Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA9169

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-06-2007
Datum publicatie
10-07-2007
Zaaknummer
AWB 07-1554
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Op grond van Lozingenbesluit is een IBA-II voorziening aangewezen. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening t.a.v. de aanschaf en plaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 1554

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juni 2007

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

tegen:

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2007 heeft verweerder op grond van artikel 6 van het Lozingenbesluit Wvo Huishoudelijk afvalwater een nadere eis gesteld aan de huidige lozing van huishoudelijk afvalwater afkomstig van verzoekers perceel, [adres], bestaande uit de aanschaffing en plaatsing van een septic tank van het type gecertificeerd IBA klasse II.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 23 februari 2007 bezwaar gemaakt.

Bij andere brief van 23 februari 2007 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 25 juni 2007, alwaar verzoeker in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J.J. Oosterling, W.H.J. Wissink en A.P Schrader, allen werkzaam bij het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.2 Ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren is een vergunning nodig voor het lozen van afvalwater op oppervlaktewater. Dit vereiste is vervallen bij het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater (hierna: Lozingenbesluit) voor degenen, die uitsluitend huishoudelijk afvalwater lozen. Zij moeten voldoen aan de voorschriften die bij of krachtens het Lozingenbesluit zijn gesteld en aan de nadere eisen die de waterbeheerder als beleidsregels hanteert.

2.3 Ingevolge artikel 6, eerste lid, Lozingenbesluit dient de lozer, die zijn lozingspunt heeft op een afstand van meer dan veertig meter tot de dichtstbijzijnde (gemeentelijke) riolering, zijn huishoudelijk afvalwater te lozen door middel van een voorziening voor de individuele behandeling van afvalwater (IBA). Ingevolge het tweede lid kan de waterbeheerder bij nadere eis voorschrijven welke voorziening dient te worden getroffen voor het bieden van voldoende bescherming voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Voor de bescherming daarvan in de door de provincie Noord-Holland als "kwetsbaar" aangemerkt gebieden, heeft de waterbeheerder een IBA klasse II-systeem aangewezen.

2.4 Verzoekers perceel ligt in een als kwetsbaar aangewezen gebied. Met de aanschaf van een IBA, klasse II is een zodanig bedrag aan aanschaf- en plaatsingskosten gemoeid, dat de samenwerkende overheidsinstanties hebben geoordeeld dat niet in redelijkheid valt te verwachten dat de burger geheel zelfstandig aan de eisen van het Lozingenbesluit kan voldoen Zij hebben bij bestuursovereenkomst van 22 maart 2002 vastgelegd dat de gemeenten in het waterbeheersgebied van verweerder aan de betreffende bewoners een aanbod doen ter zake van de aanschaf en plaatsing van de benodigde voorziening.

2.5 Verzoeker heeft geen gebruik gemaakt van het aanbod van de zijde van de gemeente Uitgeest om de IBA-voorziening te laten verzorgen door de gemeente, in samenwerking met verweerder. Dit betekent dat verzoeker zelf zorg dient te dragen voor de aanschaf en de plaatsing van de voorziening IBA-II. In het thans bestreden besluit heeft verweerder verzoeker aangeschreven dat de voorziening voor 1 juli 2007 aangebracht dient te zijn, en erop gewezen dat, indien de lozingssituatie na 1 juli 2007 niet conform de nadere eis plaatsvindt gebruik zal worden gemaakt van de verweerder ter beschikking staande handhavingsmiddelen ter beëindiging van deze overtredingssituatie.

2.6 Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in strijd met de bovengenoemde wet- en regelgeving beslist en is overeenkomstig het beleid en de gemaakte afspraken gehandeld.

2.7 Verzoeker heeft onder meer - samengevat en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de voorziening onnodig is, omdat het oppervlaktewater op zijn perceel zeer schoon is, getuige de vele vogels, vissen en andere waterdieren en zijn eigen koeien, die uit de sloot drinken en zeer gezond zijn, dat de kosten-batenverhouding zoek is en dat het onredelijk is hem op kosten te jagen, terwijl er zoveel andere vervuilers (bijvoorbeeld fabrieken en vliegtuigverkeer) in het gebied hun gang kunnen gaan.

2.8 Hoe begrijpelijk verzoekers bezwaren ook zijn, in wezen zijn ze gericht tegen de grondslagen van de wet- en regelgeving en het daarin gehanteerde uitgangspunt dat een ieder verantwoordelijk is voor een goed milieubeheer en bescherming van de natuur, waaronder de oppervlaktewateren.

Tegen het wettelijk kader kan evenwel niet worden opgetreden door middel van een individueel beroep ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.9 Verzoeker heeft voorts een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan. Hij heeft er daarbij in de eerste plaats op gewezen dat de ene bewoner voor dezelfde soort of type voorziening meer moet betalen c.q. bijdragen dan de andere bewoner. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat deze verschillen in financiële kosten voornamelijk worden veroorzaakt door de diverse tarieven die de verschillende gemeenten hanteren voor hun rioolrechtenheffing, waaraan de kosten van een IBA-voorziening zijn gerelateerd. Strijd met het gelijkheidsbeginsel kan in deze situatie niet aan verweerder worden tegengeworpen.

Voorts heeft verzoeker gewezen op een geval van een bewoner aan de dijk, eveneens in kwetsbaar gebied, aan wie geen "nadere eis" is gesteld en die daarom geen IBA-II behoeft te installeren. Dienaangaande heeft verweerder toegelicht dat zich hier het uitzonderlijke geval voordoet dat in deze situatie de waterkering prevaleert boven de watersanering. Nu hier niet van een gelijk geval kan worden gesproken, is ook met betrekking tot deze grief van verzoeker geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.

2.10 In hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht doet zich naar het oordeel van voorzieningenrechter geen bijzonder geval voor op grond waarvan zou moeten worden afgeweken van de toepasselijke wet- en regelgeving en/of de gehanteerde beleidsregels.

2.11 Nu er geen aanknopingspunten zijn voor het (voorlopig) oordeel dat het besluit in bezwaar geen stand zal kunnen houden, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen.

2.12 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heijning-Huydecoper, voorzieningenrechter, en op 26 juni 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M. Hekelaar, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.