Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA9049

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
10-07-2007
Zaaknummer
15/634082-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Haarlem veroordeelt een verdachte tot 8 jaar gevangenisstraf met aftrek.

Verdachte is in de maand juli 2006 betrokken geweest bij vijf transporten cocaïne die via vliegtuigen van Martinair Nederland werden ingevoerd. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij, samen met anderen, binnen het tijdsbestek van twee weken een aanzienlijke hoeveelheid (te weten in totaal ongeveer 157 kilo) van deze stof Nederland heeft binnengebracht.

Een en ander geschiedde in het kader van een criminele organisatie die uit winstbejag opereerde en waarbinnen verdachte een essentiële schakel vormde. Verdachte had in zijn positie van voorman bij een vliegtuigmaatschappij, belast met het laden en lossen van vliegtuigen, vrij toegang tot het beveiligde gebied van Schiphol en met name tot de lading van de vliegtuigen. Hij heeft, veelal in samenwerking met een andere medewerker van de vliegtuigmaatschappij, geregeld dat de cocaïne van boord werd gehaald, van het beveiligde Schiphol terrein naar buiten werd vervoerd en aan de opdrachtgevers werd afgegeven. Hiernaast is gebleken dat verdachte zelf plaatsen bedacht waar de cocaïne in het vliegtuig kon worden verborgen en dat hij dit doorgaf aan de opdrachtgevers. Dit alles heeft verdachte gedaan enkel en alleen vanwege het geld dat hij hiermee kon verdienen. De rechtbank tilt zwaar aan het misbruik dat verdachte heeft gemaakt van zijn positie op Schiphol, zeker gezien de voorbeeldfunctie die verdachte als voorman bij Martinair had. Hiernaast heeft de rechtbank bewezen geacht dat verdachte een aanzienlijke som geld heeft ontvangen voor de door hem verrichte criminele activiteiten. Tevens was verdachte in het bezit van een vuurwapen en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

VESTIGING SCHIPHOL

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/634082-06

Uitspraakdatum: 28 juni 2007

Tegenspraak

STRAFVONNIS

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 14 maart 2007, 12 en 14 juni 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres],

thans gedetineerd in P.I. Midden Holland, HvB Haarlem te Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 01 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 50 kilogram, in elk geval een hoe-veelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 05 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 10 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 05 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 50 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op of omstreeks 14 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 07 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5.

hij op of omstreeks 15 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 40 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet beho-rende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

6.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 februari 2006 tot en met 29 november 2006, te [geboorteplaats], althans in Nederland, (telkens) een voorwerp, te weten een of meer geldbedrag(en) (te weten van (ongeveer) 100.000 euro en/of 50.000 euro en/of 20.000 euro en/of 20.000 euro), (telkens) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp gebruik heeft gemaakt, terwijl hij (telkens) wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

7.

hij op of omstreeks 29 november 2006 te Amsterdam, althans in Nederland, een wapen van categorie III, te weten een pistool van het merk HS 2000, kaliber 9 mm, en/of (bijbehorende) munitie, te weten een houder met 15 scherpe patronen en/of 74 patronen, voorhanden heeft gehad;

8.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2006 tot en met 29 november 2006 te Schiphol, gemeente Haar-lemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te 's-Hertogenbosch en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen hem, verdachte en/of (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4], al dan niet in wisselende samenstelling, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, name-ijk het (meermalen) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) van (grote) hoeveelheden cocaïne en/of het (meermalen) plegen van voorbe-reidingshandelingen van dit feit (strafbaar gesteld in de artikelen 2 juncto 10 en 10a van de Opiumwet).

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat.

[Uitgewerkte bewijsmiddelen]

3.2 Bewijsoverwegingen

Feiten 2 en 3 (transporten 5 juli 2006, ca 10 en ca 50 kilo cocaïne)

De raadsvrouw heeft voor wat betreft de twee onderschepte transporten van 5 juli 2006 aangevoerd dat de rol van verdachte zicht beperkte tot het op de uitkijk staan om te zien of de douane de lading zou controleren. Nu niet is gebleken dat verdachte daadwerkelijke handelingen met betrekking tot de binnenkomende transporten cocaïne heeft verricht danwel had moeten verrichten als de cocaïne niet was onderschept, kan hij niet als medepleger van de invoer van deze cocaïne worden aangemerkt. Derhalve dient vrijspraak te volgen, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. Voor wat betreft het transport van 10 kilo heeft medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard dat verdachte van tevoren heeft overlegd met de personen voor wie de cocaïne bestemd was (de zogenaamde ‘groep van het park’) en met hen heeft afgesproken dat hij ervoor zou zorgen dat de cocaïne op Schiphol van het vliegtuig zou worden gehaald (zie bewijsmiddel 2.3). Voor wat betreft het transport van 5 juli van 50 kilo heeft [medeverdachte 2] verklaard dat verdachte ervoor zou zorgen dat de cocaïne, na aankomst op Schiphol, bij hem ([medeverdachte 2]) terecht zou komen (zie bewijs-middel 3.3), een werkwijze die overeenkomt met de wijze waarop het eerdere transport van 1 juli 2006, waarbij [medeverdachte 2] ook bemiddelde, is afgehandeld (zie hiervoor onder andere de verklaring van verdachte zelf, bewijsmiddel 1.1). Medeverdachte 4 heeft met betrekking tot beide transporten van 5 juli verklaard dat het de bedoeling was dat verdachte, nadat [medeverdachte 4] de cocaïne buiten het beveiligde gebied van Schiphol zou hebben gebracht, deze over zou nemen (zie bewijsmiddelen 2.5 en 3.2). Daarnaast concludeert de rechtbank uit het hiervoor als bewijsmiddel 2.8 en 3.6 vermelde telefoongesprek tussen verdachte en [medeverdachte 4], waarin verdachte bevestigt dat ‘ze het niet hoeven weg te halen’, dat verdachte met [medeverdachte 4] overlegt over wat er met de containers/trolleys met cocaïne moet gebeuren. Met betrekking tot het transport van 10 kilo overweegt de rechtbank tevens dat verdachte ter zitting heeft verklaard (zie bewijsmiddel 2.1) dat hij, nadat de zending was onderschept, door de opdrachtgevers (‘de groep van het park’) ter verantwoording werd geroepen, wat moeilijk te rijmen valt met de stelling dat verdachte alleen maar moest kijken of de douane de lading controleerde. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de rol van verdachte bij beide transporten zodanig was en dat hij als medepleger aangemerkt dient te worden.

Feit 5 (transport 15 juli 2006, ca. 40 kilo cocaïne)

Met betrekking tot het transport van 15 juli heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte alleen heeft gekeken wat er gebeurde. Nu dit niet aangemerkt kan worden als medeplegen van de invoer van cocaïne, dient vrijspraak te volgen, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat medeverdachte 1 heeft verklaard dat verdachte op de och-tend van de binnenkomst van dit cocaïnetransport contact heeft gehad met degene op het platform die de zaak daar zou regelen, te weten medeverdachte 4 (zie bewijsmiddel 5.3). Uit een afgeluisterd telefoongesprek tussen verdachte en [medeverdachte 4] blijkt bovendien dat verdachte aan deze [medeverdachte 4] het nummer heeft doorgegeven van de container waarin de cocaïne zich bevond (zie bewijsmiddel 5.5). Reeds om deze redenen oordeelt de rechtbank dat verdachte ook bij dit transport een zodanige rol heeft gespeeld dat hij als medepleger aangemerkt dient te worden.

Feit 6 (witwassen)

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte geen geld heeft ontvangen naar aanleiding van zijn betrokkenheid bij handel in drugs. Het geld dat is aangetroffen in de kluis van zijn vader behoort hem toe, maar is uit legale bronnen verkregen. Derhalve dient, aldus de raadsvrouw, vrijspraak te volgen.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. Verdachte was vanaf december 1998 werkzaam als medewerker-voorman bij Martinair. Hij heeft ter terechtzitting verklaard, naast het inkomen dat hij uit die dienstbetrekking genoot, geld te verdienen met de handel in auto’s en motoren: op jaarbasis ongeveer 15.000 tot 20.000 euro. Verdachte heeft dit niet met stukken aangetoond en ook anderszins niet aannemelijk gemaakt. Ook heeft verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven voor wat betreft de herkomst van het geld dat hij heeft aangewend voor de koop van een chalet, waarvoor hij naar eigen zeggen en bedrag van ongeveer 50.000 euro heeft betaald (bewijsmiddel 6.3). Gelet op de inhoud van de onder 6.1 tot en met 6.8 genoemde bewijsmiddelen kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte geld, waarvan hij wist dat het van misdrijf afkomstig was, voorhanden heeft gehad.

3.3 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat:

1.

hij op 1 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 50 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 5 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 10 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op 5 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 50 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

hij op 14 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 7 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

5.

hij op 15 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 40 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

6.

hij op tijdstippen in de periode van 1 februari 2006 tot en met 29 november 2006 te Amsterdam, althans in Nederland, telkens een voorwerp, te weten geldbedragen, te weten van ongeveer 100.000 euro en 50.000 euro en 20.000 euro en 20.000 euro, heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij telkens wist dat bo-venomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

7.

hij op 29 november 2006 te Amsterdam, een wapen van categorie III, te weten een pistool van het merk HS 2000, kaliber 9 mm, en (bijbehorende) munitie, te weten een houder met 15 scherpe patronen en 74 patronen, voorhanden heeft gehad;

8.

hij in de periode van 1 juni 2006 tot en met 29 november 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen hem, verdachte, en onder andere [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4], al dan niet in wisselende samenstelling, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het meermalen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van grote hoeveelheden cocaïne.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 3:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 4:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 5:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 6:

Witwassen, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 7:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 8:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie en van overige beslissingen

6.1 Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de telastegelegde feiten bewezen verklaard en gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorar-rest heeft doorgebracht.

Ten aanzien van het beslag heeft officier van justitie gevorderd dat de goederen opgenomen op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 62, 63 verbeurd worden verklaard, dat de goederen opgenomen op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 4 en 29-32 worden onttrokken aan het verkeer, dat de goederen opgenomen op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 5-12, 16-27, 35, 37-39, 41, 46, 47, 51, 57-61 worden teruggegeven aan verdachte en dat het goed opgenomen op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder nummer 44 wordt geretourneerd aan Schiphol. Op de goederen waarop conservatoir beslag is gelegd, zal dit beslag blijven rusten.

Voorts heeft de officier van justitie aangekondigd een vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voor-deel in te dienen.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte is in de maand juli 2006 betrokken geweest bij vijf transporten cocaïne die via vliegtuigen van Martinair Nederland werden ingevoerd. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij, samen met anderen, binnen het tijdsbestek van twee weken een aanzienlijke hoeveelheid (te weten in totaal ongeveer 157 kilo) van deze stof Nederland heeft binnengebracht. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere ver-spreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Een en ander geschiedde in het kader van een criminele organisatie die uit winstbejag opereerde en waarbinnen verdachte een essentiële schakel vormde. Verdachte had in zijn positie van voorman bij Martinair, belast met het laden en lossen van vliegtuigen, vrij toegang tot het beveiligde gebied van Schiphol en met name tot de lading van Martinair vliegtuigen. Hij heeft, veelal in samenwerking met een andere medewerker van Martiniair (medeverdachte 4), geregeld dat de cocaïne van boord werd gehaald, van het beveiligde Schiphol terrein naar buiten werd vervoerd en aan de opdrachtgevers werd afgegeven. Hiernaast is gebleken dat verdachte zelf plaatsen bedacht waar de cocaïne in het vliegtuig kon worden verborgen en dat hij dit doorgaf aan de opdrachtgevers. Dit alles heeft verdachte gedaan enkel en alleen vanwege het geld dat hij hiermee kon verdienen. De rechtbank tilt zwaar aan het misbruik dat verdachte heeft gemaakt van zijn positie op Schiphol, zeker gezien de voorbeeldfunctie die verdachte als voorman bij Martinair had.

Hiernaast heeft de rechtbank bewezen geacht dat verdachte een aanzienlijke som geld heeft ontvangen voor de door hem verrichte criminele activiteiten. Tevens was verdachte in het bezit van een vuurwapen en munitie.

De persoonlijke omstandigheden van verdachte geven de rechtbank geen aanleiding af te wijken van een straf die past bij de ernst en aard van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een langdurige vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

6.3 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven geld, te weten de bedragen opgenomen op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 62 en 63, dient te worden verbeurdverklaard. Bewezen is verklaard dat verdachte opzettelijk drugs in Nederland heeft ingevoerd en dat hij geld, afkomstig uit deze activiteiten, heeft ontvangen en voorhanden heeft gehad. Aangenomen moet derhalve worden dat het bij verdachte aangetroffen en hem toebehorende geldbedrag, met name gelet op de hoogte daarvan, door middel van de bewezenverklaarde feiten is verkregen.

6.4 Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen en niet teruggegeven goederen opgenomen op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 4, 29, 30, 31 en 32, dienen te worden ont-trokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het ongecontroleerde bezit van de-ze goederen in strijd is met de wet.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht, artikelen: 47, 57, 140, 420bis.

Opiumwet, artikelen: 2, 10, 11a.

Wet wapens en munitie, artikelen: 26, 55.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHT (8) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de voorwerpen opgenomen op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 62 en 63.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de goederen opgenomen op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 4 en 29 tot en met 32.

Gelast de teruggave aan verdachte van de goederen opgenomen op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 5 tot en met 12, 16 tot met 27, 35, 37 tot en met 39, 41, 46, 47, 51, 57 tot en met 61.

Gelast de teruggave aan Schiphol van het goed opgenomen op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder nummer 44.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.F. Jansen, voorzitter,

mrs. A.C. Monster en H.J.M. Burg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mrs C.C.J. Antonos en L.A. Banning.

en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 juni 2007.