Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA9155

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-06-2007
Datum publicatie
27-07-2007
Zaaknummer
06/4073
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2008:BG0468, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor de beantwoording van de vraag of er in geval van exploitatie van een windturbine sprake is van een onderneming is van belang of er arbeid wordt verricht die naar aard of omvang de gebruikelijke arbeid bij normaal vermogensbeheer overtreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/54.2.1
Vp-bulletin 2007, 44
FutD 2007-1435
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/4073

Uitspraakdatum: 27 juni 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.682.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder bij uitspraak van 8 februari 2006 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 20 maart 2006, ontvangen bij de rechtbank op 21 maart 2006, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2007 te Haarlem.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door de vertegenwoordiger van zijn gemachtigde. Namens verweerder is verschenen mr. A. Ter zitting is door eiser een pleitnota overgelegd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiser exploiteert in maatschapverband te samen met zijn echtgenote een bloemenkwekerij.

2.2. In 2001 wordt een aanvang gemaakt met een investering in een windturbine. Het bedrag van de investering bedraagt uiteindelijk, na aftrek van verkregen subsidies, (afgerond) € 545.560. De windturbine is geplaatst op een stuk grond dat behoort tot eisers privévermogen. In 2002 is de windturbine gereedgekomen en in gebruik genomen.

2.3. In juni 2001 heeft eiser de elektriciteit die de turbine zal opwekken vanaf het moment van ingebruikneming tot een tijdstip dat 10 jaar daarna is gelegen, bij voorbaat verkocht aan N.V. C.

2.4. Eiser heeft ter zake van de windturbine een contract afgesloten met een onderhoudsbedrijf. Zelf mag hij geen onderhoud aan de turbine verrichten. De turbine is volledig computergestuurd en staat in verbinding met het onderhoudsbedrijf. Storingen aan de turbine worden automatisch, zonder tussenkomst van eiser, aan het onderhoudsbedrijf doorgegeven.

2.5. In zijn aangifte inkomstenbelasting 2002 heeft eiser een belastbaar inkomen uit werk en woning opgegeven van € 14.880. Eiser heeft de windturbine en de daarmee samenhangende schulden gerekend tot de grondslag voor zijn inkomen uit sparen en beleggen.

2.6. Bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het resultaat uit de exploitatie van de windturbine, groot € 802, winst uit een door eiser gedreven onderneming vormt. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van ( € 14.880 + € 802 =) € 15.682.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de opbrengsten uit de exploitatie van de windturbine moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming zoals verweerder stelt, dan wel dat de windturbine deel uitmaakt van de rendementsgrondslag van box 3 hetgeen eiser verdedigt.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden beschouwd.

3.3. Ter zitting hebben partijen, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende verklaard.

Eiser: De verkregen subsidie betreft de Energie Investeringsaftrek Non Profit. Deze subsidie is bestemd voor natuurlijk personen die geen beroep kunnen of willen doen op voor ondernemers bedoelde faciliteiten zoals de Energie Investering Aftrek of de Vamil-regeling. De aanvraag van de benodigde vergunningen en certificaten is uitbesteed.

Verweerder: Op de vraag welke ondernemershandelingen eiser ten behoeve van zijn windturbine heeft gedaan noem ik: het in stand houden van zogeheten ‘groencertificaten,’ het afsluiten van contracten en verzekeringen, het houden van toezicht. Er is sprake van een elektriciteitsproductiebedrijf en dit geschiedt naar zijn aard ondernemingsgewijs. De elektriciteitsproductie vormt een aparte onderneming en vindt plaats buiten het kader van eisers agrarische bedrijf. Gelet op overweging 5.3. in de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 januari 1999 (nr. 98/0468; LJN AV8260) is de omvang van de door eiser verrichte arbeid niet relevant voor de beantwoording van de vraag in geding.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Bij de beantwoording van de vraag in geding neemt de rechtbank het volgende tot uitgangspunt. Voor zover hier van belang geldt als onderneming voor de toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 de organisatie van arbeid en kapitaal die deelneemt aan het maatschappelijk productieproces met het oogmerk winst te behalen. In dit verband acht de rechtbank slechts van betekenis de arbeid die vanaf het moment waarop de turbine is opgeleverd ter zake van de elektriciteitsproductie door of namens eiser is verricht. Daartoe behoort niet de arbeid die is verricht ter zake van de oprichting en vervaardiging van de turbine (vgl. Hoge Raad 29 mei 1996, nr. 30 774, BNB 1996/232). Voorts dient evenbedoelde arbeid meer te omvatten dan de arbeid die bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is.

4.2. Vast staat dat eisers rol bij de elektriciteitsproductie gering is. Verweerder heeft desgevraagd geen ondernemingshandelingen kunnen noemen die eiser ten behoeve van de elektriciteitsproductie in enge zin heeft verricht. De afwezigheid van arbeid leidt de rechtbank tot de gevolgtrekking dat geen sprake is van een organisatie van kapitaal en arbeid.

4.3. Verweerders opvatting dat de productie van elektriciteit naar zijn aard ondernemingsgewijs plaatsvindt, en dat derhalve aan de factor arbeid in het geheel geen betekenis toekomt voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een onderneming, berust op een onjuiste rechtsopvatting en wordt om die reden verworpen.

4.4. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser ter zake van de productie van elektriciteit verrichte arbeid niet van zodanige aard of omvang is dat deze de gebruikelijke arbeid bij normaal vermogensbeheer overtreft. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor -1-). Voor de overige door eiser gemaakte proceskosten, te weten reiskosten wordt verweerder, eveneens met toepassing van dat besluit, veroordeeld deze te vergoeden tot een bedrag van € 17.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen van werk en woning van € 14.880 en bepaalt dat deze uitspraak in zo verre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 661, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën)het door eiser betaalde griffierecht van € 38 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 27 juni 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J. Snitker, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Carter, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.