Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA9728

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-06-2007
Datum publicatie
17-07-2007
Zaaknummer
342094 AL VERZ 07-1318
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het verzoek strekt tot nietigverklaring van twee besluiten van de VvE als in strijd met het splitsingsreglement. Geen bevoegdheid van de kantonrechter. In plaats van de zaak op de juiste wijze (via een dagvaarding) aan te brengen bij de bevoegde rechter (sector civiel van de rechtbank), kiezen partijen ervoor om de zaak op de voet van artikel 96 Rv door de kantonrechter te laten beslissen (prorogatie).

Hoewel de kantonrechter vaststelt dat de besluiten in strijd zijn met het splitsingsreglement, wordt de vordering afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 3:303 BW (geen voldoende belang).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rep.nr.: 342094 / AL VERZ 07-1318

datum uitspraak: 22 juni 2007

BESLISSING EX ARTIKEL 96 Rv.

inzake

[verzoekers],

wonende te [woonplaats],

verzoekers,

hierna gezamenlijk: [verzoekers],

tegen

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging

Vereniging van Eigenaars “Buitenhof”,

gevestigd te Heemskerk,

verweerster,

hierna: de VvE Buitenhof

gemachtigde: mr. J.A.F. Corten.

De procedure

Op 26 maart 2007 is ter griffie een verzoekschrift ontvangen van [verzoekers], strekkende tot nietig verklaring van besluiten van de VvE Buitenhof d.d. 23 mei en 17 oktober 2006. De VvE Buitenhof heeft een verweerschrift ingediend. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 8 juni 2007. Alle stemgerechtigden zijn voor de zitting opgeroepen teneinde te worden gehoord. Op de zitting hebben partijen hun standpunt nader toegelicht. [verzoekers] heeft een pleitnota en enige producties overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is verhandeld. Beschikking is bepaald op heden.

De feiten

De appartementencomplexen Buitenhof en Binnenhof kennen ieder een eigen VvE.

Voor de gronden waarvoor tussen de beide complexen een gemeenschap bestaat - de binnentuin en de parkeerplaatsen - bestaat er ook een gezamenlijke VvE, de VvE “B&B”.

Het verzoek

Het verzoek richt zich tegen de besluiten van de VvE Buitenhof van 23 mei en 17 oktober 2006. Op de ledenvergadering van 16 februari 2006 is een niet geagendeerd voorstel gedaan om een onderzoek te doen naar de mogelijkheid om de parkeerplaatsen te bestraten, waar de leden voor hebben gestemd. Op 23 mei 2006 is een besluit aan de leden van de VvE Buitenhof voorgelegd, terwijl de offerte voor de bestrating al ruim daarvoor door het bestuur was ondertekend. In de akte van splitsing is bepaald dat de parkeerplaatsen behorende bij Buitenhof één geheel vormen met de parkeerplaatsen van Binnenhof. Er had dus een besluit door de VvE B&B genomen moeten worden. Het (achteraf) akkoord van de VvE Binnenhof - d.d. 7 oktober 2006 - is niet voldoende. Het besluit van 23 mei 2006 is daarom nietig, want strijdig met het splitsingsreglement.

Hetzelfde geldt voor het besluit van de VvE Buitenhof van 17 oktober 2006 met betrekking tot het onderhoud van de gezamenlijke tuin. Het betreft het besluit om het contract met de hovenier te beëindigen, waar de VvE Binnenhof wel met de hovenier doorgaat. Ook hier had een besluit van de VvE B&B aan ten grondslag moeten liggen.

Er is een financieel belang bij de vordering. De beide VvE’s dienen gezamenlijk de kosten te dragen voor het beheer van de gemeenschap in een verhouding van 60% voor de VvE Buitenhof en 40% voor de VvE Binnenhof. Thans draagt VvE Buitenhof de volledige lasten van de nieuwe bestrating van de parkeerplaatsen.

Het verweer

De VvE Buitenhof heeft gemotiveerd tegen het verzoek verweer gevoerd. Daarop zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

De beoordeling van het verzoek

[verzoekers] verzoekt nietig verklaring van twee besluiten van de VvE Buitenhof. In zijn algemeenheid geldt dat een besluit van een VvE dat in strijd is met de splitsingsakte nietig is op de voet van het bepaalde in de artikelen 5:129 jo 2:14 BW. Een vordering tot verklaring voor recht dat een besluit van de VvE nietig is dient echter - bij gebrek aan een wettelijke bepaling die voor een dergelijke vordering een bevoegdheid van de kantonrechter creëert - middels een dagvaardingsprocedure aan de sector civiel van de rechtbank te worden gericht. Een verwijzing naar de (dagvaardingsprocedure van de) sector civiel is derhalve op zijn plaats. Partijen hebben de kantonrechter echter op de voet van artikel 96 Rv. verzocht op het geschil te beslissen. Impliciet hebben zij daarmee verzocht de procedure te beschouwen als bij dagvaarding ingeleid.

De kantonrechter zal - conform het verzoek van partijen - op de zaak beslissen. Het volgende wordt overwogen. In de akte van splitsing van B&B wordt uitdrukkelijk aangegeven welke gemeenschappelijke gedeelten Binnenhof en Buitenhof hebben. Voorts wordt aangegeven - zie de aanpassingen op het modelreglement onder O, betreffende lid 1 onder a. van artikel 38 - dat de vergadering beslist over het beheer van die gemeenschappelijke gedeelten. [verzoekers] heeft het derhalve bij het rechte eind als hij stelt dat aan de besluiten betreffende de bestrating van de parkeerplaatsen en het onderhoud van de tuin formeel een besluit van de VvE B&B ten grondslag behoort te liggen.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter van de VvE Buitenhof aangegeven dat de VvE B&B thans slechts vergadert in de vorm van een overleg tussen de voorzitters van de VvE Binnenhof en de VvE Buitenhof, dat de verhoudingen goed zijn en dat - kennelijk informeel - is afgesproken dat indien er iets in een gemeenschappelijk deel moet gebeuren dat feitelijk bij één van de VvE’s hoort, deze VvE de kosten hiervan draagt.

Waar de VvE Buitenhof niet heeft aangevoerd dat de gewraakte besluiten door formele besluiten van de VvE B&B zijn gedekt stelt de kantonrechter vast dat deze formeel in strijd zijn met het splitsingsreglement. Dit leidt op grond van de navolgende overweging echter niet zonder meer tot toewijzing van de vordering van [verzoekers].

Gevraagd naar zijn belang bij de vordering heeft [verzoekers] gewezen op het financiële risico dat de VvE Buitenhof loopt, omdat zij thans 100 % van de bestratingskosten betaalt (in plaats van 60 %) en de VvE Binnenhof voor projecten vallende binnen de gemeenschap desondanks de VvE Buitenhof kan vragen om financieel bij te dragen. Dat risico is echter naar het oordeel van de kantonrechter in het licht van de huidige verhoudingen - zoals die onbetwist door de voorzitter van de VvE Buitenhof zijn geschetst - niet reëel. Deze heeft immers aangegeven dat iedere VvE de kosten van haar eigen projecten draagt ook als deze formeel binnen de gemeenschap vallen. Dit wordt bevestigd door de huidige situatie, waarbij de VvE Binnenhof ook tot bestrating van haar parkeerplaatsen is overgegaan en de hovenier is blijven inhuren, maar de VvE Buitenhof kennelijk niet om een financiële bijdrage heeft gevraagd. Waar beide besluiten voldongen feiten betreffen - de bestrating van de parkeerplaatsen voldoet volgens [verzoekers] uitstekend en hij beoogt niet dat deze ongedaan gemaakt moet worden, terwijl het in eigen beheer uitvoeren van het onderhoud aan de tuin door de VvE Buitenhof er naar zeggen van [verzoekers] voor zorgt dat het “Buitenhofgedeelte” er veel beter uitziet dan het “Binnenhofgedeelte” - valt overigens niet in te zien welk belang [verzoekers] heeft bij een verklaring voor recht dat deze besluiten nietig zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 3:303 BW wordt zijn vordering daarom afgewezen.

Ten overvloede overweegt de kantonrechter het volgende. [verzoekers] heeft zijn punt met betrekking tot de wijze van besluitvorming binnen de VvE B&B ondanks bovengenoemd oordeel wel gemaakt. Om verdere problemen te voorkomen dienen de beide VvE’s de bestaande praktijk in een formeel kader te gieten. De akte van splitsing van B&B biedt daarvoor een uitstekend handvat in de vorm van artikel 38 lid 1 onder b van het splitsingsreglement (zie de wijzigingen van het modelreglement onder O).

De strekking van de hiervoor omschreven beslissing is zodanig dat partijen geacht worden over en weer op punten in het ongelijk te zijn gesteld. De proceskosten zullen daarom worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Beslissing

De kantonrechter:

- wijst het gevorderde af;

- compenseert de proceskosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Deze beslissing is gegeven door mr. B. Vogel en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.