Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA8862

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
05-07-2007
Zaaknummer
15/634105-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Haarlem veroordeelt de verdachte tot 27 maanden gevangenisstraf terzake van overtreding van de Opiumwet en deelneming aan een criminele organisatie. (promis)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

VESTIGING SCHIPHOL

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/634105-06

Uitspraakdatum: 28 juni 2007

Tegenspraak

STRAFVONNIS

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 maart 2007 en 14 juni 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres],

thans gedetineerd in [detentieadres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging d.d. 14 maart 2007, tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 05 juli 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 10 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 juni 2006 tot en met 11 december 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, en/of te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen/buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende co-caïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I (telkens) voor te bereiden en/of te bevorderen een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen te doen plegen mede te plegen uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, hebbende verdachte en/of zijn medeverdachte(n) (telkens)

- met elkaar telefonisch contact gehad en/of

- afspraken gemaakt en/of

- ontmoetingen en/of besprekingen gehad en/of

- zich beschikbaar gesteld en/of (vervolgens) gehouden om verdovende middelen van (een) vliegtuig(en) te halen en/of

- contacten gelegd en/of (vervolgens) onderhouden met (potentiële) afnemers van de verdovende middelen;

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 juni 2006 tot en met 11 december 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te 's-Hertogenbosch en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen hem, verdachte en/of (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4], al dan niet in wisselende samenstelling, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (meermalen) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) van (grote) hoeveelheden cocaïne en/of het (meermalen) plegen van voorbereidingshandelingen van dit feit (strafbaar gesteld in de artikelen 2 juncto 10 en 10a van de Opiumwet).

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Vrijspraak feit 1

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 ten laste is gelegd. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat uit de zich in het dossier bevindende stukken noch uit het onderzoek ter terechtzitting, voldoende gegevens zijn te putten die kunnen leiden tot het wettige en overtuigende bewijs dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan. Verdachte moet derhalve van het tenlastegelegde onder 1 worden vrijgesproken.

3.2 Bewijsmiddelen feiten 2 en 3

De hieronder opgenomen bewijsmiddelen betreffen in wettelijk vorm opgemaakte processen-verbaal welke zakelijk zijn weergegeven en voldoen aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Indien daarbij wordt verwezen naar dossierpagina’s dan worden de pagina’s van de desbetreffende ordners van het dossier met nummer 06-003504 bedoeld.

(uitgewerkte bewijsmiddelen)

3.3 Bewijsoverwegingen

Feit 2 (voorbereidingshandelingen)

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat door verdachte geen concrete opdrachten zijn gegeven en geen afspraken zijn gemaakt. Zijn rol ging niet verder dan het polsen van chauffeurs. Mitsdien moet verdachte, aldus de raadsman, van dit feit te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. De rol van verdachte ging verder dan het vrijblijvend polsen van chauffeurs. Hij heeft één van de chauffeurs, [betrokkene 1] een bedrag van minstens 20.000 euro in het vooruitzicht gesteld voor zijn medewerking bij drugstransporten. Hij voerde overleg met [medeverdachte 4] en met ene [betrokkene 2] over het leveren van ‘rode lintjes’. [medeverdachte 4] heeft daarover verklaard dat dit sealtjes ofwel verzegelingen betroffen, die waren bestemd om trolleys te verzegelen. Kennelijk waren deze bedoeld om mensen van de organisatie in staat te stellen om de oorspronkelijke verzegelingen te vervangen. Voorts heeft [medeverdachte 4] op verzoek van verdachte hem vluchtgegevens en gegevens over het traject over de weg van Denemarken naar Schiphol gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen.

Voor wat betreft de voorbereidingshandelingen overweegt de rechtbank voorts het volgende. Ondanks het feit dat in de hierboven opgenomen bewijsmiddelen enkel wordt gesproken over verdovende middelen, acht de rechtbank bewezen dat de voorbereidingshandelingen zagen op het binnen Nederland brengen van cocaïne. Op 5 juli 2006 is op Schiphol in een Martinair vliegtuig afkomstig uit Mexico 10 kilo cocaïne aangetroffen (bewijsmiddelen 2.11 en 2.12). De aankomst van deze vlucht werd onderling gecommuniceerd met de sms ‘het is goed hoeden.’ (bewijsmiddel 2.10). [medeverdachte 1] heeft verklaard dat met ‘hoeden’ vluchten uit Mexico worden bedoeld (bewijsmiddel 2.6). In het gesprek op 17/10/07 waarin [betrokkene 2] aan [medeverdachte 1] om ‘vetertjes’ vraagt, zegt [betrokkene 2] ook: “het is geen lulverhaal, die hoeden”. De rechtbank overweegt dat, nu op 5 juli 2006 cocaïne is aangetroffen, het aannemelijk is dat wanneer verdachten in het kader van de voorbereidingshandelingen spreken over verdovende middelen, zij daarmee kennelijk doelen op cocaïne.

Feit 3 (criminele organisatie)

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat uit het dossier onvoldoende bewijs valt te destilleren op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten dermate structureel en georganiseerd was dat men kan spreken van een criminele organisatie. Verdachte dient derhalve van dit feit te worden vrijgesproken, aldus zijn raadsman.

Ten aanzien van dit verweer van de raadsman overweegt de rechtbank als volgt. Er is sprake van een groep personen die gedurende langere tijd bezig was met een gezamenlijk doel, namelijk het organiseren en uitvoeren van drugstransporten via Denemarken naar Nederland. Op verzoek van verdachte wordt door [medeverdachte 4] een chauffeur benaderd die met de vrachtwagen voor Martinair de catering naar en uit Denemarken moet bren-gen. Deze chauffeur, [betrokkene 1], wordt blijkens de hierboven opgenomen bewijsmiddelen tijdens een ont-moeting op 28 november 2006 door verdachte gevraagd mee te werken aan de smokkel van cocaïne via DQF containers. [betrokkene 1] zou, als hij met een vrachtje uit Denemarken kwam, enige tijd moeten stoppen bij een hotel in Assen, zodat verdachte de gelegenheid had de gesmokkelde drugs uit de containers te halen. [betrokkene 1] zou hiervoor minstens € 20.000 per rit ontvangen. Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat er buiten ver-dachte en medeverdachte [medeverdachte 4], die voor verdachte contact moest leggen met de chauffeur, ook [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] bezig waren met de voorbereiding van deze smokkelroute. Er is aldus sprake van een gestructu-reerd en duurzaam samenwerkingsverband met een gemeenschappelijke doelstelling en gemeenschappelijke regels. De aard van de werkzaamheden van de verschillende verdachten waren anders, doch ieders rol was essentieel voor het laten slagen van de smokkel. Uit de stukken van het dossier en uit het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende bewijs te putten dat sprake was van een criminele organisatie waaraan verdachte heeft deelgenomen.

3.4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat:

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 juni 2006 tot en met 11 december 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, telkens, tezamen en in vereniging met anderen om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opi-umwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden, een ander heeft getracht te bewegen om die feiten mede te plegen, hebbende verdachte en/of zijn medeverdachten telkens

- met elkaar telefonisch contact gehad en

- afspraken gemaakt en

- ontmoetingen en besprekingen gehad.

De rechtbank merkt op dat waar in de tenlastelegging staat het vierde lid van artikel 10 Opiumwet, kennelijk wordt bedoeld het vijfde lid, nu artikel 2 A sinds de wetswijziging in werking getreden op 1 juli 2006 niet langer valt onder lid 4 maar lid 5 van artikel van de Opiumwet.

3.

hij in de periode van 1 juni 2006 tot en met 11 december 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen hem, verdachte en onder andere [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4], al dan niet in wisselende samenstelling, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het meermalen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van grote hoeveelheden cocaïne, strafbaar gesteld in de artikelen 2 juncto 10 van de Opiumwet.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 2:

Een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voorbereiden door een ander trachten te bewegen dat feit mede te plegen;

Ten aanzien van feit 3:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie en van overige beslissingen

6.1 Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het eerste feit niet bewezen geacht en gevorderd dat verdachte daarvan wordt vrijgesproken. De feiten 2 en 3 heeft de officier van justitie wel bewezen geacht en hij heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren en drie maanden.

Met betrekking tot het beslag heeft de officier van justitie gevorderd dat dit aan verdachte wordt teruggegeven.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte is betrokken geweest bij het voorbereiden van een drugslijn vanuit Zuid Amerika via Denemarken naar Nederland. Verdachte heeft hierbij een essentiële rol gespeeld. Hij was bij verschillende besprekingen over deze zaak betrokken en trad op als organisator. Hij heeft samen met medeverdachte [medeverdachte 4] getracht de chauffeur die vanuit Denemarken naar Nederland reed voor het plan te winnen. Verdachte onderhield bovendien contacten met medeverdachte Kunst die de schakel vormde naar ene [betrokkene 2] die kennelijk de contacten met Zuid-Amerika onderhield.

Verdachte maakte deel uit van een criminele organisatie die gericht was op het binnenbrengen van cocaïne in Nederland. Cocaïne is slecht voor de volksgezondheid en werkt ontwrichtend op de samenleving. Nederland staat internationaal bekend als land van waaruit organisaties die zich bezighouden met wereldwijde handel in cocaïne werkzaam zijn. Door zijn handelswijze heeft verdachte het internationale netwerk van verdovende middelen handel in stand gehouden en daarvan deel uitgemaakt. De rechtbank rekent hem dat zwaar aan.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van strafrecht, artikelen: 57, 140;

Opiumwet, artikelen: 2, 10, 10a, 11a.

8. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het hem onder 1 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZEVENENTWINTIG (27) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- 1.00 STK Personenauto [kenteken] CITROEN c5 Kl:blauw

- 1.00 STK Kaart

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Monster, voorzitter,

mrs Burg en Jansen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mrs Antonos en Banning,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 juni 2007.