Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA9912

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
349100 AO VERZ 07-607
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk verzoek ontbinding arbeidsovereenkomst. Werkgever heeft werknemer op staande voet ontslagen omdat deze zich agressief heeft gedragen jegens andere werknemers van de werkgever. Kantonrechter is het met werkgever eens dat dit gedrag niet kan worden geaccepteerd, mede gelet op het feit dat werknemer in het verleden ook agressief gedrag heeft vertoond. Werknemer was het niet eens met de afwijzing van zijn vakantieaanvraag en heeft zich op het kantoor van de werkgever verbaal agressief jegens personeelsfunctionarissen gedragen en heeft bij het verlaten van het kantoor tegen een deur getrapt. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden zonder toekenning van een vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rep.nr.: 349100/AO VERZ 07-607

datum uitspraak: 13 juli 2007

BESCHIKKING ONTBINDING ARBEIDSOVEREENKOMST

inzake

de besloten vennootschap

ISS Nederland B.V.

te Utrecht

verzoekster

hierna: ISS

gemachtigde: mr. E. von Weiler

tegen

[verweerder]

te [woonplaats]

verweerder

hierna: [verweerder]

gemachtigde: mr. D.J. Posthuma

De procedure

Op 12 juni 2007 is ter griffie een verzoekschrift ontvangen van ISS. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 6 juli 2007. Op deze zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. De gemachtigde van ISS heeft pleitnotities overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht.

Beide partijen hebben producties in het geding gebracht.

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweerspro-ken inhoud van de overgelegde producties, staat tussen partij-en het volgende vast:

a. [verweerder], geboren op 1 juli 1970, is op 7 oktober 2002 bij ISS in dienst getreden als dagkracht voor een periode van 6 maanden. De arbeidsovereenkomst is nadien omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

a. Het laatstelijk door [verweerder] genoten salaris bedroeg €1.561,60 bruto per 4 weken exclusief 8% vakantiegeld.

c. Voor het jaar 2007 heeft [verweerder] een aanvraag ingediend voor vakantieverlof in de periode van 26 mei 2007 tot en met 30 juni 2007.

d. Bij brief van 6 mei 2007 heeft ISS die aanvraag afgewezen omdat [verweerder] arbeidsongeschikt was en er een intensief reïntegratietraject liep.

e. Bij brief van 29 mei 2007 heeft ISS het volgende aan [verweerder] medegedeeld:

“Naar aanleiding van ons schrijven d.d. 25 mei 2007 heeft u dinsdag 29 mei 2007 een gesprek gehad met de heer [AAA], Business Unit Manager en ondergetekende.

In dit gesprek heeft u de mogelijkheid gekregen uw kant van het verhaal te vertellen naar aanleiding van het gebeurde op vrijdag 25 mei 2007.

U heeft uw excuses aangeboden aan de heer [AAA] m.b.t. het door u gestelde in het telefoongesprek dat u brand zou gaan veroorzaken op het kantoor van ISS bij één van onze grootste opdrachtgevers, te weten Corus.

Met betrekking tot uw agressieve handelen deelde u mede dat ondergetekende van geluk mocht spreken dat zij vrijdag 25 mei jl. niet op kantoor aanwezig was, u uitte een bedreiging dat dit tot ernstige gevolgen had kunnen leiden voor ondergetekende.

Met betrekking tot het gooien van een telefoonhoorn naar onze receptioniste gaf u aan dat u deze niet haar heeft gegooid maar dat u deze terug naar het toestel heeft gegooid. Dit is absoluut door de receptioniste anders ervaren. Met betrekking tot het tweemaal toe proberen intrappen van de ingangsdeur van ons kantoor gaf u aan dat het zwart voor uw ogen werd en dat dit veroorzaakt werd door de situatie dat uw moeder ernstig ziek is.

Aangegeven is dat geen situatie toelaat dat u gewelddadig wordt en dermate agressief en bedreigend gedrag vertoont.

Bovenstaande gaf ISS reden u ontslag op staande voet te geven waarbij de dringende reden gelegen is in het bedreigen, mishandelen en grovelijk beledigen van medewerknemers van ISS (art. 678 BW).

Het ontslag is u op 29 mei jl. door ondergetekende medegedeeld.

(…)”

f. Op 8 juni 2007 heeft de direct leidinggevende van [verweerder] R. [AAA] (hierna: [AAA]) per email het volgende aan de gemachtigde van ISS geschreven:

“Vrijdag 25 mei, werd ik s’morgens doorverbonden op mijn mobiele telefoon met de heer [verweerder] die op dat moment bij de balie van ons kantoor te Amsterdam stond.

Hij gaf aan dat hij mevrouw [BBB] wilden spreken zonder dat hij een afspraak had gemaakt. Ik heb hem toen aangegeven dat zowel mevrouw [BBB] als ik, op dat moment niet in de gelegenheid waren om hem persoonlijk te woord te staan.

Meneer werd steeds kwader en riep door de telefoon dat als hij terugkwam, hij het kantoor in de brand zou komen steken. Zijn dreiging klonk gemeend en agressief. Hierna werd de verbinding door meneer verbroken.

(…)”

g. [CCC], receptioniste van ISS in de vestiging te Amsterdam heeft de volgende schriftelijke verklaring afgelegd:

“De heer [verweerder] (…) is op 25 mei 2007 (…) het gebouw ISS Cleaning Services (…) te Amsterdam binnengekomen.

Eenmaal binnen heeft de heer [verweerder] aan mij aangegeven mevrouw [BBB] (…) te willen spreken.

(…)

Aangezien mevrouw [BBB] vandaag niet aanwezig is, heb ik hem verzocht een afspraak te maken voor a.s. dinsdag.

(…)

Vervolgens heb ik de heer [AAA] (…) gebeld en de heer [verweerder] doorverbonden naar hem, dat gesprek verliep ook niet helemaal. De heer [verweerder] schreeuwde naar de heer [AAA] dat hij het kantoor in de fik kwam steken (…)

Beneden gekomen kreeg hij mevrouw [BBB] weer aan de telefoon. Gedurende het gesprek werd de heer [verweerder] zo kwaad dat hij de telefoonhoorn naar mij toegooide. Dit was een bedreigende situatie (…).

Hij schold vervolgens mevrouw [BBB] uit voor trut, varken en onmenselijk. Hij liep vervolgens kwaad het pand uit. Voor hij wegliep schopte hij tot twee keer toe tegen de ingangsdeur.

Het was voor mij een hele vervelende, bedreigende situatie.

(…)”

h. [XXX], ook werkzaam voor [verweerder] op het kantoor te Amsterdam, heeft de volgende schriftelijke verklaring afgelegd:

“Hedenochtend d.d. 25 mei 2007 ben ik (…) diverse malen gebeld door onze receptioniste dat de heer [verweerder] beneden stond.

(…)

Wij zijn in gesprek gegaan met de heer [verweerder]. (…) Helaas verliep het gesprek niet soepel en bleef de heer [verweerder] hardnekkig naar mevrouw [BBB] vragen.

(…)

Even later heeft (…) mevrouw [BBB] gebeld en kreeg zij de heer [verweerder] aan de telefoon. Na een hoop gescheld en geschreeuw heeft de heer [verweerder] mevrouw [BBB] voor varken uitgemaakt en de telefoonhoorn naar de receptioniste gegooid. Ook heeft hij tijdens het teruglopen naar buiten de ingangsdeur tot twee keer toe geschopt.

Geschrokken en verbaast bleven wij achter.

(…)”

i. Bij brief van 20 juni 2007 heeft de gemachtigde van [verweerder] namens deze de nietigheid van het ontslag op staande voet ingeroepen.

j. In februari 2006 en juli 2006 is [verweerder] door ISS gewaarschuwd in verband met agressief gedrag op locatie bij een klant van ISS. ISS was toen genoodzaakt [verweerder] elders aan het werk te stellen.

k. [verweerder] verrichtte zijn werkzaamheden gewoonlijk te Wijk aan Zee.

Het verzoek

ISS verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst, voor het geval het dienstverband tussen partijen nog mocht blijken te bestaan, primair wegens een dringende reden en subsidiair wegens veranderingen in de omstandigheden.

Ter toelichting stelt ISS – samengevat – het volgende.

Op vrijdag 25 mei 2007 heeft [verweerder] op het kantoor van ISS in Amsterdam in gesprek met zijn leidinggevende R. [AAA] (hierna: [AAA]) geschreeuwd. Nadat ISS ook nog had gesproken met de HR Advisor mevrouw [XXX] en de heer [YYY], weigerde [verweerder] het pand te verlaten en eiste hij een gesprek met mevrouw N.C. [BBB], de senior HR Advisor van ISS (hierna [BBB]).

Bij de receptie heeft [verweerder] telefonisch met [BBB] gesproken. Hij was echter niet voor rede vatbaar en schreeuwde en schold onophoudelijk aan de telefoon. [verweerder] schold [BBB] uit voor varken en gooide de telefoonhoorn naar de receptioniste.

Vervolgens heeft [verweerder] tot twee keer toe tegen de toegangsdeur getrapt, waarna hij het pand heeft verlaten.

[verweerder] heeft zich al eerder agressief gedragen. Op 5 juli 2006 heeft [verweerder] eveneens tegen deuren geschopt en staan schreeuwen tegen een klant. Naar aanleiding daarvan diende ISS [verweerder] op verzoek van de klant over te plaatsen. Hetzelfde is gebeurd op 13 februari 2006.

Deze gedragingen van [verweerder] leveren een dringende reden op voor ontslag.

Subsidiair stelt ISS zich op het standpunt dat sprake is van een verandering van omstandigheden. Door toedoen van [verweerder] is de arbeidsverhouding tussen partijen dusdanig verstoord geraakt dat van ISS niet kan worden verlangd de arbeidsovereenkomst voort te zetten.

Het verweer

[verweerder] concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van ISS, althans afwijzing van het verzoek. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om toekenning van een bruto vergoeding van €20.138,00 inclusief 8% vakantietoeslag.

Ter toelichting voert [verweerder] – samengevat – het volgende aan.

Sedert 2003 heeft [verweerder] een allergie aan zijn voeten, waardoor hij geen werkschoenen kan dragen. [verweerder] heeft alles gedaan wat van hem verwacht mocht worden in het kader van de reïntegratie. Hij heeft de van hem verlangde vervangende arbeid verricht en hij heeft zich gehouden aan aanwijzingen en oproepen van de arboarts.

De afwijzing van de vakantieaanvraag is in strijd met artikel 7:638 BW. Lid 2 van dat artikel bepaalt immers dat indien de werkgever niet binnen twee weken nadat de werknemer zijn wensen schriftelijk kenbaar heeft gemaakt, schriftelijk aan de werknemer gewichtige redenen heeft aangevoerd, de vakantie is vastgesteld overeenkomstig de wensen van de werknemer.

Het zich bevinden in een reïntegratietraject is geen gewichtige reden. Er is geen sprake van dat vakantie van [verweerder] zijn herstel zou belemmeren.

Zelfs al zou sprake zijn geweest van gewichtige reden dan had ISS [verweerder] in de gelegenheid moeten stellen op een ander tijdstip zijn vakantie op te nemen.

[verweerder] heeft op 12 mei 2007 aan ISS geschreven dat hij in verband met de ouderdom en ziekte van zijn moeder toch graag op vakantie zou gaan om zijn moeder nog één keer te kunnen zien. Na die brief van 12 mei 2007 heeft [verweerder] niets meer van ISS vernomen. Omdat de tijd begon te dringen heeft [verweerder] aan zijn direct leidinggevende Ron [AAA] (hierna: [AAA]) gevraagd alsnog op vakantie te mogen gaan. [AAA] heeft [verweerder] verwezen naar mevrouw N.C. [BBB] (hierna: [BBB]), de in de vestiging te Amsterdam werkzame senior HR Advisor van ISS.

[verweerder] heeft getracht telefonisch contact te krijgen met [BBB]. Toen dat niet lukte is hij op 25 mei 2007 naar de vestiging in Amsterdam gegaan om [BBB] te spreken.

Het niet geven van vakantie en het uitblijven van duidelijkheid over de tweede smeekbede heeft geleid tot de zwaarste sanctie. Het heeft er alle schijn van dat ISS de eerste de beste vermeende mogelijkheid heeft aangegrepen om de arbeidsongeschikte [verweerder] op straat te zetten.

Er doet zich geen dingende reden voor die ontbinding op die gronden zou rechtvaardigen.

Na het arbeidsongeschikt worden van [verweerder] heeft ISS bewust aangestuurd op een ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De arbeidsongeschiktheid van [verweerder] houdt rechtstreeks verband met het onderhavige verzoek.

In de periode van 2002 tot en met 2006 heeft [verweerder] naar volle tevredenheid van ISS zijn werkzaamheden verricht. Er is geen sprake van verandering in de omstandigheden.

Het incident rond het afwijzen van de vakantieaanvraag is aan ISS te wijten.

Zo er sprake is van een omstandigheid die de ontbinding rechtvaardigt, dan is een vergoeding tegen correctiefactor C=3 gerechtvaardigd.

De beoordeling van het verzoek

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:685 lid 1 BW.

Onvoldoende gebleken is dat het verzoek verband houdt met de arbeidsongeschiktheid van [verweerder]. Dat ligt ook niet voor de hand nu immers wel gebleken is dat ISS steeds heeft meegewerkt aan reïntegratie van ISS.

De kantonrechter treedt thans niet in het oordeel of sprake is van een dringende reden die ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou rechtvaardigen. Die dringende reden zal in een eventuele procedure met betrekking tot het gegeven ontslag op staande voet moeten worden beoordeeld. De kantonrechter wenst daarop niet vooruit te lopen, met name niet omdat de onderhavige procedure zich niet leent voor (uitgebreid) getuigenverhoor.

De kantonrechter is wel van oordeel dat sprake is van gewijzigde omstandigheden die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigen. De schriftelijke verklaringen die door ISS zijn overgelegd geven een consistent beeld van de gebeurtenissen op 25 mei 2007. [verweerder] heeft daar tegenover onvoldoende concrete feiten gesteld om aan de juistheid van de waarnemingen door de getuigen te twijfelen. Bovendien heeft [verweerder] wel erkend verkeerde woorden te hebben gebruikt tegenover collega’s bij ISS. Nu [verweerder] in het verleden ook reeds twee agressief gedrag heeft vertoond, is het te billijken dat ISS de arbeidsovereenkomst niet langer wenst voort te zetten.

Er zijn dus voldoende gewichtige redenen om de arbeidsovereenkomst, voor het geval deze nog mocht blijken te bestaan, op korte termijn te ontbinden, zodat het verzoek in zoverre toewijsbaar is.

Beoordeeld moet worden of aan [verweerder] in redelijkheid een vergoeding toekomt.

De kantonrechter is op grond van het bovenstaande van oordeel dat voor toekenning van een vergoeding aan [verweerder] geen aanleiding bestaat. Voor de verstoorde arbeidsrelatie is hem een verwijt temaken. Ook al zou de stelling van [verweerder] juist zijn dat zijn vakantieaanvraag ten onrechte is afgewezen, dan nog past het [verweerder] niet om zich te gedragen zoals hij blijkens zijn erkenning en de schriftelijke verklaringen heeft gedaan.

Nu geen vergoeding wordt toegekend kan aanstonds een eindbeschikking worden gegeven.

Gezien de aard van de procedure worden de kosten tussen partijen gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

De kantonrechter:

Ontbindt de arbeidsovereenkomst voor het geval deze nog tussen partijen bestaat tegen

15 juli 2007.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.