Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA9185

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-06-2007
Datum publicatie
10-07-2007
Zaaknummer
AWB 06-10262
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vernietiging besluit wegens onvoldoende betrachte zorgvuldigheid; instandlaten rechtsgevolgen omdat alsnog op tegenadvies is ingegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06 - 10262

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juni 2007

in de zaak van:

De Groene Groep Ontwikkeling B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. J.M. Neefe, advocaat te Rotterdam,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2002 heeft verweerder aan Schiphol Area Development Company N.V. vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 19, eerste lid, Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor de aanleg van Beech Avenue, wat betreft het tracé tussen de Rijkerstreek en de Fokkerweg te Schiphol-Rijk, gemeente Haarlemmermeer.

Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt, welk bezwaar verweerder bij besluit van 25 april 2003 ongegrond heeft verklaard, welk besluit is vernietigd bij de uitspraak van de rechtbank van 2 juni 2004.

Bij besluit van 30 november 2004 heeft verweerder het bezwaar wederom ongegrond verklaard, welk besluit is vernietigd bij uitspraak van de rechtbank van 4 oktober 2005, welke uitspraak door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) op 30 augustus 2006 is bevestigd.

Bij besluit van 29 augustus 2006 heeft verweerder opnieuw op het bezwaar beslist en het bezwaar wederom ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder verwezen naar het advies van de op grond van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingestelde adviescommissie.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 10 oktober 2006, aangevuld bij brief van 20 november 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift d.d. 22 december 2006 ingediend.

Bij brief van 11 mei 2007 heeft eiseres nadere stukken toegezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 24 mei 2007, alwaar eiseres is verschenen bij haar voornoemde gemachtigde mr. Neefe. Verweerder is verschenen bij zijn voornoemde gemachtigde mr. Ellerman, terwijl tevens zijn verschenen D.J. van der Graaf, verkeersdeskundige, en C. Lakerveld, beleidsmedewerker, beiden werkzaam bij de gemeente Haarlemmermeer. Voorts is verschenen E. Stehouwer, ingenieur bij Ingenieursbureau Oranjewoud B.V..

2. Overwegingen

2.1 Het omstreden project betreft de aanleg van een weg met de bouw van een overkluizing in het kader van voltooiing van de zogenoemde binnenring van de luchthaven Schiphol, die dient ter verbetering van de bereikbaarheid van de luchthaven en ter ontlasting van het regionale wegennet.

2.2 De rechtbank overweegt dat, gelet op haar uitspraak van 4 oktober 2005 en de bevestigende uitspraak van de ABRS van 30 augustus 2006, als vaststaand is aan te nemen dat voldaan is aan het vereiste van een goede ruimtelijke onderbouwing voor de ingevolge artikel 19, eerste lid, WRO verleende vrijstelling en tevens dat verweerder zich mocht baseren op het rapport van Ingenieursbureau Oranjewoud B.V. (hierna: Oranjewoud) van 25 augustus 2004 met betrekking tot het verkeerskundig onderdeel van het project, met name ten aanzien van het gehanteerde verkeersmodel en de gedane metingen en berekeningen.

2.3 In de thans bestreden beslissing op het bezwaar heeft verweerder aan de ruimtelijke onderbouwing nadere invulling gegeven door middel van nieuwe onderzoeken, waaronder - naar hier van belang - een nieuw rapport van 26 april 2006 van Oranjewoud, "Luchtkwaliteitsonderzoek Beech Avenue".

2.4 In beroep heeft eiseres aangevoerd dat het besluit vernietigd moet worden wegens strijd met de artikelen 3:2, 3:46 en 7:12 Awb, omdat verweerder ten onrechte niet met de besluitvorming heeft gewacht op de door eiseres aangekondigde tegenrapportage, uit te brengen door advies- en ingenieursbureau DHV B.V. (hierna: DHV).

2.5 De rechtbank stelt dienaangaande vast dat verweerder eiseres eerst bij brief van 18 mei 2006 in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op de nieuwe rapportages, met name het rapport van Oranjewoud, waarbij is verzocht om een reactie toe te sturen vóór 1 juni 2006, aangezien op 15 juni 2006 de hoorzitting zou worden gehouden. Bij fax van 15 juni 2006 is de reactie van eiseres binnengekomen, te laat om op de hoorzitting te worden behandeld. In de fax heeft eiseres aangekondigd dat inmiddels aan DHV opdracht was verleend om een luchtkwaliteitsrapportage op te stellen en dat de onderzoeksresultaten zo spoedig mogelijk zouden worden gepresenteerd. Op verzoek van de bezwarencommissie heeft verweerder een aanvullende notitie opgesteld omtrent enkele aspecten ter zake van de luchtkwaliteit. In deze notitie is verweerder tevens ingegaan op de reactie van eiseres bij de fax van 15 juni 2006. Hierop heeft eiseres weer gereageerd bij brief van 3 juli 2006, waarin eiseres, omdat naar haar mening de verschillen van inzicht uitsluitend door deskundigen kunnen worden beoordeeld, heeft verzocht om aanhouding van de besluitvorming, omdat DHV pas begin augustus 2006 een aanvang met het onderzoek kon maken.

2.6 Gelet op de hiervoor weergegeven feitelijke gang van zaken overweegt de rechtbank dat verweerder bij de besluitvorming niet die zorgvuldigheid heeft betracht die in casu was aangewezen. Verweerder heeft eiseres immers onvoldoende in de gelegenheid gesteld een onderbouwde reactie te geven op de door verweerder ter onderbouwing van zijn besluit gevraagde deskundigenrapportages. Het is niet onredelijk te achten dat eiseres zich ook van een advies c.q. rapport van een deskundige in deze materie wenste te voorzien om een gedegen en deskundige reactie te kunnen geven en tevens haar grieven daarmee te onderbouwen. De door verweerder gestelde termijnen voor het geven van een reactie waren daarvoor onmiskenbaar te kort. Verweerder is op het verzoek om aanhouding van de besluitvorming totdat de tegenrapportage beschikbaar zou zijn ten onrechte niet ingegaan. Daaraan doet niet af dat, naar verweerder naar voren heeft gebracht, de voorzieningenrechter verweerder - in een annexe zaak met betrekking tot hetzelfde besluit - had opgedragen uiterlijk op 29 augustus 2006 een beslissing op het bezwaar te nemen. Daarbij dient te worden bedacht dat de voorzieningenrechter deze datum heeft gesteld op voorstel van verweerder en dat verweerder van de mogelijkheid tot verlenging van deze termijn gebruik had kunnen maken. Het vorenstaande leidt ertoe dat het besluit, wegens strijd met het in artikel 3:2 Awb vereiste van een zorgvuldige voorbereiding, in zoverre moet worden vernietigd.

2.7 De rechtbank zal vervolgens ingaan op de overige, inhoudelijke grieven van eiseres, en mede op grond van deze beoordeling overwegen of er aanleiding is, met toepassing van artikel 8:72, derde lid Awb, de rechtgevolgen van het in zoverre te vernietigen besluit in stand te laten.

2.8 Inhoudelijk heeft eiseres betoogd dat het besluit in strijd is met het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: BLK 2005), waarbij zij heeft verwezen naar de resultaten van het onderzoek door DHV, die heeft gerapporteerd de conclusies van het rapport van Oranjewoud wegens onvolledigheid van het door Oranjewoud verrichte onderzoek niet te kunnen delen.

2.9 Deze grief slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe dat verweerder zich bij zijn besluitvorming heeft mogen baseren op het rapport van 26 april 2006 van Oranjewoud. De rechtbank stelt daarbij voorop dat geen argument is aangevoerd op grond waarvan aan de deskundigheid van Oranjewoud zou moeten worden getwijfeld. Voorts kan niet worden gezegd dat het rapport op onzorgvuldige wijze is tot stand gekomen of dat er overigens ernstige gebreken aan kleven. Daarbij is van belang dat in het rapport van DHV geen aanleiding is gevonden voor een andersluidend oordeel. Bij het verweerschrift is verweerder inhoudelijk en ter zake kundig ingegaan op hetgeen eiseres, in navolging van het DHV rapport, als tekortkomingen van Oranjewoud naar voren heeft gebracht. Verweerder heeft daarbij gemotiveerd aangegeven dat op grond van het BLK 2005 geen metingen voor lood of stikstofoxiden vereist zijn en dat de desbetreffende waarden daarom terecht niet in de rapportage van Oranjewoud zijn opgenomen, dat lokale bronnen, inclusief de groei van Schiphol, zijn meegenomen en dat tevens rekening is gehouden met de A5 en de A4. Voorts is 2008 genomen als het jaar van realisatie van het project en zijn de effecten tevens beoordeeld naar de jaren 2010 en 2015. Het effect op de aangrenzende wegen aan de oostzijde is beoordeeld en zeer gering bevonden. Verweerder heeft daarbij gewezen op de salderingsmogelijkheid in artikel 7, derde lid, onder b, BLK 2005, die ertoe leidt dat met de realisering van Beech Avenue de in aanmerking te nemen grenswaarden niet worden overschreden, of verbeteren dan wel gelijk blijven, en dat de waarden van de luchtkwaliteit het verlenen van de vrijstelling derhalve niet in de weg staan. Van de zijde van eiseres is deze conclusie niet dan wel onvoldoende bestreden.

2.10 Met betrekking tot de grief van eiseres dat ten onrechte geen rekening is gehouden met een verdubbeling van de rijbanen van Beech Avenue, heeft verweerder aangegeven dat een 1 x 2-strooksweg toereikend is en er geen plannen liggen voor verdubbeling van de weg. Ook deze grief slaagt derhalve niet.

2.11 Met betrekking tot de door eiseres geuite twijfel omtrent het nut of de noodzaak van de aanleg van de omstreden weg, waarbij zij heeft gewezen op de kaart, waarop reeds een toekomstige parallelle Kaagbaan over het tracé heen is getekend, heeft verweerder opgemerkt dat er vooralsnog geen sprake is van de aanleg van een parallelle Kaagbaan. Deze grief treft dan ook evenmin doel.

2.12 Gelet op de voorgaande overwegingen zal het beroep wat de inhoudelijke beoordeling betreft ongegrond worden verklaard. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het - zoals in 2.6. overwogen - wegens procedurele onzorgvuldigheid deels te vernietigen besluit in stand te laten. Daartoe heeft de rechtbank mede van belang geacht dat verweerder in zijn besluitvorming steeds inhoudelijk op de reacties van eiseres is ingegaan en ten slotte bij verweerschrift inhoudelijk op het DHV-rapport van 13 november 2006 heeft gereageerd. Aldus is uiteindelijk voldoende rekening gehouden met de door eiseres naar voren gebrachte, mede op het onderzoek van DHV gebaseerde, bezwaren.

2.13 Nu het besluit weliswaar deels zal worden vernietigd maar de rechtsgevolgen ervan in stand zullen worden gelaten, bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 vernietigt het bestreden besluit van 29 augustus 2006, voor zover het in strijd is met artikel 3:2 Awb;

3.2 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het in zoverre vernietigde besluit in stand blijven;

3.3 verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzitter van de meervoudige kamer, en mrs. G.W.S. de Groot en A.J. Medze, rechters, en op 25 juni 2007 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Hekelaar, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.