Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA9762

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-06-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
AWB 07-3660
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder heeft mogen afgaan op de adviezen van de brandweer en de politie, waarin gemotiveerd is uiteengezet waarom het plaatsen van een terras in de Batumburgerstraat niet verantwoord is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 3660

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juni 2007

in de zaak van:

V.O.F. Prinsenbar,

gevestigd te Edam,

verzoekster,

gemachtigde: mr. Y.M. van der Meulen-Krouwel, werkzaam bij Koninklijk Horeca Nederland,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam,

verweerder,

gemachtigde: mr. B.F. de Jong, advocaat te Amsterdam,

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2007, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder - voor zover hier van belang - besloten op grond van artikel 2.1.5.1, vijfde lid, onder a, van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) in de Batumburgerstraat geen terras toe te staan tijdens evenementen.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 27 april 2007 bezwaar gemaakt. Bij brief van 1 juni 2007 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 14 juni 2007, alwaar namens verzoekster is verschenen [X], bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd, vergezeld van L. Wignand, werkzaam bij de gemeente Edam-Volendam.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voorzover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.2 Het besluit ziet op alle evenementen voor 2007 waarvoor verzoekster in januari 2007 een terrasvergunning heeft aangevraagd.

2.3 Ingevolge artikel 2.1.5.1, eerste lid, APV is het verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de bestemming daarvan.

Ingevolge artikel 2.1.5.1, vijfde lid, onder a, APV kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

2.4 Verzoekster is van mening dat het besluit onbevoegd is genomen, nu op grond van artikel 2.3.1.2, vijfde lid, APV de burgemeester beslist over de terrassen bij horecabedrijven en niet het college. Verweerder heeft dit bestreden en heeft ter zitting betoogd dat het college bevoegd is, nu er in dit geval geen sprake is van een exploitatievergunning voor het horeacabedrijf. Te dien aanzien overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

2.5 De voorzieningenrechter gaat er in het kader van deze procedure om redenen van opportuniteit van uit dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is. Hierbij is in aanmerking genomen dat de beoordelingsgrondslag van artikel 2.1.5.1, vijfde lid, enerzijds en artikel 2.3.1.2, vijfde lid, APV anderzijds hetzelfde is. Het vorenstaande neemt natuurlijk niet weg dat verweerder bij het nemen van een beslissing op het bezwaarschrift zal moeten ingaan op hetgeen verzoekster ten aanzien van de bevoegdheid heeft aangevoerd.

2.6 Verzoekster heeft betoogd dat de weigering van het terras aan de Batumburgerstraat tijdens de evenementen in 2007 niet kan worden gedragen door de adviezen die er thans liggen. Verweerder heeft zich niet op het horeca-of terrassenbeleid kunnen baseren. Verzoekster zal aanzienlijke schade lijden door het bestreden besluit. Dit belang is op geen enkele wijze in de besluitvorming betrokken zodat het besluit niet in stand kan blijven.

2.7 In de Nota Horecabeleid van maart 2003 zijn beleidsregels opgenomen voor het plaatsen van terrassen op de openbare weg. Hierin is bepaald - voor zover hier van belang - dat in bijzondere gevallen (evenementen) het college het gebruik van de voor de rijbaan bestemde gedeelten van de openbare weg ten behoeve van de exploitatie van een terras toestaat. Hierbij speelt het waarborgen van de toegang voor direct omwonenden en ook hulpverleningsdiensten een belangrijke rol. Voor hulpverleningsdiensten dient de ongehinderde doorgang minimaal 3,50 meter breed en 4,50 meter hoog te zijn.

2.8 Verweerder heeft de weigering doen steunen op de adviezen van de politie en de afdeling Brandweer en Veiligheid.

De politie heeft in zijn aanvullend advies van 12 juni 2007 het volgende overwogen:

"Zoals aangegeven in het eerste advies is de politie geen voorstander van terrassen in de Batumburgerstraat. (..)

De Prinsenstraat is tijdens het evenement afgesloten voor het verkeer. De Batumburgerstraat is echter zodanig smal dat de minimale vrije rijbaanbreedte ten behoeve van de bereikbaarheid door hulpdiensten, niet gehaald wordt indien een terras wordt geplaatst.

Ik adviseer u om de gevraagde vergunning voor wat betreft de Prinsenstraat te verlenen, en voor wat betreft de Batumburgerstraat, in het belang van de veiligheid niet te verlenen.

De Batumburgerstraat is essentieel voor de aan-en afvoer van hulpdiensten en voor de afvoer van publiek van calamiteiten".

De afdeling Brandweer en Veiligheid heeft in zijn advies d.d. 11 juni 2007 geadviseerd om de Batumburgerstraat vrij te houden van een terras en aan te merken als alternatieve vluchtmogelijkheid.

De brandweer heeft zijn advies - voor zover hier van belang - als volgt gemotiveerd:

"Edam viert dit jaar 650 jaar stadsrechten. Hier is veel publiciteit aan gegeven. De verwachting is dat bij een aantal evenementen er grotere aantallen bezoekers zullen zijn dan in de voorgaande jaren.

Het is dan ook zeer aannemelijk dat de drukte op en rond de terrassen in de Prinsenstraat/Batumburgerstraat hierdoor zal toenemen. Het advies is daarom om ten tijde van een aantal evenementen/dagen de Batumburgerstraat te indiceren als alternatieve vluchtroute voor de aanwezige bezoekers daar ter plaatse. Het gevolg hiervan is dat het plaatsen van terrassen tijdens de te benoemen evenementen in dit gebied niet verantwoord is. Door geen terrassen toe te staan wordt een veilige ontvluchting vanuit de Prinsenstraat via de Batumburgerstraat gerealiseerd."

2.9 In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat het beoogde gebruik van de Batumburgerstraat als terras gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg en het doelmatig of veilig gebruik daarvan. Door het niet langer toestaan van terrasmeubilair in de Batumburgerstraat wordt deze vrijgehouden als extra doorstroom voor publiek en als "vluchtroute" voor het publiek in geval van eventuele calamiteiten.

Ter zitting is door gemachtigde van verweerder gewezen op de Nota Horecabeleid waarin is weergegeven dat de ongehinderde doorgang voor hulpverleningsdiensten minimaal 3,50 meter breed en 4,50 meter hoog dient te zijn. Gemachtigde van verweerder heeft dienaangaande betoogd dat verweerder reeds op deze grond het verzoek had kunnen afwijzen, nu de Batumburgerstraat 4 meter breed is, bestaande uit een rijbaan van 2,5 meter met aan weerszijde een troittoir van 75 cm.

2.10 De voorzieningenrechter zal bij zijn voorlopige beoordeling uitsluitend de door verweerder in het bestreden besluit gehanteerde afwijzingsgrond in aanmerking nemen. Hetgeen door gemachtigde nader ter zitting is betoogd omtrent de Nota Horecabeleid heeft de voorzieningenrechter niet betrokken in zijn voorlopig oordeel.

2.11 Gelet op de bewoordingen van artikel 2.1.5.1, vijfde lid, onder a, APV, betreft het verlenen van een terrasvergunning een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Dit betekent dat de voorzieningenrechter zich dient te beperken tot de vraag of de voorgedragen beroepsgronden tot het oordeel leiden dat verweerder het genomen besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid, danwel hij bij de beoordeling van de daarvoor in aanmerking komende aspecten en afweging van de daarvoor in aanmerking komende belangen, in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten om de thans in geding zijnde terrasvergunning aan verzoekster te weigeren.

2.12 De voorzieningenrechter heeft nota genomen van het betoog van verzoekster dat verweerder de weigering van de terrasvergunning niet heeft kunnen baseren op de adviezen van de politie en de brandweer. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder heeft mogen afgaan op de adviezen van de brandweer en de politie, waarin is gemotiveerd is uiteengezet waarom het plaatsen van een terras in de Batumburgerstraat niet verantwoord is. Er is geen grond voor het oordeel dat deze adviezen qua inhoud en/of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertonen dat verweerder dit advies niet of niet zonder meer aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

2.13 Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat de in de adviezen van de brandweer en de politie ingenomen standpunten ten aanzien van het zogeheten crowd management niet met zoveel worden in het beleid van verweerder is weergegeven. Naar dezerzijds voorlopig oordeel staat het verweerder evenwel vrij om dit aspect in zijn beoordeling te betrekken. Ter zitting is door gemachtigde van verweerder verklaard dat de Nota horecabeleid zal worden aangepast in dier voege dat het aspect crowd management in de Nota zal worden opgenomen.

2.14 Gelet op het vorenstaande is niet waarschijnlijk dat het bestreden besluit in bezwaar zal worden herroepen wegens onvoldoende of gebrekkige onderbouwing, althans wegens een gebrek in materiële zin dat tot geen andere beslissing zal kunnen leiden dan het verlenen van een terrasvergunning. Om deze reden zal de voorzieningenrechter ervan afzien de gevraagde voorziening, die ertoe strekt te bepalen dat wordt gedoogd dat een terras wordt geëxploiteerd en derhalve even ver strekt als het verlenen van de vergunning zelf, toe te wijzen.

2.15. Het vorenstaande neemt niet weg dat verweerder het in bezwaar op zijn weg zal moeten zien liggen in te gaan op de grieven die verzoekster naar voren heeft gebracht ten aanzien van de zorgvuldigheid van de besluitvorming en de wijze waarop zijn belangen in de afweging zijn betrokken. De voorzieningenrechter doelt hierbij in het bijzonder op de omstandigheid dat verzoekster rauwelijks en zonder dat sprake is geweest van enige vorm van overleg met een beleidswijziging is geconfronteerd, zulks terwijl hem jaren achtereen een vergunning is verleend voor dezelfde locatie. Voorts dateert de aanvraag van januari en had het redelijkerwijs mogelijk moeten zijn verzoekster eerder dan gebeurd in te lichten. Het moge zo zijn dat door dit talmen geen direct aanwijsbare financiële schade is ontstaan, feit is wel dat de gang van zaken niet zorgvuldig is. Tenslotte is de voorzieningenrechter van oordeel dat in de heroverweging expliciet aandacht zal moeten worden besteed aan de belangen van verzoekster en hoe deze zijn gewogen.

2.15 Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen.

2.16 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, voorzieningenrechter, en op 15 juni 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van

mr. H.J. de Boer, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.