Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA9494

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-07-2007
Datum publicatie
12-07-2007
Zaaknummer
15/975003-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Haarlem veroordeelt verdachte die zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het produceren van synthetische drugs in een daartoe ingerichte loods tot 6 jaar gevangenisstraf. In deze loods was een grote hoeveelheid materiaal bevattende MDMA en N-ethyl-MDA (hierna aan te duiden als: XTC) aanwezig en lagen ongeveer één miljoen zogenaamde XTC-tabletten verpakt in dozen voor transport gereed. Uit de resultaten van een door het Nederlands Forensisch Instituut verricht onderzoek in de loods blijkt dat de productiecapaciteit van dit laboratorium zeer groot was. Nu verdachte hier gedurende een periode van vier maanden bij betrokken is geweest, moet aangenomen worden dat hij aldus heeft bijgedragen aan de productie van een zeer aanzienlijke hoeveelheid XTC-tabletten. De op te leggen straf is hoger dan de straf die door de officier van justitie is gevorderd, nu de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan zowel de ernst van het bewezenverklaarde als de aanzienlijke rol die verdachte daarbij heeft vervuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/975003-07

Uitspraakdatum: 12 juli 2007

Tegenspraak

STRAFVONNIS

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 juni 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Noord Huis van Bewaring De Marwei te Leeuwarden.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 28 juni 2007- tenlastegelegd dat

PRIMAIR:

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2006 tot en met 30 januari 2007 te Haarlem meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of MDEA en/of MDA, zijnde MDMA en/of MDEA en/of MDA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

SUBSIDIAIR:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 december 2005 tot en met 30 juni 2006 te Haarlem en/of Veenendaal en/of Rhenen, in elk geval in Nederland, meermalen, athans eenmaal tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of vervaardigen van (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en/of MDEA en/of MDA, zijnde MDMA en/of MDEA en/of MDA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen (telkens)(een) voorwerp(en) en/of (een) stof(fen) en/of (een) vervoersmiddel(en) en/of geld(en) en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk daartoe (een) hoeveelhe(i)d(en) aceton overgenomen en/of afgenomen van [getuige 2] en/of een of ander(e) perso(o)n(en) en/of voorhanden gehad en/of deze stof(fen) vervoerd naar een produktielokatie, althans een loods, gelegen aan de [adres] te Haarlem,

en/of

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 30 januari 2007 te Haarlem en/of Veenendaal, in elk geval in Nederland, meermalen, athans eenmaal tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of vervaardigen van (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en/of MDEA en/of MDA, zijnde MDMA en/of MDEA en/of MDA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen (tekens)(een) voorwerp(en) en/of (een) stof(fen) en/of (een) vervoersmiddel(en) en/of geld(en) en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk daartoe (een) hoeveelhe(i)d(en) aceton overgenomen en/of afgenomen van [getuige 2] en/of een of ander(e) perso(o)n(en) en/of voorhanden gehad en/of deze stof(fen) vervoerd naar een produktielokatie, althans een loods, gelegen aan de [adres] te Haarlem.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan in dier voege dat

PRIMAIR:

hij in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 30 januari 2007 te Haarlem meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft vervaardigd een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of MDEA, zijnde MDMA en MDEA telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.2 Onrechtmatig verkregen bewijsverweer

De raadsman heeft op gronden als uiteengezet in zijn pleitnota aangevoerd, dat de afgeluisterde telefoongesprekken gevoerd via de mobiele telefoon van verdachte en welke gesprekken in de stukken zijn aangeduid met een code beginnend met T 04 niet tot het bewijs mogen worden gebezigd omdat deze onrechtmatige zijn verkregen. Ditzelfde geldt in de visie van de raadsman voor de uit die gesprekken voortgevloeide onderzoeksresultaten, waaronder de verklaringen van verdachte waar het de inhoud van deze gesprekken betreft.

Nu de rechtbank geen van de door de door de raadsman bedoelde gesprekken tot het bewijs laat meewerken, en de wel tot het bewijs gebezigde passages van de verklaringen van verdachte niet zijn afgelegd na confrontatie met deze gesprekken, zal de rechtbank dit verweer bij gebrek aan belang niet bespreken.

3.3 Bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezenverklaarde feit door verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna gemelde gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De hieronder opgenomen processen-verbaal zijn in wettelijk vorm opgemaakt en voldoen aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Indien wordt verwezen naar dossierpagina's, wordt het dossier van de FIOD/ECD met nummer: 38736 “Light” bedoeld.

De onder 6 en 10 tot het bewijs gebezigde schriftelijke stukken worden slechts tot het bewijs gebezigd in samenhang met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 juni 2007, voor zover – zakelijk weergegeven - inhoudende:

Ik heb op 26 januari 2007 een lading van acht vaten opgehaald bij [bedrijfsnaam]. [medeverdachte 1] had mij gevraagd dit te doen. In Haarlem heb ik de bus achteruit de loods aan de [adres] in gereden en hebben [medeverdachte 1] en ik samen de vaten uit de bestelbus geladen.

Sinds het eind van mijn vorige detentie, dit zal medio juli of augustus 2006 zijn geweest, kwam ik één à twee keer per week in de loods aan de [adres]. Ik had sinds juli of augustus 2006 zelf een sleutel van de loods.

2. Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 31 januari 2007 om 18.29 uur, ordner 2, dossierpagina’s 102012-102015, onder meer bevattende zijn verklaring – zakelijk weergegeven – dat:

- hij een week of drie geleden ook nog boven in de loods van [medeverdachte 1] aan de [adres] te Haarlem is geweest, maar toen alles nog leeg was.

3. Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte 1 d.d. 31 januari 2007 om 14.04 uur, ordner 2, dossierpagina’s 101012-101015, onder meer bevattende zijn verklaring – zakelijk weergegeven – dat:

- hij een loods huurt in Haarlem aan de [adres] met nog een letter erachter;

- het laboratorium rond zijn verjaardag op 2 oktober 2006 was opgebouwd en er binnen een paar dagen begonnen is met de productie.

4. Proces-verbaal van verhoor van [getuige 1], d.d. 1 maart 2007 om 18.30 uur, ordner 3, dossierpagina’s 201095-201098, onder meer bevattende haar verklaring – zakelijk weergegeven – dat:

- [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met zijn drieën een loods aan de [adres] te Haarlem hadden;

- als [verdachte] en zij voorbij de loods kwamen, [verdachte] vertelde dat de loods van hem, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] was.

5. Proces-verbaal van verhoor van [getuige 2], d.d. 27 maart 2007 om 16.40 uur, ordner 3, dossierpagina’s 203008-203013, onder meer bevattende zijn verklaring – zakelijk weergegeven – dat:

- de keren dat [getuige 3] en [medeverdachte 1] de aceton kwamen ophalen er steeds een tweede jongen bij was;

- hij de jongen die de laatste keer in januari (de rechtbank begrijpt: 26 januari 2007) de aceton kwam ophalen daarvoor al een keer gezien had toen deze of met [getuige 3] of met [medeverdachte 1] meegekomen was.

6. Schriftelijk stuk, te weten een transcript van een afgeluisterd telefoongesprek T03 7274 d.d. 26 januari 2007 om 11.39 uur, ordner 8, dossierpagina 600031, waarin [medeverdachte 1] [getuige 2] belt en – zakelijk weergegeven - onder meer tegen [getuige 2] zegt:

“Mijn vriend is onderweg. (…) Maar je hebt hem wel een keer gezien die jongen.”

7. Proces-verbaal van aanhouding van verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3], ordner 2, dossierpagina’s 101002-101003, waarin onder meer – zakelijk weergegeven – is gerelateerd dat:

-op 30 januari 2007 te 23:50 uur in het perceel aan de [adres] te Haarlem zijn aangehouden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3].

8. Proces-verbaal van bevindingen van de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen, ordner 6, dossierpagina’s 400015-400021, waarin onder meer – zakelijk weergegeven – staat gerelateerd:

- dat op 30 januari 2007, omstreeks 23.45 uur, een inval heeft plaatsgevonden in het perceel [adres] te Haarlem;

- dat de eerst aangehouden persoon zei dat er “binnen nog wel iets uitgezet moest worden in verband met de veiligheid”;

- dat er in de achterste ruimte op de begane grond een proefopstelling voor het vervaardigen van synthetische drugs stond;

- dat de bovenverdieping gevuld was met honderden jerrycans, dat er vijf in werking zijnde vrieskisten stonden en dat er op de vloer een zeil lag met restanten van poeder;

- dat ruim 1 miljoen tabletten werden aangetroffen.

9. Deskundigenrapport opgesteld door de vast gerechtelijk deskundige dr. J.H.J. van den Berg, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 11 juni 2007 (zaaknummer 2007.02.02.075), waaruit – zakelijk weergegeven – onder meer blijkt:

- dat er op 31 januari en 1 en 2 februari 2007 door Van den Berg werd geassisteerd bij een onderzoek in een bedrijfspand op locatie [adres] in Haarlem;

- dat het bedrijfspand bestond uit een benedenverdieping (ruimte A) en een bovenverdieping (ruimte B);

- dat de onderzochte monsters van de aangetroffen pillen N-ethyl-MDA en MDMA dan wel uitsluitend MDMA bevatten;

- dat de onderzochte monsters van de meer dan 30 kilo aangetroffen poeder MDMA bevatten;

- dat de schatting van de totaal gerealiseerde productie op basis van PMK verpakkingen, aceton bevattend kristallisatieafval of methanol bevattend destillatieafval voor alle drie een waarde in dezelfde orde van grootte geeft en dat op basis van deze gegevens tenminste 975 kg MDMA base geproduceerd kan zijn;

- dat de conclusie luidt dat er ter plekke MDMA en N-ethyl-MDA is vervaardigd.

10. Een schriftelijk stuk, te weten een lijst van de voorwerpen die door de FIOID/ECD op 1 februari 2007 zijn inbeslaggenomen in de loods aan de [adres] 27F te Haarlem, ordner 5, dossierpagina 300318, waaruit –zakelijk weergegeven – onder meer blijkt:

- dat de lijst betrekking heeft op objectnummer B (naar de rechtbank op grond van het vorige bewijmiddel begrijpt: de bovenverdieping van de loods);

- dat onder volgnummer B-9 een leeg blikje sinas in beslag is genomen;

- dat onder volgnummer B-10 een leeg pakje sinasappelsap in beslag is genomen.

11. Deskundigenrapport opgesteld door de vast gerechtelijk deskundige ing. M.J.W. Pouwels, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 11 april 2007 (zaaknummer 2007.02.02.075 (aanvraag 3)), ordner 8, dossierpagina’s 400764-400780, waaruit – zakelijk weergegeven – onder meer blijkt dat:

- DNA-identiteitszegel RGP673 een referentiemonster wangslijmvlies van [verdachte] (geboren op [geboortedatum]) betreft;

- het celmateriaal van de onderzochte bemonstering van het blikje sinas [EDA967]#1, TR-nummer B-9, afkomstig kan zijn van verdachte [verdachte] [RGP963], terwijl de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen ander persoon hetzelfde is als dat van het celmateriaal in de onderzochte bemonstering kleiner dan één op één miljard is;

- het celmateriaal van de onderzochte bemonstering van het pakje sinaasappelsap [EDA968]#1, TR-nummer B-10, afkomstig kan zijn van verdachte [verdachte] [RGP963], terwijl de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen ander persoon hetzelfde is als dat van het celmateriaal in de onderzochte bemonstering kleiner dan één op één miljard is.

12. Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] d.d.1 februari 2007 te 14:50 uur, ordner 2, dossierpagina’s 1003106- 103020 onder meer – zakelijk weergegeven – inhoudende dat:

- hij op 30 januari 2007 is aangehouden in de loods aan de [adres] (de rechtbank begrijpt [adres]) te Haarlem;

- hij heeft meegewerkt aan de productie van XTC-pillen;

- hij produceerde totdat de poeder was ontstaan;

- dat er overdag pillen werden geslagen.

13. Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte Janszen d.d.18 april 2007 te 10:35 uur, ordner 2, dossierpagina’s 103026 – 103036 onder meer – zakelijk weergegeven – inhoudende dat:

- er in de loods aan de [adres] te Haarlem meer mensen werkten die een chemisch proces deden.

14. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 februari 2007, ordner 4, dossierpagina’s 300156-300157, waarin – zakelijk weergegeven - onder meer is gerelateerd dat:

- de verbalisanten op 30 januari 2007 naar de loods aan de [adres] te Haarlem moesten komen;

- hen was verzocht uit te kijken naar een Audi met het kenteken [kenteken];

- zij deze auto langst het perceel aan de [adres] te Haarlem zagen rijden;

- zij de auto een stopteken hebben gegeven;

- [verdachte] de bestuurder van de auto was;

- hij is aangehouden.

15. Proces-verbaal sleutels [verdachte] d.d. 13 februari 2007, ordner 6, dossierpagina’s 400106-400107, waarin onder meer staat gerelateerd – zakelijk weergegeven – dat:

- verbalisant op 1 februari 2007 de Audi A4, kenteken [kenteken], welke op naam staat van [verdachte], heeft doorzocht;

- op de achterbank een zwarte (sport)tas werd aangetroffen, met daarin onder meer een sleutelbos met een sleutel voor een cilinderslot, een pensleutel alsmede een wit label zonder opschrift bevat;

- de pensleutel paste in alle twee de pensloten afkomstig van de loods aan de [adres] en dat de andere sleutel paste in het cilinderslot afkomstig van de loods aan de [adres].

3.4 Bewijsoverweging.

De rechtbank heeft op grond van het de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting van 28 juni 2007 het volgende geconstateerd.

(i)Ten overstaan van de FIOD-ECD heeft verdachte in eerste instantie verklaard dat hij op 26 januari 2007 de hele dag aan het werk was in de loods aan de [adres 2] te Haarlem (verklaring verdachte van 31 januari 2007, ordner 2, p. 102027 ev), terwijl hij in een later verhoor geen antwoord wil geven op vragen naar aanleiding van observaties op 26 januari 2007 (verklaring verdachte van 8 februari 2007, ordner 2, p. 102027 ev). Eerst ter terechtzitting van 28 juni 2007 heeft verdachte verklaard dat de observaties voorzover zij hemzelf betreffen correct zijn en dat hij op 26 januari 2007 vaten voor [medeverdachte 1] heeft opgehaald bij [bedrijfsnaam] en naar de loods aan de [adres] te Haarlem heeft gebracht. Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven waarom hij voorafgaand aan de terechtzitting van 28 juni 2007 heeft ontkend dan wel in ieder geval met betrekking tot zijn eigen rol geen verklaring heeft willen afleggen naar aanleiding van hetgeen op 26 januari 2007 is geobserveerd, terwijl die observaties (proces-verbaal van observatie, ordner 8, p. 500001 ev) om een verklaring van zijn kant vroegen. Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen 5 en 6 dat verdachte niet, zoals hij ter terechtzitting van 28 juni 2007 heeft verklaard, alleen op 26 januari 2007, maar ook daarvoor al een keer vaten heeft opgehaald bij [bedrijfsnaam].

(ii) Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet heeft gezien dat op de bovenverdieping van de loods spullen stonden. Uit de bewijsmiddelen blijkt evenwel dat verdachte drie weken voor zijn aanhouding nog boven is geweest en dat een deel van het productieproces van – kort gezegd – XTC dat als sinds begin oktober 2006 bezig was zich op de bovenverdieping van de loods afspeelde.

De rechtbank merkt in dit verband nog op dat zij uitgaat van de juistheid van de eerste verklaring van verdachte dat hij drie weken voorafgaand aan zijn aanhouding nog op de bovenverdieping van de loods is geweest, omdat hij geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij daar later anders over heeft verklaard.

(iii) Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard, dat de sleutel van de loods waar hij over beschikt niet gebruikt en dat die sleutel altijd thuis ligt. Uit de bewijsmiddelen blijkt evenwel dat in de zwarte sporttas die is aangetroffen in verdachtes auto, in welke auto hij zich kort voor zijn aanhouding bevond, sleutels zijn gevonden die passen op sloten van de loods aan de [adres] te Haarlem.

Nu verdachte aantoonbaar onjuiste verklaringen heeft afgelegd over het aantal keren dat hij vaten heeft opgehaald bij [bedrijfsnaam], over het leeg zijn van de bovenverdieping van de loods drie weken voor zijn aanhouding en over het feit dat hij de sleutel van de loods altijd thuis heeft liggen, is de rechtbank van oordeel dat aan de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 juni 2007 dat hij niet wist wat zich in de door hem opgehaalde en naar de loods aan de [adres] te Haarlem gebrachte vaten bevond geen geloof moet worden gehecht en dat hij weldegelijk wist was er in die vaten zat, namelijk aceton, en dat hij ook wist dat die aceton bestemd was om te worden gebruikt voor de productie van – kort gezegd – XTC in die loods. Daarbij betrekt de rechtbank voorts dat op de bovenverdieping van de loods voorwerpen met daarop verdachtes dna zijn aangetroffen. Bij gebreke aan enige andere aannemelijke verklaring hiervoor, gaat de rechtbank er vanuit dat deze voorwerpen daar door verdachte zijn achtergelaten toen hij daar aanwezig was terwijl het productieproces van XTC zich daar afspeelde.

Op grond van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte wetenschap had van het XTC-laboratorium in de loods aan de [adres] te Haarlem.

Gelet op het feit dat verdachte gedurende een periode van vier maanden zeer frequent, namelijk één à twee keer per week, in de loods aanwezig was en dat hij over sleutels van die loods beschikte, waaruit de rechtbank afleidt dat verdachte het vertrouwen genoot van degenen in wiens opdracht het laboratorium in de loods is gevestigd, terwijl verdachte voorts op verzoek van Vooren vaten aceton heeft gehaald die waren bedoeld om te worden gebruikt bij het productieproces van – kort gezegd – XTC, is de rechtbank van oordeel dat sprake was van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten gericht op het vervaardigen van XTC.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

primair: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie en van overige beslissingen

6.1 vordering van de officier van justitie

De officier heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit en heeft gevorderd dat verdachte ter zake daarvan een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar zal worden opgelegd, zulks met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter is gebleken.

Ten aanzien van de op te leggen straf neemt de rechtbank in het bijzonder het navolgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het produceren van synthetische drugs in een daartoe ingerichte loods. In deze loods was een grote hoeveelheid materiaal bevattende MDMA en N-ethyl-MDA (hierna aan te duiden als: XTC) aanwezig en lagen ongeveer één miljoen zogenaamde XTC-tabletten verpakt in dozen voor transport gereed. Uit de resultaten van een door het Nederlands Forensisch Instituut verricht onderzoek in de loods blijkt dat de productiecapaciteit van dit laboratorium zeer groot was. Nu verdachte hier gedurende een periode van vier maanden bij betrokken is geweest, moet aangenomen worden dat hij aldus heeft bijgedragen aan de productie van een zeer aanzienlijke hoeveelheid XTC-tabletten.

MDMA en N-ethyl-MDA bevatten voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen. Het betreft hier verslavende en bewustzijnsbeïnvloedende middelen ten aanzien waarvan de wetgever (onder meer) om die reden de productie heeft verboden. Zo blijkt uit onderzoek dat na gebruik van XTC levensbedreigende en psychische klachten kunnen optreden. In de afgelopen jaren zijn na gebruik van XTC meermalen jonge mensen overleden. Verdachte heeft met voorbijzien aan de risico's voor de gezondheid van veelal jonge mensen een rol gespeeld bij het handelingen die niet anders dan gericht kunnen zijn op het op grote schaal op de markt brengen van deze verboden synthetische drugs.

Naast het gevaar voor de volksgezondheid schuilt in de productie van XTC-tabletten nog ander gevaar. De rechtbank wijst op schade aan het milieu, veroorzaakt door dumpingen van de bij de productie van XTC-tabletten vrijkomende chemische afvalstoffen in het riool of elders en op het ontploffingsgevaar dat bij de productie van XTC-tabletten aanwezig is, welk gevaar zich onder meer doet gelden bij laboratoria in een veelgebruikt industriegebied, zoals het onderhavige.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur passend en geboden is.

De raadsman heeft betoogd dat indien hetgeen hij in het kader van het hiervoor onder 3.2 besproken verweer heeft aangevoerd niet tot bewijsuitsluiting leidt, dit strafvermindering tot gevolg zou moeten hebben omdat door het onrechtmatig opnemen en afluisteren van telefoongesprekken bewijs tegen verdachte is verzameld en hij aldus sprake is van een daadwerkelijk nadeel. De rechtbank volgt de raadsman hierin niet, nu – zoals hiervoor onder 3.2 reeds is overwogen – de afgeluisterde telefoongesprekken niet tot het bewijs zijn gebezigd en de wel tot het bewijs gebezigde passages van de verklaringen van verdachte niet zijn afgelegd na confrontatie met deze gesprekken. Niet valt in te zien dat verdachte in zijn belangen is geschaad.

De op te leggen straf is hoger dan de straf die door de officier van justitie is gevorderd, nu de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan zowel de ernst van het bewezenverklaarde als de aanzienlijke rol die verdachte daarbij heeft vervuld.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: 47, 57;

Opiumwet: 2, 10 (oud) en 10.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het onder primair tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.1 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZES (6) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Bijvoet, voorzitter,

mrs. de Vries-van den Heuvel en Tel, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Valk,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 juli 2007.