Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA9119

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
10-07-2007
Zaaknummer
15/634085-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Haarlem veroordeelt verdachte tot 7 jaar gevangenisstraf met aftrek. Verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan meerdere cocaïnetransporten vanuit Zuid-Amerika naar Nederland via Schiphol. Verdachte trad hierbij op als schakel tussen de personen die de cocaïne in Nederland afnamen (waaronder de zogenaamde ‘park groep’) en medewerkers van Martinair die de drugs op Schiphol van het vliegtuig konden halen. Verdachte is in juli 2006 binnen het tijdsbestek van twee weken op deze wijze betrokken geweest bij drie cocaïnetransporten via Schiphol, waarbij een grote hoeveelheid cocaïne (te weten in totaal ongeveer 57 kilo) Nederland is binnen gebracht. Daarnaast is verdachte betrokken geweest bij het voorbereiden van een drugslijn vanuit Zuid Amerika, via Denemarken naar Nederland. Ook hier heeft verdachte een essentiële rol gespeeld. Verdachte maakte deel uit van een criminele organisatie die gericht was op het binnenbrengen van cocaïne in Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM,

VESTIGING SCHIPHOL

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/634085-06

Uitspraakdatum: 28 juni 2007

Tegenspraak

STRAFVONNIS

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 maart 2007 en 11 en 14 juni 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres],

thans gedetineerd in P.I. Amsterdam, HvB Het Schouw te Amsterdam.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging d.d.14 maart 2007, tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 05 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 10 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet beho-rende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 14 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 07 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 15 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 40 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet beho-rende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 juni 2006 tot en met 11 december 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, en/of te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen/buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I (telkens) voor te bereiden en/of te bevorderen een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen te doen plegen mede te plegen uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte en/of zijn medeverdachte(n) (telkens)

- met elkaar telefonisch contact gehad en/of

- afspraken gemaakt en/of

- ontmoetingen en/of besprekingen gehad en/of

- zich beschikbaar gesteld en/of (vervolgens) gehouden om verdovende middelen van (een) vliegtuig(en) te halen en/of

- contacten gelegd en/of (vervolgens) onderhouden met (potentiële) afnemers van de verdovende midde-len;

5.

hij in of omstreeks de periode van 01 juni 2006 tot en met 11 december 2006 te Schiphol, gemeente Haar-lemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te 's-Hertogenbosch en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen hem, verdachte en/of (onder andere) B. [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4], al dan niet in wisselende samenstelling, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (meermalen) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) van (grote) hoeveelheden cocaïne en/of het (meermalen) plegen van voorbe-reidingshandelingen van dit feit (strafbaar gesteld in de artikelen 2 juncto 10 en 10a van de Opiumwet).

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat.

[Uitgewerkte bewijsmiddelen]

3.2 Bewijsoverwegingen

Feiten 1, 2 en 3 (invoer cocaïne)

De raadsman heeft betoogd dat, gezien de geringe rol van verdachte, bij de feiten 1, 2 en 3 geen sprake is van medeplegen. Derhalve zou vrijspraak moeten volgen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de bij de feiten 1, 2 en 3 opgesomde bewijsmiddelen blijkt dat ver-dachte een zodanig essentiële rol had bij de cocaïnetransporten dat hij als medepleger aangemerkt dient te worden.

Feit 4 (voorbereidingshandelingen)

Tevens heeft de raadsman aangevoerd dat vrijspraak dient te volgen voor feit 4 aangezien verdachte enkel in-formatieve gesprekken heeft gevoerd met zijn medeverdachten. Dit is onvoldoende om tot een bewezenver-klaring van de voorbereidingshandelingen te komen, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer, nu uit bovengenoemde bewijsmiddelen blijkt dat de door verdachte en zijn medeverdachten gepleegde handelingen het informatieve stadium al voorbij waren.

Met betrekking tot feit 4 overweegt de rechtbank tevens het volgende. Ondanks het feit dat in de hierboven opgenomen bewijsmiddelen enkel wordt gesproken over verdovende middelen, acht de rechtbank bewezen dat de voorbereidingshandelingen zagen op het binnen Nederland brengen van cocaïne. Op 5 juli 2006 is op Schiphol in een Martinair vliegtuig afkomstig uit Mexico 10 kilo cocaïne aangetroffen (bewijsmiddelen 4.7 en 4.8). De aankomst van deze vlucht werd onderling gecommuniceerd met de sms ‘het is goed hoeden’ (bewijsmiddel 4.6). [verdachte] heeft verklaard dat met ‘hoeden’ vluchten uit Mexico worden bedoeld (bewijsmiddel 4.5). In het gesprek op 17/10/07 waarin [voornaam betrokkene] aan [verdachte] om ‘vetertjes’ vraagt, zegt [voornaam betrokkene] ook: “het is geen lulverhaal, die hoeden”. De rechtbank overweegt dat, nu op 5 juli 2006 cocaïne is aangetroffen, het aannemelijk is dat wanneer verdachten in het kader van de voorbereidingshandelingen spreken over ver-dovende middelen, zij daarmee kennelijk doelen op cocaïne.

3.3 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat:

1.

hij op 5 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 10 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 14 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen opzette-lijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 7 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op 15 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 40 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

hij op tijdstippen in de periode van 1 juni 2006 tot en met 11 december 2006 te Schiphol, gemeente Haar-lemmermeer, en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, telkens, tezamen en in vereniging met anderen om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden, een ander heeft getracht te bewegen om die feiten mede te plegen, hebbende verdachte en zijn medeverdachten telkens

- met elkaar telefonisch contact gehad en

- afspraken gemaakt en

- ontmoetingen en besprekingen gehad.

De rechtbank merkt op dat in de tenlastelegging wordt verwezen naar het vierde lid doch dat kennelijk wordt bedoeld het vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, nu artikel 2 A sinds de wetswijziging, in werking getreden op 1 juli 2006, niet langer valt onder lid 4 maar lid 5 van artikel 10 van de Opiumwet.

5.

hij in de periode van 1 juni 2006 tot en met 11 december 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen hem, verdachte en (onder andere) B. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4], al dan niet in wisselende samenstelling, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het meermalen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (grote) hoeveelheden cocaïne (strafbaar gesteld in de artikelen 2 juncto 10 van de Opiumwet).

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 3:

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 4:

Een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10, voorbereiden door een ander trachten te bewegen dat feit mede te plegen;

Ten aanzien van feit 5:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie en van overige beslissingen

6.1 Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de feiten bewezen verklaard en gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren en zes maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Ten aanzien van het beslag heeft de officier van justitie gevorderd dat de papieren en de auto worden terug gegeven aan verdachte.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan meerdere cocaïnetransporten vanuit Zuid-Amerika naar Nederland via Schiphol. Verdachte trad hierbij op als schakel tussen de personen die de cocaïne in Nederland afnamen (waaronder de zogenaamde ‘park groep’) en medewerkers van Martinair die de drugs op Schiphol van het vliegtuig konden halen. Verdachte heeft verklaard dat hij de contacten tot stand heeft gebracht tussen de zogenaamde ‘park groep’ en de Martinair medewerkers op Schiphol. Als een transport ging lopen, dan bracht verdachte de medewerkers van Martinair op de hoogte van de aankomst van de vluchten met drugs en gaf door waar de cocaïne precies verborgen was, en naar de opdrachtgevers/afnemers communiceerde hij hoe de zaken op Schiphol liepen. Verdachte is in juli 2006 binnen het tijdsbestek van twee weken op deze wijze betrokken geweest bij drie cocaïnetransporten via Schiphol, waarbij een grote hoeveelheid cocaïne (te weten in totaal ongeveer 57 kilo) Nederland is binnen gebracht.

Daarnaast is verdachte betrokken geweest bij het voorbereiden van een drugslijn vanuit Zuid Amerika, via Denemarken naar Nederland. Ook hier heeft verdachte een essentiële rol gespeeld. Hij was bij verschillende besprekingen over deze zaak betrokken en trad op als schakel tussen medeverdachte 3 (die samen met medeverdachte 4 heeft getracht de chauffeur die vanuit Denemarken naar Nederland reed voor het plan te winnen) en ene [voornaam betrokkene] die kennelijk de contacten met Zuid-Amerika onderhield.

Verdachte maakte deel uit van een criminele organisatie die gericht was op het binnenbrengen van cocaïne in Nederland. Cocaïne is slecht voor de volksgezondheid en werkt ontwrichtend op de samenleving. Nederland staat internationaal bekend als land van waaruit organisaties die zich bezighouden met wereldwijde handel in cocaïne werkzaam zijn. Door zijn handelswijze heeft verdachte het internationale netwerk van verdovende middelen handel in stand gehouden en daarvan deel uitgemaakt. De rechtbank rekent hem dat zwaar aan.

De raadsman heeft aangevoerd dat strafvermindering zou moeten volgen omdat hij te laat was ingelicht door de piketcentrale over het feit dat verdachte in verzekering was gesteld. De rechtbank verwerpt dit verweer nu niet is gebleken dat een en ander het gevolg van nalatigheid van de zijde van het openbaar ministerie.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van lange duur moet worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht, artikelen: 47, 57, 140;

Opiumwet, artikelen: 2, 10, 10a, 11a.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven (7) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechte-nis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van het bescheid en van de personenauto (Volkswagen Touran).

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.J.M. Burg, voorzitter,

mrs. A.C. Monster en W.A.F. Jansen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mrs. L.A. Banning en C.C.J. Antonos,

en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 juni 2007.