Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA8348

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-05-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
125649/06-2102
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat het redelijk is om bij de berekening van de draagkracht in de periode dat de man ouderschapsverlof opneemt, rekening te houden met de verminderde inkomsten als gevolg van dit ouderschapsverlof. Immers, het gaat hier om een wettelijke regeling waarop iedere werknemer recht heeft. Het vorenstaande geldt, naar het oordeel van de rechtbank, niet voor de beslissing van de man om na afloop van het ouderschapsverlof blijvend minder te werken. De beslissing van de man om minder te gaan werken is een eigen keuze die voor rekening van de man komt en niet ten nadele van de alimentatieverplichtingen die de man heeft ten opzichte van de vrouw en de minderjarige bedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie- en Jeugdrecht

alimentatie

zaak-/rekestnr.: 125649/06-2102

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken d.d. 15 mei 2007

in de zaak van:

[naam man],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen: de man,

procureur mr. M. Middeldorp,

advocaat mr. W.T.J. Raaijmakers

-- tegen --

[naam vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen: de vrouw,

procureur mr. M. Verkijk

1. Procedureverloop

Voor de loop van de procedure verwijst de rechtbank naar:

- het op 27 juni 2006 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift van de man met bijlagen;

- het op 25 juli 2006 ingekomen verweerschrift van de vrouw met bijlagen;

- het op 13 september 2006 ingekomen aanvullend verzoekschrift

- het op 13 oktober 2006 ingekomen aanvullend verweerschrift van de vrouw met bijlagen;

- de brief van de procureur van de man d.d. 27 oktober 2006 met bijlagen;

- de beschikking van deze rechtbank d.d. 5 december 2006;

- de brief van de procureur van de vrouw d.d. 9 januari 2007 met bijlagen;

- de brief van de advocaat van de man d.d. 16 maart 2007 met bijlagen;

- het verhandelde ter terechtzitting op 27 maart 2007 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door mr. Raaijmakers, respectievelijk mr. Verkijk;

- de brieven van de advocaat van de man d.d. 4, 10 en 13 april 2007 met bijlagen;

- de brief van de procureur van de vrouw d.d. 12 april 2007.

2. Feiten en omstandigheden

Uit de stukken en bij het verhoor van partijen is onder meer het volgende gebleken.

2.1 Partijen zijn op [datum] 1997 met elkaar gehuwd, welk huwelijk [datum] 1999 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank d.d. 13 juli 1999.

2.2 Bij voornoemde beschikking is bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [achternaam]:

- [naam minderjarige], geboren op [naam] 1994 te [woonplaats];

zal betalen tot 1 januari 2001 ? 100,-- (€ 45,38) per maand en vanaf 1 januari 2001

? 350,-- (€ 158,82) per maand.

2.3 Bij beschikking van 3 oktober 2000 heeft deze rechtbank bepaald dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam minderjarige] zal betalen van ? 400,-- (€ 181,50) per maand en een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van ? 750,-- (€ 340,34) per maand. De man is hiertegen in beroep gegaan. Bij beschikking van 25 juli 2002 heeft het gerechtshof te Amsterdam de beschikking van 3 oktober 2000 bekrachtigd.

2.4 Bij verzoekschrift van 8 oktober 2003 heeft de man verzocht de beschikking van

3 oktober 2000 te wijzigen, in zoverre dat de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van [naam minderjarige] op nihil wordt gesteld. De rechtbank heeft het verzoek bij beschikking van 3 februari 2004 afgewezen, omdat de man - kort samengevat - zijn verzoek onvoldoende had onderbouwd.

2.5 Bij vonnis van de rechtbank te Arnhem van 24 februari 2003 is de definitieve schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van de man en is de looptijd van de schuldsaneringsregeling vastgesteld op vijf jaar of zoveel korter als de tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling ontstane achterstand op de boedelrekening is ingelopen.

2.6 Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 18 januari 2005 is bepaald dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam minderjarige] en de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 november 2004 en zolang de schuldsaneringsregeling op de man van toepassing is, op nihil worden gesteld.

Voorts is bepaald dat de verplichting van de man tot betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam minderjarige] en tot betaling van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw herleeft met ingang van de dag waarop de schuldsaneringsregeling niet meer van toepassing is op de man.

2.7 Bij vonnis van d.d. 19 oktober 2006 heeft de rechtbank Arnhem vastgesteld dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling is geëindigd en heeft de rechtbank de zogenaamde schone lei aan de man verleend. Tegen dit vonnis is de vrouw in hoger beroep gekomen bij het Hof in Arnhem. Bij beschikking van 21 december 2006 heeft het Hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

2.8 De door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding voor [naam minderjarige] bedraagt na wettelijke indexering thans € 216,89 per maand. De door de man te betalen uitkering in het levensonderhoud van de vrouw bedraagt na wettelijke indexering thans

€ 406,70.

3. Het verzoek

3.1 Met als grondslag dat voormelde beschikking door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven, verzoekt de man te bepalen dat de aan de vrouw te betalen bijdrage in kosten van verzorging en opvoeding van [naam minderjarige] alsmede te betalen uitkering tot haar levensonderhoud met ingang van de dag waarop de schuldsaneringsregeling niet meer op hem van toepassing is op nihil wordt gesteld.

3.2 De man voert aan dat de schuldsaneringsregeling zal eindigen en dat zijn verplichting tot betaling alsdan zal herleven, maar dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden op grond waarvan hij niet in staat is om de vastgestelde kinder- en partneralimentatie te voldoen. De man woont samen met zijn nieuwe partner en uit hun relatie is een kind geboren. De man zal in verband met de zorg voor dit kind minder gaan werken, waardoor zijn inkomen zal dalen. Daarbij voert de man aan dat de vrouw geen behoefte meer heeft aan een aanvullende uitkering tot haar levensonderhoud.

4. Het verweer

De vrouw heeft het verzoek gemotiveerd bestreden. Zij stelt dat de man bij de keuzes die hij maakt rekening dient te houden met de verplichtingen die hij heeft ten opzichte van de vrouw en [minderjarige]. Het komt daarom voor zijn eigen rekening en risico als hij minder gaat werken. Voorts voert zij aan dat gebleken is uit het financieel overzicht dat de man heeft overgelegd in de schuldsaneringprocedure dat hij vanaf januari 2006 geen enkele afdracht meer heeft gedaan aan de boedel. De vrouw verzoekt daarom de rechtbank te bepalen dat de alimentatieverplichting van de man herleeft vanaf 1 januari 2006.

De vrouw verzoekt voorts de man, gelet op zijn proceshouding in deze en in eerdere zaken, in de kosten van de procedure te veroordelen. Voor het overige stelt de vrouw dat zij nog steeds behoefte heeft aan een aanvullende uitkering tot haar levensonderhoud.

5. Beoordeling van het verzoek

5.1 Ingevolge artikel 1: 401 Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer deze nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt te voldoen aan de wettelijke maatstaven.

5.2 Het enkele feit dat uit de relatie van de man en zijn partner een kind is geboren levert een wijziging van omstandigheden op, zodat de man ontvankelijk is in zijn verzoek en de rechtbank tot een hernieuwde beoordeling dient over te gaan.

5.3 Ter zitting heeft de vrouw aangeboden dat de man per 1 januari 2006 tot 1 april 2007 de vastgestelde bijdrage voor de kosten van verzorging en opvoeding van [naam minderjarige] alsmede de vastgestelde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw zal betalen om vervolgens vanaf

1 april 2007 alleen de bijdrage voor [naam minderjarige] te voldoen. De man heeft dit aanbod ter zitting afgewezen.

5.4 De man heeft gesteld dat de vrouw volledig in haar eigen behoefte kan voorzien. Met de vrouw is de rechtbank evenwel van oordeel dat zij voldoende heeft onderbouwd dat zij, gelet op haar inkomen en het feit dat zij mede aflost op een huwelijkse schuld, nog steeds behoefte heeft aan een aanvullende uitkering.

5.5 Bij de bepaling van de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van de volgende gegevens:

- de man is geboren op 13 januari 1971 en woont samen met zijn partner [naam partner]. Uit de relatie met [naam partner] is op [datum] 2005 een zoon, genaamd [naam], geboren. De partner van de man is in verwachting van een tweede kind;

- de co-ouderschap-norm en het draagkrachtpercentage van 52,2% is van toepassing, aangezien de partner van de man in haar eigen levensonderhoud kan voorzien alsmede de helft van de kosten van de kinderen voor haar rekening kan nemen.

- de algemene heffingskorting en de arbeidskorting zijn op hem van toepassing;

- hij betaalt aan hypotheekrente € 270,53 per maand, aan premie levensverzekering € 47,65 en forfaitaire eigenaarslasten van € 47,50 per maand, zijnde de helft met zijn partner te delen woonlasten;

- hij betaalt aan premie ZVW € 119,15 per maand, de inkomensafhankelijke bijdrage bedraagt volgens de salarisspecificatie van februari 2007 € 154,78 per maand.

De man heeft gesteld dat hij thans gebruik maakt van de ouderschapsverlofregeling waarbij hij 24 uur per week minder werkt. Hierdoor bedraagt zijn inkomen thans € 1.620,-- bruto per maand. Hij maakt gebruik van deze regeling vanaf 14 augustus 2006 en de regeling eindigt per 1 april 2007. Daarna wil de man minder gaan werken om een gedeelte van de verzorging van zijn zoon [naam] op zich te nemen.

De rechtbank is van oordeel dat het redelijk is om bij de berekening van de draagkracht in de periode dat de man ouderschapsverlof opneemt, rekening te houden met de verminderde inkomsten als gevolg van dit ouderschapsverlof. Immers, het gaat hier om een wettelijke regeling waarop iedere werknemer recht heeftHet vorenstaande geldt, naar het oordeel van de rechtbank, niet voor de beslissing van de man om na afloop van het ouderschapsverlof blijvend minder te werken. De beslissing van de man om minder te gaan werken is een eigen keuze die voor rekening van de man komt en niet ten nadele van de alimentatieverplichtingen die de man heeft ten opzichte van de vrouw en de minderjarige bedragen.

De rechtbank zal in aanmerking nemen dat de kinderen van de man gebruik (zullen) maken van de kinderopvang vanaf augustus 2007, maar ook dat de partner van de man een bijdrage levert in de opvang van de kinderen.

De man stelt dat rekening moet worden gehouden met een bedrag van € 250,-- per maand aan kosten kinderopvang, hetgeen door de vrouw gemotiveerd is betwist.

De man heeft uiteengezet dat per maand de kosten voor de kinderopvang

€ 1.010,-- per maand zullen bedragen . Van deze kosten krijgt hij een tegemoetkoming van

€ 600,-- van de belastingdienst, zodat hij per maand aan kosten voor de kinderopvang € 410,-- heeft. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten gedeeld kunnen worden met zijn partner en zal rekening houden met een bedrag van € 205,-- per maand.

Op grond van bovenstaande gegevens en rekening houdende met fiscale effecten acht de rechtbank de man in staat om de thans geldende bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam minderjarige] te voldoen van afgerond € 217,-- per maand alsmede een uitkering in het levensonderhoud van de vrouw van afgerond € 407,-- per maand. Voor de periode dat de man ouderschapsverlof heeft opgenomen, zal de man voor [naam minderjarige] een bijdrage betalen van € 217,-- per maand alsmede aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud van € 148,-- per maand.

5.6 Partijen zijn verdeeld omtrent de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. De vrouw is van mening dat de man per 1 januari 2006 deze bijdragen zou moeten betalen, omdat uit de boedeloverzichten met betrekking tot de schuldsanering blijkt dat de man vanaf die datum niets heeft afgedragen aan de boedel en derhalve ruimte had om zijn alimentatieverplichting na te komen.

De rechtbank overweegt het volgende. In het kader van de aan hem opgelegde schuldsanering diende de man per maand een bedrag aan de boedel af te dragen. Gelet daarop was de man niet in staat om de onderhoudsbijdragen voor de vrouw en [naam minderjarige] te voldoen en heeft de rechtbank bij beschikking van 18 januari 2005 bepaald dat de bijdragen op nihil worden gesteld zolang de schuldsaneringsregeling op de man van toepassing is. Gebleken is uit het door de man overgelegde overzicht van de boedel d.d. 3 april 2007 dat de man sinds 1 augustus 2006 niets meer heeft afgedragen aan de boedel, waardoor hij in staat moet zijn geweest om de onderhoudsbijdragen aan de vrouw en [naam minderjarige] te hervatten. Dat formeel de schuldsaneringsregeling niet was beëindigd, doet daaraan niet af. De rechtbank zal derhalve de ingangsdatum van de alimentatieverplichting vaststellen op 1 augustus 2006.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een getrapte beschikking geven, een en ander als hieronder nader aangegeven.

5.8 De kosten van de procedure zullen, aangezien partijen gewezen echtgenoten zijn, als na te melden worden gecompenseerd.

6. Beslissing

De rechtbank:

6.1 Stelt, met dienovereenkomstige wijziging van voormelde beschikking van deze rechtbank van 18 januari 2005, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [naam]:

- [naam minderjarige], geboren op [datum] 1994 in de gemeente [plaats];

met ingang van 1 augustus 2006 € 217,-- per maand.

6.2 Stelt, met dienovereenkomstige wijziging van voormelde beschikking van deze rechtbank van 18 januari 2005, de door de man te betalen uitkering in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 augustus 2006 tot 1 april 2007 op € 148,-- per maand en met ingang van 1 april 2007 op € 407,-- per maand.

6.3 De hiervoor vastgestelde bijdragen worden jaarlijks van rechtswege gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.

6.4 Compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.5 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.6 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Flohil, lid van deze kamer, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2007 in tegenwoordigheid van mr. J.E. Lee als griffier.