Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA8560

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-06-2007
Datum publicatie
26-07-2007
Zaaknummer
05/4370
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane: Certificaten van oorsprong (CV0’s). Niet door de autoriteiten van het land van uitvoer afgegeven CVO’s worden als vervalst aangemerkt. Hetzelfde lot ondergaan CVO’s waarvan gesteld, maar niet bewezen is dat zij door corrupte ambtenaren zijn afgegeven en het niet door de autoriteiten geviseerde CVO. De zinsnede “klaarblijkelijk wisten of hadden moeten weten” in artikel 220, lid 2, sub b, derde alinea, van het CDW ziet naar het oordeel van de rechtbank op omstandigheden die ook zonder inzicht in de interne kennis of in de interne organisatie van de instanties van het derde land kunnen worden bewezen. De rechtbank is van oordeel dat onbehoorlijk handelen, zoals de door eiseres gestelde (maar niet aannemelijk gemaakte) corruptie aan de zijde van ambtenaren van het EPB, kan niet als een dergelijke omstandigheid worden beschouwd. Het is vaste rechtspraak dat het belang van de Europese Gemeenschap bij de correcte heffing van de eigen middelen niet in gevaar mag worden gebracht door onbehoorlijk handelen dat exporteurs hebben uitgelokt en waarvan zij profiteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige douanekamer

Procedurenummer: AWB 05/4370

Uitspraakdatum: 22 juni 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X B.V., gevestigd te Z, eiseres,

en

de inspecteur van de Douane P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres op respectievelijk 11 mei, 24 juni, 15 september,

15 december, 16 december, 20 december en 28 december 2004 achttien uitnodigingen tot betaling (hierna: UTB’s) opgelegd ten bedrage van € 99.709,61.

1.2. Eiseres heeft tegen deze UTB’s bij brieven van respectievelijk 10 juni, 25 juni, 14 oktober 2004 en 17 januari 2005 bezwaarschriften ingediend die op 14 juni, 28 juni, 19 oktober 2004 en 18 januari 2005 door verweerder zijn ontvangen.

1.3. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 juli 2005 het bezwaar ongegrond verklaard en de UTB’s gehandhaafd.

1.4. Eiseres heeft daartegen bij brief van 26 augustus 2005, ontvangen bij de rechtbank op 29 augustus 2005, beroep ingesteld.

1.5. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.6. Eiseres heeft vóór de zitting bij brief van 14 mei 2007 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2007 te Haarlem. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde, A. Namens verweerder zijn verschenen B en C.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. In 2003 en 2004 heeft eiseres achttien aangiften ten invoer in het vrije verkeer gedaan voor schoeisel, van respectievelijk de goederencodes 6402 1900 00, 6402 9910 90, 6402 9991 90, 6402 9993 90, 6402 9996 90, 6402 9998 90, 6403 1900 00 en 6403 9198 90. Bij deze aangiften ten invoer heeft eiseres verzocht om toepassing van een preferentiële tariefmaatregel. Daartoe heeft zij bij de aangiften ten invoer negentien certificaten van oorsprong, Formulieren A, overgelegd, die als oorsprong Bangladesh aangeven.

2.2. Van medio 2003 tot einde 2003 heeft een controleprofiel met het nummer 5648 op schoeisel uit Bangladesh gestaan, omdat het vermoeden bestond dat schoeisel met valse oorsprongsbescheiden in de Europese Unie werd ingevoerd. Eiseres heeft zeventien van de onderhavige aangiften ten invoer na medio 2003 gedaan. De bij deze aangiften overgelegde certificaten van oorsprong zijn ter controle toegezonden aan de afdeling oorsprongszaken. De achttiende door eiseres in deze zaak gedane aangifte ten invoer is geraakt door profiel 6129, dat werd opgenomen omdat uit onderzoek was gebleken dat twee importeurs, voornamelijk bij schoenen, gebruik maakten van valse certificaten van oorsprong.

2.3. Bij zeventien van de achttien aangiften ten invoer is eiseres via verificatiemededelingen in Sagitta op de hoogte gesteld van de inzending van de certificaten van oorsprong en van het feit dat dit financiële gevolgen zou kunnen hebben.

2.4. Op 20 januari, 22 januari, 9 februari en 23 maart 2004 heeft de afdeling oorsprongszaken zeventien verzoeken om controle achteraf aan de bevoegde Bengaalse autoriteit, het Export Promotion Bureau (hierna: EPB) gezonden. Deze verzoeken zien op achttien van de negentien door eiseres overgelegde certificaten van oorsprong.

2.5. In drie brieven van respectievelijk 13 maart, 20 maart en 19 december 2004, geeft het EPB aan dat de in de brieven vermelde certificaten van oorsprong niet door hem zijn afgegeven en daarom moeten worden behandeld als “valselijk” opgemaakte documenten (“forged documents”). Het gaat om veertien van de achttien gecontroleerde certificaten van oorsprong. In brieven van 3 april en 5 april 2004 merkt het EPB de bescheiden die de aanvrager ten behoeve van de overige vier certificaten van oorsprong heeft overgelegd, aan als niet authentiek (“not authentic”). Verweerder constateerde achteraf dat het certificaat met het nummer EPB/0000, het negentiende certificaat, niet door het EPB was geviseerd.

2.6. In de brieven van 13 maart, 20 maart en 19 december 2004 vermeldt het EPB:

“Please also be informed that we have meanwhile initiated necessary legal action with a view to stopping recurrence of such incidents in future.”

In de brieven van 3 april en 5 april 2004 vermeldt het EPB:

“It may be mentioned that in the meantime a committee has been formed in order to stop this malpractice and to maintain the regularities in issuing GSP certificates at our end in future.”

2.7. Naar aanleiding van de brieven van het EPB heeft verweerder zeventien UTB’s uitgereikt. De UTB van 15 september 2004 is uitgereikt omdat het certificaat met het nummer EPB/0000 niet door het EPB was geviseerd.

2.8. Van 22 november tot en met 2 december 2004 heeft een communautaire missie plaatsgevonden aangaande schoeisel uit Bangladesh, uitgevoerd door OLAF, het fraudebestrijdingsbureau van de Commissie. Tijdens deze missie zijn diverse certificaten van oorsprong gecontroleerd. De bevindingen van de deelnemers aan de missie kwamen overeen met de bevindingen van het EPB.

3. Geschil

In geschil is of de UTB’s terecht aan eiseres zijn uitgereikt.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en naar het aangehechte proces-verbaal.

4.2. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de UTB’s.

4.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Eiseres heeft bij de aangiften ten invoer aanspraak gemaakt op toepassing van een preferentieel tarief en hiertoe in totaal negentien certificaten van oorsprong overgelegd.

Bestreden noch weersproken is dat veertien van de gebruikte certificaten niet zijn afgegeven door het EPB en dat zij volgens brieven van deze instantie als vals c.q. vervalst (“forged”) dienen te worden aangemerkt. Deze mededeling vormt op zich zelf voldoende grondslag voor ongeldigverklaring van de certificaten en voor de navordering van de niet-geheven douanerechten, overeenkomstig het arrest van het Hof van Justitie van 17 juli 1997, C-97/95, Pascoal.

De inspecteur mocht bij de uitreiking van de onderhavige UTB’s uitgaan van de in het geding overgelegde stukken, zonder zelf onderzoek te doen naar de wijze waarop andere autoriteiten, zoals de Commissie en het EPB, hun controle hebben verricht.

Verweerder heeft bestreden dat hij zich heeft gebaseerd op andere stukken dan die hier in het geding zijn gebracht en eiseres heeft onvoldoende aangevoerd om haar andersluidende stelling te onderbouwen.

De rechtbank acht het vorenoverwogene van overeenkomstige toepassing op de certificaten van oorsprong waarvan eiseres heeft gesteld, doch niet bewezen, dat zij zijn afgegeven door corrupte ambtenaren van het EPB en op het certificaat van oorsprong met het nummer EPB/0000, dat niet door het EPB was geviseerd. Deze certificaten zijn naar het oordeel van de rechtbank niet afgegeven door het EPB als officiële instantie, zodat zij het lot van ongeldige, daaronder begrepen vervalste c.q. valse, certificaten delen.

5.2. De overige vier certificaten zijn door het EPB afgegeven op basis van onjuiste bescheiden. Gelet op artikel 220 lid 2, letter b, derde volzin, van het CDW is er geen sprake van een vergissing, wanneer de certificaten zijn gebaseerd op onjuiste weergave van de feiten door de exporteur. Er is echter wel sprake van een vergissing indien - in het onderhavige geval - het EPB klaarblijkelijk wist of had moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 9 maart 2006, nr. C-293/04, Beemsterboer Coldstore Services BV, volgt dat op de belastingschuldige de last rust om te bewijzen dat de autoriteiten van het derde land deze certificaten niet hebben opgesteld op basis van een onjuiste weergave van de feiten door de exporteur. Eiseres die stelt dat het EPB klaarblijkelijk wist of had moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen, dient dit te bewijzen.

De zinsnede “klaarblijkelijk wisten of hadden moeten weten” in artikel 220, lid 2, sub b, derde alinea, van het CDW ziet naar het oordeel van de rechtbank op omstandigheden die ook zonder inzicht in de interne kennis of in de interne organisatie van de instanties van het derde land kunnen worden bewezen. Eiseres heeft dergelijke omstandigheden gesteld noch bewezen.

De rechtbank is van oordeel dat onbehoorlijk handelen, zoals de door eiseres gestelde corruptie aan de zijde van ambtenaren van het EPB, niet als een dergelijke omstandigheid kan worden beschouwd. Het is vaste rechtspraak dat het belang van de Europese Gemeenschap bij de correcte heffing van de eigen middelen niet in gevaar mag worden gebracht door onbehoorlijk handelen dat exporteurs hebben uitgelokt en waarvan zij profiteren.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zo artikel 220, lid 2, sub b, derde alinea, van het CDW mede betrekking zou hebben op onbehoorlijk handelen, eiseres onvoldoende heeft aangedragen om de vermeende corruptie aan de zijde van het EPB te aannemelijk te maken.

5.3. Het is voorts vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat de belastingplichtige een gewettigd vertrouwen in de geldigheid van certificaten niet kan baseren op het feit, dat de douaneautoriteiten van een lidstaat deze al hebben aanvaard: de aanvaarding van een ogenschijnlijk geldig certificaat bij een invoeraangifte vormt immers geen beletsel voor latere controles (arresten van 14 mei 1996, nrs, C-153/94 en C-204/94, Faroe Seafood Co. Ltd.).

5.4. Nu verweerder eiseres ten tijde van de invoer via verificatiemededelingen op de hoogte heeft gesteld van de inzending van de certificaten van oorsprong en haar heeft medegedeeld dat dit financiële gevolgen zou kunnen hebben, heeft verweerder voldoende zorgvuldig gehandeld jegens eiseres. Eiseres had vervolgens zelf maatregelen kunnen nemen om zich tegen een mogelijk financieel nadeel in te dekken, zoals het vragen van zekerheid bij haar opdrachtgever. De omstandigheid dat zij dit heeft nagelaten, dient voor haar risico te komen.

5.5. Uit het sub 5.2. tot en met 5.4. overwogene volgt dat ten aanzien van de sub 5.2. bedoelde certificaten van oorsprong geen sprake is geweest van een vergissing van de bevoegde autoriteiten, zodat het beroep van belanghebbende op artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW niet kan slagen. Er is geen wettelijke bepaling die voorschrijft dat de Commissie dan wel de autoriteiten van de lidstaten douane-expediteurs en importeurs erop had(den) moeten wijzen dat sprake was van onregelmatigheden ten aanzien van de naleving van oorsprongsregels in Bangladesh. Verwezen zij in dit verband naar het arrest van het Hof van Justitie van 7 september 1999, zaak C-61/98, De Haan.

5.6. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat verweerder haar niet zonder meer zou mogen aanspreken voor de ontstane douaneschuld oordeelt de rechtbank als volgt. Bij hoofdelijke aansprakelijkheid staat het verweerder in beginsel vrij alle schuldenaren aan te spreken zonder onderscheid (Hoge Raad 2 oktober 1991, nr. 26199). De ter zitting aangevoerde stelling van eiseres dat de inzending van certificaten in de praktijk vaak geen financiële gevolgen heeft, vat de rechtbank op als een beroep op het vertrouwen dat eiseres daaraan mocht ontlenen dat ook in het onderhavige geval voor haar geen financieel nadeel zou ontstaan. Voor een dergelijke toepassing van het vertrouwensbeginsel is in het onderhavige geval evenwel geen plaats, nu het vertrouwensbeginsel in deze volledig is uitgewerkt in het van toepassing zijnde artikel 220 lid 2, letter b, van het CDW.

5.7. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

6. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

7. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 22 juni 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. A.J. Roke en mr. E. Polak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V.M. Maat, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.