Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA9763

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
31-05-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
AWB 05-6578 en 05-6989
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, WRO voor het gedeeltelijk overkappen van de ijsbaan en de uitbreiding van de juryruimte op het perceel IJsbaanlaan 2 te Haarlem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 05 - 6578 en AWB 05 - 6989

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 mei 2007

in de zaak van:

[Eiser X] e.a.,

wonende te [woonplaats],

en

[Eiser Y],

wonende te [woonplaats],

(verder: [eiser Y]),

gemachtigde: mr. O.V. Wilkens, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Gezondheidszorg,

allen tezamen eisers,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder,

derde partij

Stichting Kunstijsbaan Kennemerland,

gevestigd te Haarlem,

gemachtigde: mr. M.R. Botman, advocaat te Haarlem

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2005 heeft verweerder aan de Stichting Kunstijsbaan Kennemerland (verder SKK) met toepassing van artikel 19, eerste lid, Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk overkappen van de ijsbaan en uitbreiding van de juryruimte op het perceel aan de IJsbaanlaan 2 te Haarlem.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brieven van respectievelijk 29 juni 2005 en 3 juli 2005 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 11 oktober 2005, verzonden op 19 oktober 2005, heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Daarbij heeft verweerder verwezen naar van het advies van 26 september 2005, van de Commissie beroep-en bezwaarschriften.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brieven van respectievelijk 27 november 2005 en 25 november 2005, aangevuld bij brief van 25 januari 2006 beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 6 april 2006 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening van [eiser Y] afgewezen.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 1 maart 2007, alwaar eisers met bericht niet zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J. Hartmans, werkzaam bij de gemeente Haarlem. Namens de derde partij zijn verschenen [A en B], bijgestaan door hun gemachtigde voornoemd.

2. Overwegingen

2.1 Het bouwplan betreft de bouw van een overkapping over een gedeelte van de bestaande kunstijsbaan van de SKK en de uitbreiding van de juryruimte op het perceel IJsbaanlaan 2 te Haarlem.

2.2 Op de plankaart van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan omgeving Kleverlaan" is de grond aangewezen voor "ijsbaan".

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de bij dit plan behorende voorschriften mogen op de grond, aangewezen voor ijsbaan, uitsluitend worden opgericht één of meer gebouwtjes, die krachtens hun aard bij deze bestemming behoren, met een goot- of boeiingshoogte van ten hoogste 3 m en een gezamenlijke oppervlakte van niet meer dan 250 m2.

2.3 Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan.

2.4 Ingevolge artikel 19, eerste lid, WRO, kunnen burgemeester en wethouders, na delegatie van deze bevoegdheid door de gemeenteraad, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.

Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.5 Met betrekking tot de vraag of sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing als bedoeld in artikel 19, eerste lid, WRO overweegt de rechtbank het volgende.

Blijkens de parlementaire geschiedenis (TK 1996-1997, 25311, nr. 3, p. 7) hoeft de ruimtelijke onderbouwing niet in alle gevallen even omvangrijk te zijn. Deze is

- onder meer - afhankelijk van de aard en de omvang van de activiteit, de mate van ingrijpendheid, de actualiteit van het gemeentelijk ruimtelijk beleid, de relevantie voor het ruimtelijk beleid van de andere overheden en de aard van de eventueel ingebrachte bedenkingen. Gelet hierop kan worden gesteld dat bij een meer ingrijpend project zowel qua omvang, als qua inhoud zwaardere eisen kunnen worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing.

2.6 De door verweerder gegeven ruimtelijke onderbouwing bestaat uit de verwijzing naar het ontwerp bestemmingsplan "IJsbaanlaan e.o.".

Op de plankaart van het bestemmingsplan "IJbaanlaan e.o." is de grond waarop het bouwplan betrekking heeft aangewezen voor 'Sport- en recreatieve doeleinden'.

In artikel 6.2 van de bijbehorende planvoorschriften is bepaald dat op deze grond ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd gebouwen met bijbehorende aan- en bijgebouwen en andere bouwwerken geen gebouw zijnde, met inachtneming van het bepaalde in artikel 11 (algemene bebouwingsvoorschriften). Voor het bouwen gelden de aanduidingen op de kaart. Op de plankaart is een bebouwingshoogte van maximaal 10 meter vermeld.

Verweerder heeft tevens gewezen op de verklaring van geen bezwaar zoals verleend door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland d.d. 20 april 2004. Hierin is aangegeven dat de locatie gelegen is binnen de stedelijke bebouwingscontour van het streekplan Noord-Holland Zuid, dat de ruimtelijke gevolgen beperkt van omvang zijn en dat er geen planologische bezwaren bestaan tegen het bouwplan.

2.7 Eisers, woonachtig aan [adressen], hebben betoogd dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot verlening van de bestreden vrijstelling en bouwvergunning. Zij voeren daartoe aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Eisers vrezen verlies van landschappelijkheid, uitzichtverlies, verminderde lichtinval en geluidsweerkaatsing van passerende treinen. Tenslotte hebben eisers betoogd dat zij tengevolge van het bestreden besluit schade lijden.

2.8 [Eiser Y], woonachtig aan [adres], betoogt dat verweerder na afweging van de belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot verlening van de bestreden vrijstelling en bouwvergunning. Hij voert daartoe aan dat hij overlast zal ondervinden van de aanwezigheid van de overkapping boven de ijsbaan. [Eiser Y] verliest uitzicht en vreest als gevolg daarvan waardedaling van zijn woning. Hij meent dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de noodzaak van het bouwplan. Hij stelt dat de overkapping het geluid van het treinverkeer zal weerkaatsen waardoor de geluidsnormen worden overschreden. [Eiser Y] verwijst daarbij naar een onderzoek verricht door R. van Leeuwen. Hij meent dat aan de bouwvergunning een voorwaarde verbonden dient te worden inhoudend dat de bestaande coniferenhaag gehandhaafd blijft. Deze haag kan naar zijn mening een positief effect hebben op de geluidsweerkaatsing.

2.9 Ter zitting is namens de SKK betoogd dat de overdekte ijsbanen beter zijn te exploiteren omdat deze minder afhankelijk zijn van weersomstandigheden. Indien de ijsbaan in Haarlem - in tegenstelling tot de overige ijsbanen in de omgeving - niet overdekt zou zijn, zullen naar verwachting de bezoekers zich naar de andere wel overdekte banen begeven. Het overkappen van de ijsbaan is noodzakelijk om in de lijn te blijven met de overige ijsbanen van Nederland, aldus SKK.

2.10 De rechtbank acht in hetgeen eisers naar voren hebben gebracht geen grond aanwezig voor het oordeel dat de door verweerder aan het in het geding zijnde bouwproject ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de eisen die daaraan rechtens moeten worden gesteld, noch voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het verlenen van vrijstelling, en evenmin voor het oordeel dat overigens aan het bestreden besluit - onder meer wat betreft de zorgvuldigheid en de motivering - zodanige gebreken kleven dat dit niet in stand kan blijven. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

2.11 De gronden waarop het bouwplan betrekking heeft zijn in het geldende bestemmingsplan bestemd voor "ijsbaan" en in het nieuwe bestemmingsplan voor 'Sport- en recreatieve doeleinden'. Het bouwplan voldoet aan de voorschriften die zijn verbonden aan het nieuwe plan en past bovendien in het provinciaal ruimtelijk beleid. Bij de totstandkoming van het nieuwe bestemmingsplan, dat op dit moment in een vergevorderd stadium van totstandkoming verkeert, is door de planwetgever reeds een belangenafweging uitgevoerd waarbij de belangen van enerzijds de sportbeoefenaars zijn afgewogen tegen de belangen van omwonenden. Nu het plan ter plaatse een bouwhoogte van 10 meter toestaat en de in geding zijnde overkapping een hoogte heeft van 2,40 meter oplopend tot 8,70 meter, kon verweerder de doorslag geven aan de belangen van SKK om een overkapping te realiseren boven de bestaande ijsbaan.

2.12 Met betrekking tot de stelling van eisers dat sprake zal zijn van geluidsoverlast doordat de overkapping het geluid van passerende treinen zal weerkaatsen, overweegt de rechtbank het volgende.

In opdracht van SKK is door Adviesbureau Peutz & Associés B.V. (hierna: Peutz) onderzocht wat de invloed is van de te realiseren overkapping van de ijsbaan op het railverkeerslawaai bij naastgelegen woningen. In voormeld rapport d.d. 28 april 2003 is het volgende geconcludeerd:

"Na de realisatie van de overkapping treedt een berekende toename van het railverkeerslawaai op van 0,6 à 0,8 dB(A).

Deze toename is voor het menselijk oor niet waar te nemen. Aldus kan geconcludeerd worden dat de vrees van bewoners aan de Iepenlaan niet gestaafd wordt door de resultaten van de berekeningen".

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft in haar rapport van 11 oktober 2005 betreffende de ten behoeve van de ijsbaan verleende revisievergunning ingevolge de Wet milieubeheer ten aanzien van de reflectie door de overkapping het volgende geconcludeerd:

"Aangenomen kan worden dat de toename van de geluidsbelasting door reflectie van spoorweglawaai tegen de nieuwe overkapping van de ijsbaan niet meer dan 1 dB bedraagt. In ieder geval kan de reflectie nooit meer bedragen dan 3dB".

Uit het vorenstaande volgt dat er geen sprake is van een onevenredige geluidsbelasting door reflectie van spoorweglawaai tegen de nieuwe overkapping van de ijsbaan. Het betoog van eisers dienaangaande kan dan ook niet slagen.

2.13 Met betrekking tot de door eisers gevreesde overlast, bijvoorbeeld door het gebruik tijdens de zomermaanden, merkt de rechtbank op dat het gebruik van de overkapte ijsbaan wordt gereguleerd met toepassing van de Wet milieubeheer waarin bepalingen zijn opgenomen ter voorkoming danwel beperking van overlast.

2.14 [Eiser Y] heeft betoogd dat verweerder ten onrechte geen voorwaarden heeft verbonden aan de bouwvergunning. Te dien aanzien overweegt de rechtbank als volgt.

Daargelaten de vraag of in het licht van artikel 56 Woningwet deze voorwaarde kan worden verbonden aan de in geding zijnde bouwvergunning, bestaat hiertoe geen noodzaak nu gebleken is dat SKK de coniferenhaag inmiddels heeft hersteld en de toezegging heeft gedaan deze in stand te houden.

2.15 In hetgeen eisers hebben aangevoerd omtrent verlies van landschappelijkheid, uitzichtverlies en verminderde lichtinval acht de rechtbank geen grond aanwezig voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot vrijstelling had kunnen komen. Niet gebleken is dat de belangen van eisers zodanig worden geschaad door het bouwplan dat verweerder aan de belangen van eisers doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

2.16 Voor zover eisers betogen dat zij schade lijden door waardevermindering van de woning overweegt de rechtbank dat het eisers vrij staat om op de voet van artikel 49 WRO een verzoek om planschadevergoeding in te dienen.

2.17 Uit het vorenoverwogene volgt dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het verlenen van de vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, WRO.

2.18 Nu het bestreden besluit ook anderszins niet voor vernietiging in aanmerking komt, zal het beroep ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heijning-Huydecoper, voorzitter van de meervoudige kamer, en mrs. E.P.W. van de Ven en A.P.W. Duijkersloot, rechters, en op 31 mei 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van

mr. H.J. de Boer, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.