Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA9764

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
AWB 06-5621
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan ‘Middelie 1993’ is het perceel A waarop de voormalige bedrijfswoning is opgericht ook planologisch afgesplitst van perceel B en buiten de grenzen van het bestemmingsplan ‘Middelie-Dorpsweg 1975’ komen te liggen. Aangezien de werking van een bestemmingsplan zich beperkt tot de grenzen van dat plan, dient bij de toepassing van artikel 17 planvoorschriften (dubbeltelbepaling) van het bestemmingsplan ‘Middelie-Dorpsweg 1975’ de buiten de grenzen van het plan gelegen voormalige bedrijfswoning buiten beschouwing te worden gelaten, hetgeen betekent dat op het betreffende agrarische bebouwingsvak nog geen bedrijfswoning aanwezig is. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06 - 5621

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 juli 2007

in de zaak van:

[eisers],

wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde: mr. drs. M.L.M. Frantzen, advocaat te Ouderkerk aan de Amstel,

tegen:

1. het college van burgemeester en wethouders van Zeevang,

en

2. de raad van de gemeente Zeevang,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2004, verzonden op 20 december 2004, heeft de gemeenteraad van Zeevang (hierna: de raad) het verzoek van eisers om een vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor het realiseren van een agrarische bedrijfswoning naast de paardenfokkerij op het perceel [B], afgewezen.

Bij besluit van 30 december 2004, verzonden op 24 januari 2005, heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) geweigerd aan eisers bouwvergunning te verlenen voor het realiseren van een agrarische bedrijfswoning naast de paardenfokkerij op het perceel [B].

Eisers hebben bij brief van 7 maart 2005 bezwaar gemaakt. Het bezwaar is aangevuld bij brieven van 7 april 2005, 20 juni 2005 en 16 november 2005.

Bij besluit van 25 april 2006, verzonden op 29 mei 2006, heeft het college het bezwaar, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 30 december 2004, ongegrond verklaard. Daarbij is verweerder afgeweken van het advies van 4 juli 2005 van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften.

Bij besluit van 9 mei 2006, verzonden op 29 mei 2006, heeft de raad het bezwaar, voor zover dat is gericht gericht tegen het besluit van 16 december 2004, ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten hebben eisers bij brief van 5 juli 2006, aangevuld bij brief van 16 mei 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend, gedateerd 3 augustus 2006.

Het beroep is behandeld ter zitting van 30 mei 2007, alwaar namens eisers hun gemachtigde, voornoemd, is verschenen en alwaar het college en de raad zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. H.R. Nieman, werkzaam bij de gemeente Zeevang.

2. Overwegingen

2.1 Gelet op de toelichting ter zitting door eisers en het feit dat uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat eisers bezwaren zich eveneens richtten tegen het besluit van de raad van 16 december 2004, dient het bezwaarschrift van 7 maart 2005 mede te worden geduid als betrekking hebbend op het raadsbesluit van 16 december 2004. De rechtbank dient derhalve allereerst te beoordelen of de raad dit bezwaar terecht ontvankelijk heeft geacht nu het bezwaarschrift buiten de wettelijke termijn van zes weken is ingediend. In dit verband acht de rechtbank van belang dat het college in de bij het primaire raadsbesluit behorende aanbiedingsbrief van 20 december 2004 eisers onjuist heeft voorgelicht door te stellen dat de onderhavige vrijstelling niet openstaat voor bezwaar en dat het besluit wel aan de orde kan komen naar aanleiding van het besluit op de bouwaanvraag. Het college heeft hiermee miskend dat artikel 49, vijfde lid, Woningwet uitsluitend ziet op een begunstigende beslissing op een verzoek om vrijstelling, waarvan in onderhavig geval geen sprake is. Gelet op het feit dat eisers wat betreft het aanwenden van rechtsmiddelen door het college op het verkeerde been zijn gezet, is de termijnoverschrijding verschoonbaar. De raad heeft het bezwaar dan ook terecht in behandeling genomen.

2.2 Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of eisers nog procesbelang hebben bij een uitspraak op het beroep tegen de bestreden besluiten. Nu eisers de huurovereenkomst met de eigenaar van het perceel [B], Havik B.V., hebben ontbonden en hebben afgezien van hun plannen met betrekking tot de exploitatie van een paardenhouderij op het betreffende perceel, stellen het college en de raad zich op het standpunt dat de noodzaak van een bedrijfswoning inmiddels is komen te vervallen en eisers geen belang meer hebben bij een uitspraak.

2.3 De rechtbank overweegt echter dat in de stelling van eisers dat schade is geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming op zichzelf een belang kan worden gevonden. Daarvoor is wel vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat daadwerkelijk schade is geleden als gevolg van het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank is hieraan voldaan en dient een procesbelang te worden aangenomen.

2.4 Ter plekke van het in geding zijnde perceel geldt het bestemmingsplan 'Middelie-Dorpsweg 1975'. Op de locatie van de bouwplannen is de bestemming 'bebouwing voor agrarische doeleinden (Aa)' van toepassing. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften (hierna: planvoorschriften) zijn de op de kaart voor 'bebouwing voor agrarische doeleinden' aangewezen gronden bestemd voor agrarisch gebruik en de voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf ter plaatse nodige bouwwerken, uitgezonderd kassen. In het tweede lid, onder a, van artikel 10 planvoorschriften is bepaald dat ten aanzien van de bebouwing van de in het eerste lid bedoelde gronden per op de kaart aangegeven bebouwingsvak slechts één bedrijfswoning mag worden gebouwd. In artikel 17 planvoorschriften is bepaald dat woonhuizen worden gerekend te blijven behoren tot het bedrijf waartoe zij bij de bouw behoorden, tenzij het bedrijf is gesplitst ten gevolge van een ander bodemgebruik.

2.5 Niet in geschil is dat het agrarische bebouwingsvak waar het hier om gaat oorspronkelijk deel uitmaakte van een groter bebouwingsvak waarbinnen de agrarische bedrijfsvoering vanuit perceel [A] plaats vond. Blijkens de zich in het dossier bevindende stukken is dat agrarische bedrijf beëindigd op basis waarvan de bij dat bedrijf behorende bedrijfswoning is afgesplitst van het agrarische bebouwingsvak en doorverkocht. Niet in geschil is verder dat het perceel [A] thans is opgenomen in het bestemmingsplan 'Middelie 1993' en deze grond daarin de bestemming "woningen met tuinen en erven" heeft gekregen.

2.6 Het geschil spitst zich toe op de vraag of het oprichten van een de bedrijfswoning op het perceel [B] in strijd is met het geldende bestemmingsplan 'Middelie-Dorpsweg 1975'.

2.7 Gelet op de in het bestemmingsplan 'Middelie-Dorpsweg 1975' opgenomen dubbeltel-bepaling in artikel 17 planvoorschriften is het college van mening dat het oprichten van een bedrijfswoning in het agrarische bebouwingsvak strijd oplevert met het bestemmingsplan. Nu de toenmalige bedrijfswoning op het perceel [A] bij de bouw behoorde bij het bedrijf op perceel [B] en geen sprake is van splitsing van het bedrijf ten gevolge van een ander bodemgebruik blijft de dubbeltelbepaling van toepassing, ook na de afsplitsing van de voormalige bedrijfswoning. Volgens het college is het juist de bedoeling van artikel 17 om te voorkomen dat, door de grond waarop de bedrijfswoning is gebouwd af te splitsen van de overige bedrijfsgrond, een tweede bedrijfswoning gebouwd zou kunnen worden op die afgesplitste bedrijfsgrond. Niet de plankaart is derhalve bepalend, maar de vraag of het woonhuis op het moment van bouwen behoorde bij het bedrijf.

2.8 De rechtbank deelt dit standpunt niet. Naar het oordeel van de rechtbank vormt artikel 17 planvoorschriften in het onderhavige geval geen beletsel voor het oprichten van een agrarische bedrijfswoning op het perceel [B]. Met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan 'Middelie 1993' is het perceel [A] waarop de voormalige bedrijfswoning is opgericht ook planologisch afgesplitst van perceel [B] en buiten de grenzen van het bestemmingsplan 'Middelie-Dorpsweg 1975' komen te liggen. Aangezien de werking van een bestemmingsplan zich beperkt tot de grenzen van dat plan, dient bij de toepassing van artikel 17 planvoorschriften van het bestemmingsplan 'Middelie-Dorpsweg 1975' de buiten de grenzen van het plan gelegen voormalige bedrijfswoning buiten beschouwing te worden gelaten, hetgeen betekent dat op het betreffende agrarische bebouwingsvak nog geen bedrijfswoning aanwezig is.

2.9 Nu het college de bouwvergunning ten onrechte heeft geweigerd op grond van strijd met artikel 17 planvoorschriften, dient het besluit op bezwaar te worden vernietigd wegens een ondeugdelijke motivering.

2.10 Gelet op vorenstaande kan het besluit op bezwaar van de raad, waarin is geweigerd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 17 planvoorschriften, evenmin in stand blijven. Nu reeds hierom het beroep tegen het raadsbesluit gegrond zal worden verklaard laat de rechtbank de overige hiertegen gerichte grieven onbesproken.

2.11 Nu het beroep gegrond is, bestaat voorts aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van het college.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van het college van 25 april 2006;

3.3 vernietigt het bestreden besluit van de raad van 9 mei 2006;

3.4 veroordeelt het college in de door eisers gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644,-, te betalen door de gemeente Zeevang aan eisers;

3.5 gelast dat de gemeente Zeevang het door eisers betaalde griffierecht van € 141,- aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzitter, en mr. A.J. Medze en mr. drs. L. Beijen, rechters, en op 12 juli 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.