Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA9190

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
03-07-2007
Datum publicatie
10-07-2007
Zaaknummer
AWB 07-1341 en 07-2398
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft een algemeen ligplaatsverbod ingesteld op de scheepvaartwegen waarover hij het bevoegd gezag is ingevolge de Scheepvaartverkeerswet (Svw). Met het bestreden verkeersbesluit heeft verweerder een oeverlengte van 188 meter als openbare ligplaats in de zin van het Binnenvaartpolitiereglement aangewezen en daarmee uitgezonderd van het algemene ligplaatsverbod. Bij een besluit omtrent het aanwijzen van een algemene ligplaats dient de bescherming van de in artikel 3 Svw genoemde nautische belangen het uitgangspunt te zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 1341 en AWB 07 - 2398

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2007

in de zaak van:

Gebr. Otte Lisse B.V.,

gevestigd te Lisse,

eiseres,

gemachtigde: mr. P.P. Otte, werkzaam bij Otte, Klemann & Hamar de la Brethonière, bedrijfsjuristen en adviseurs te Castricum,

tegen:

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder,

derde partij

Vessies Infra B.V. ,

gevestigd te Lisse,

gemachtigde: mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaat te Rosmalen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 1993, nr. 93900647, heeft verweerder een algemeen ligplaatsverbod ingesteld op de scheepvaartwegen waarover hij het bevoegd gezag is ingevolge de Scheepvaartverkeerswet. In hetzelfde besluit heeft verweerder een aantal locaties daarvan uitgezonderd, zoals de loswal "Otte" tussen kilometerpunten 06,250 en 06,350 van de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder over een afstand van 100 meter, door plaatsing van een aanwijzingsteken E.5.12 in combinatie met bijkomend teken F.2 (2x).

Bij besluit van 6 juni 2006, verzonden op 8 juni 2006, heeft verweerder op grond van de Scheepvaartverkeerswet aan Vessies Infra B.V. (hierna: Vessies) een ontheffing verleend van het verbod ligplaats in te nemen op de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder aan de noordwestelijke oever tussen het perceel van eiseres en de keerplaats ter hoogte van het Elsbroekkanaal voor schepen tot een lengte van 53 meter.

Eiseres heeft aan verweerder verzocht handhavend op te treden omdat Vessies zich niet zou houden aan de verleende ontheffing. Eiseres heeft op 6 februari 2007 bezwaar gemaakt tegen het niet handhaven door verweerder. Bij brief van 19 februari 2007 heeft eiseres een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Bij besluit van 9 februari 2007, bekendgemaakt op 21 februari 2007, heeft verweerder met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure het besluit van 1 juli 1993 - voor zover betrekking hebbend op de aanwijzing van loswal "Otte" - ingetrokken, het besluit van 6 juni 2006 ingetrokken en aangewezen als algemene ligplaats (ankeren en meren toegestaan) de oever ter hoogte van de percelen 'Otte'en 'Vessies' langs het westelijke deel van de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder (buitenzijde) tussen kilometerpunten 06,250 en 06,438 over een lengte van 188 meter door plaatsing van verkeerstekens E.5.12 van bijlage 7 van het Binnenvaartpolitiereglement in combinatie met bijkomend teken F2 (2x) en F.3 (2x) met de tekst 'loswal Otte' op de zuidelijke loswal en 'loswal Vessies' op de noordelijke loswal.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 29 maart 2007 beroep ingesteld. Daarbij heeft hij zijn eerder ingediende verzoek om voorlopige voorziening gewijzigd, in die zin dat thans verzocht wordt om schorsing van het besluit van 9 februari 2007 en handhaving van het besluit van 6 juni 2006.

De zaak is behandeld ter zitting van 2 juli 2007, alwaar namens eiseres is verschenen haar gemachtigde, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Contant, werkzaam bij de provincie Noord-Holland. Voorts waren namens Vessies aanwezig haar gemachtigde, voornoemd, alsmede J.P. Koole en K. Kuiper.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. De in het onderhavige geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

2.2 De voorzieningenrechter overweegt allereerst het volgende. Hoewel eiseres de voorlopig voorziening aanvankelijk heeft verzocht in verband met het ingediende bezwaarschrift van 6 februari 2007 tegen het niet handhaven van het besluit van 6 juni 2006 door verweerder, kan de voorzieningenrechter hierover geen oordeel geven. Nu ter zitting is gebleken dat verweerder inmiddels een besluit op bezwaar heeft genomen op het bezwaarschrift van 6 februari 2007 en eiseres hiertegen geen beroep heeft ingesteld, wordt niet meer voldaan aan het vereiste van connexiteit voor zover het verzoek ziet op de handhavingskwestie. In dit geding staat derhalve uitsluitend ter beoordeling van de voorzieningenrechter of verweerders besluit van 9 februari 2007 in rechte stand kan houden.

2.3 Eiseres is gevestigd op een bedrijfsterrein aan de Ringvaart en beschikt sinds 1 juli 1993 aan de oever van de Ringvaart over een losplaats van 100 meter lengte die wordt gebruikt door schepen met bestemming voor haar bedrijf, voor de aanvoer van zand en grind. In 2002 heeft Vessies op het naastgelegen perceel een bedrijfsterrein gekocht voor de op- en overslag van zand, grind en andere mineralen en grondstoffen. Dit bedrijf maakt eveneens gebruik van de Ringvaart voor de aanvoer van zand en grind en heeft hiervoor een losfaciliteit op haar terrein. Vessies heeft verweerder verzocht om een ontheffing voor het afmeren van te laden en te lossen zand- en grindschepen ten behoeve van haar bedrijf. De loswal bevindt zich langs de linkeroever van de Ringvaart tussen de loswal van eiseres en de invaart van het Elsbroekkanaal. Verweerder heeft de aanvankelijk verleende ontheffing met het besluit op bezwaar van 29 maart 2006 weer ingetrokken omdat bij het afmeren van schepen van 70 meter langs de loswal van 55 meter de als keerplaats aangewezen invaart van het Elsbroekkanaal kan worden geblokkeerd.

2.4 Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 6 juni 2006 aan Vessies opnieuw ontheffing verleend van het verbod ligplaats in te nemen op de Ringvaart tussen het perceel van eiseres en de keerplaats ter hoogte van het Elsbroekkanaal met schepen met een maximale lengte van 53 meter. Zowel eiseres als Vessies konden zich in dit besluit vinden.

2.5 Verweerder heeft vervolgens op 9 februari 2007 besloten om - onder intrekking van de besluiten van 1 juli 1993 (deels) en 6 juni 2006 - voor de bezoekende schepen van de loswallen "Otte" en "Vessies" een zelfde juridisch regime te hanteren en de gehele oeverlengte van 188 meter van de percelen van beide buurbedrijven als openbare ligplaats in de zin van het Binnenvaartpolitiereglement en het daarop gebaseerde verkeersbesluit van 1 juli 1993 aan te wijzen en daarmee uit te zonderen van het in dit verkeersbesluit vervatte algemene ligplaatsverbod.

2.6 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de scheepvaartverkeerssituatie ter hoogte van de bedrijven van eiseres en Vessies met het verkeersbesluit aanzienlijk is verbeterd. Naast het feit dat er thans een eenduidig regime is vastgesteld, is het nu mogelijk dat schepen over een lengte van 188 meter kunnen aanmeren, hetgeen de verkeerssituatie, de manoeuvreerbaarheid ter plaatse en de veiligheid van de schippers ten goede komt. De lengte waarvoor het verkeersbesluit geldt, is immers 35 meter meer in vergelijking met de voorgaande situatie waarbij aanleggen over een lengte van 153 meter mogelijk was, te weten 100 meter middels het verkeersbesluit van 1 juli 1993 en 53 meter middels de ontheffing van 6 juni 2006. Naar de mening van verweerder kan de door eiseres gevreesde overlast niet leiden tot een vernietiging van het besluit, temeer de schepen die bij eiseres aanmeren ook overlast voor Vessies kunnen veroorzaken.

2.7 De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.8 Ingevolge artikel 2 Scheepvaartverkeerswet (Svw) is verweerder in onderhavig geval het bevoegd gezag voor toepassing van deze wet.

Krachtens artikel 5 Svw is verweerder bevoegd tot het nemen van beslissingen met betrekking tot het aanbrengen of verwijderen van verkeerstekens.

Uit artikel 3, eerste lid, Svw gelezen in samenhang met artikel 1 Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement volgt dat het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) is vastgesteld met het oog op het belang van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer. In artikel 5 Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer is bepaald dat de motivering van een verkeersbesluit in ieder geval vermeldt welke doelstellingen met het besluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 3 van de wet genoemde belangen aan het besluit ten grondslag liggen.

2.9 Gelet hierop dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter bij een besluit omtrent het aanwijzen van een algemene ligplaats, zoals in onderhavig geval, de bescherming van deze in artikel 3 Svw genoemde nautische belangen het uitgangspunt te zijn. Met andere belangen kan geen rekening worden gehouden.

2.10 Ondanks het feit dat in het bestreden besluit geen expliciete melding wordt gemaakt van artikel 3, eerste lid, Svw, komt uit de tekst van het besluit voldoende duidelijk naar voren dat verweerder het besluit heeft genomen in het belang van het verzekeren van de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer, het in stand houden van scheepvaartwegen alsmede het voorkomen of beperken van schade door het scheepvaartverkeer aan de waterhuishouding, oevers en waterkeringen of werken.

2.11 De voorzieningenrechter heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van de stelling van eiseres dat het nautisch niet verantwoord is om bij de loswal van Vessies aan te leggen met schepen van 70 meter lengte. Met het bestreden verkeersbesluit is de totale lengte van de loswal met 35 meter vergroot, waardoor schippers juist meer manoeuvreerruimte hebben, hetgeen de veiligheid op het water ten goede komt. Ten gevolge van het verkeersbesluit kunnen bovendien bij Vessies nu ook schepen met een lengte van 70 meter aanleggen zonder dat deze schepen de keerplaats ter hoogte van de invaart van het Elsbroekkanaal blokkeren. Voor zover eiseres op dit punt heeft verwezen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 3 november 2005, moet worden opgemerkt dat de hierin genoemde nautische bezwaren juist betrekking hadden op de belemmering van de invaart van het Elsbroekkanaal, waarvan thans geen sprake meer is. Gelet op de aanwezige manoeuvreer- en keerruimte acht de voorzieningenrechter het bovendien niet aannemelijk dat de schepen door dit verkeersbesluit met noemenswaardige vertragingen worden geconfronteerd door problemen bij het vertrek, zoals eiseres stelt. Nu eiseres verder niet heeft onderbouwd waaruit de nautische bezwaren bestaan en de voorzieningenrechter hiervan niet is gebleken, faalt deze grief.

2.12 Eiseres acht voorts van belang dat haar loswal vele malen groter is dan de kleine loswal van Vessies en dat de schepen die aanmeren aan de loswal van Vessies voor de kade van eiseres zullen liggen. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter dat het openbaar water betreft en deze ondervonden hinder, gelet op hetgeen onder 2.10 is overwogen, geen rol kan spelen bij de vraag of het onderhavige verkeersbesluit rechtmatig is. Bovendien heeft eiseres de stelling van verweerder dat schepen voor eiseres ook wel eens voor de kade van Vessies liggen, niet betwist.

2.13 Het beroep is ongegrond. Nu het beroep ongegrond is, bestaat er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het desbetreffende verzoek wordt derhalve afgewezen.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om voorlopige voorziening, voor zover dat ziet op het verkeersbesluit van 9 februari 2007, af

3.3 verklaart het verzoek om voorlopige voorziening, voor zover dat ziet op het niet handhaven van het besluit van 6 juni 2006, niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, voorzieningenrechter, en op 3 juli 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat uitsluitend voor zover het de hoofdzaak betreft hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.