muzenhuis heeft [zoon van gedaagde] na de zomervakantie van 2005 niet meer voor de drumlessen ingeroosterd en heeft daarmee uitvoering gegeven aan de opzegging - onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. In deze procedure is die stelling daarmee vast komen te staan. Dit brengt mee dat aan de vordering van Muzenhuis de grondslag komt te ontvallen, zodat deze zal worden afgewezen.

De proceskosten komen voor rekening van Muzenhuis omdat deze in het ongelijk wordt gesteld.

Beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt Muzenhuis tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] tot en met vandaag worden begroot op € 25,00 aan reis- en verblijfkosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Vogel en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.