Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA8329

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
133454/2007-267
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

machtiging uithuisplaatsing

De moeder van minderjarige heeft de status als ongewenst verklaarde vreemdeling.. Zij wil de minderjarige meenemen bij haar vertrek uit Nederland. Verzocht wordt om een machtiging uithuisplaatsing voor pleegzorg. De minderjarige is in therapie omdat hij in het vorige pleeggezin seksueel is misbruikt. De kinderrechter in meervoudige kamer is onder de vorenomschreven omstandigheden met inachtneming van de onderscheiden belangen, van oordeel dat het belang van de minderjarige meebrengt dat hij wordt beschermd tegen een niet goed voorbereide overgang van een optimale verzorging en opvoeding -inclusief behandeling via de pleegouders- naar een voor hem onbekende en daardoor alleen al onveilige leefsituatie met een moeder die hij niet meer kent als zijn moeder, in een voor hem vreemd land waarvan hij de taal niet spreekt.

Voor het (wederom) vormen van een gezin met de minderjarige en zijn reeds in het buitenland verblijvende tweelingbroertje, is het noodzakelijk dat de moeder eerst gedurende enkele maanden een verdere band opbouwt met de minderjarige, opdat deze voldoende aan haar is gehecht om haar te volgen.

De (voorlopige) ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing strekken ertoe de nadelige gevolgen van een scheiding van de personen waar de minderjarige inmiddels veilig aan gehecht is, zoveel mogelijk te beperken en de overgang naar een andere leefsituatie te versoepelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie- en Jeugdrecht

A

voorlopige ondertoezichtstelling

en

machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg

zaak-/rekestnr.: 133454/2007-267

beschikking van de kinderrechter in meervoudige kamer d.d. 28 maart 2007

naar aanleiding van een verzoek van:

De Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Haarlem,

verder te noemen: de Raad,

met betrekking tot de minderjarige:

naam: [naam minderjarige]

roepnaam: [naam]

geboren: [datum] 2000 te [geboorteplaats]

moeder: [naam moeder]

thans gedetineerd in [naam penitentiaire inrichting]

vader : onbekend

gezag : moeder

verblijfplaats: in het pleeggezin van de familie [naam]

Verloop van de procedure

Bij beschikking van deze rechtbank, sector kanton, locatie Zaandam, d.d. 15 maart 2007 is de moeder wederom belast met het ouderlijk gezag. Tevens is in voornoemde beschikking beslist dat de bij beschikking van deze rechtbank d.d. 8 juni 2005 tot tijdelijk voogdes benoemde Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, team Opperdan, wordt ontslagen uit de tijdelijke voogdij over de minderjarige.

Binnen een half uur na het bekend worden van de beschikking van 15 maart, heeft de Raad een verzoekschrift ingediend, strekkende tot ondertoezichtstelling en daaraan voorafgaand tot voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarige. Tevens werd een verzoek ingediend tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een voorziening voor pleegzorg.

Een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming heeft, zoals te doen gebruikelijk, de verzoeken eerst telefonisch aangemeld bij de kinderrechter.

Deze heeft op grond van de telefonische informatie en de stukken, beslist de voorlopige ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing niet aanstonds te verlenen, omdat

een spoedige behandeling ter zitting kon worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. De spoedverzoeken zijn verwezen naar de zitting.

Op 15 maart 2007 zijn per fax binnengekomen een stelbrief van de raadsvrouwe van de moeder, met bijlagen. Naar aanleiding van deze stukken heeft de kinderrechter telefonisch van de raadsvrouwe vernomen dat door de voorzieningenrechter is verboden de moeder het land uit te zetten, totdat de IND opnieuw heeft beslist op het bezwaarschrift van de moeder. De geplande uitzetting op maandag 19 maart 2007 is daardoor van de baan, maar als de IND snel een nieuwe beslissing neemt, dreigt opnieuw spoedige uitzetting. Een zitting op korte termijn is derhalve noodzakelijk.

Daarop is een zitting bepaald op 20 maart 2007.

Op 20 maart 2007 zijn de verzoeken ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Hierbij zijn verschenen en door de rechtbank gehoord:

- de moeder, bijgestaan door de raadslieden mr. I.G.M. van Gorkum en mr. B. Hiddinga

- de Raad, vertegenwoordigd door mevrouw mr. [naam] en de heer

[naam];

- de Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, vertegenwoordigd door mevrouw [naam], en

- de pleegouders van [minderjarige] (doch buiten aanwezigheid van de moeder en de vertegenwoordigers van de Raad en de Stichting Bureau Jeugdzorg).

Standpunten van partijen

De Raad heeft ter ondersteuning van de verzoeken aangegeven dat het in het belang van [naam minderjarige] is dat zijn verblijf in Nederland wordt gecontinueerd, opdat zijn therapie kan worden afgemaakt en zijn hechtingscapaciteit, die bij de pleegouders tot ontwikkeling is gekomen, niet stagneert.

Omdat moeder, gezien haar status als ongewenst verklaarde vreemdeling, waarschijnlijk op korte termijn uitgezet zal worden naar [land], zal een voor [naam minderjarige] ongewenste en onveilige situatie ontstaan: de met het gezag belaste moeder heeft immers te kennen gegeven [minderjarige] mee te zullen nemen naar [land].

De Raad is van mening dat de belangen van de moeder en [naam minderjarige] uiteenlopen, en dat het belang van [naam minderjarige] bij een voortgezet verblijf in het pleeggezin (waar hij een enorme inhaalslag heeft gemaakt en de behandeling krijgt die hij nodig heeft ter verwerking van traumatische gebeurtenissen uit het verleden) zwaarder weegt dan het belang van de moeder om [minderjarige] in haar gezin in [land] te verzorgen en op te voeden.

De Raad acht het van groot belang dat de veiligheid en stabiliteit van [naam minderjarige] worden gewaarborgd door middel van een kinderbeschermingsmaatregel die het gezag van de moeder beperkt en verhindert dat [naam minderjarige] van de ene op de ander dag wordt overgebracht naar een voor hem vreemd land.

Daarbij komt dat [naam minderjarige] is beschadigd door het seksueel misbruik in het eerste pleeggezin waar hij door de moeder is geplaatst. De moeder was vervolgens ten gevolge van haar detentie lange tijd niet voor hem beschikbaar en heeft hem geen veiligheid en bescherming kunnen geven.

[naam minderjarige] verblijft in het huidige pleeggezin op een veilige plek en hij krijgt voor de verwerking van de traumatische gebeurtenissen begeleiding vanuit [naam instelling], waarbij de pleegmoeder het kernpunt vormt in het verwerkingsproces. Zij krijgt, in de vorm van ondersteunende gesprekken bij [naam instelling], de begeleiding die nodig is om [naam minderjarige] op de rails te houden. Het wegvallen van de therapie en in het bijzonder van pleegmoeder, zal voor [naam minderjarige] stagnering van zijn ontwikkeling tot gevolg hebben.

De Raad is dan ook van mening dat een gezinsvoogd noodzakelijk is om, wanneer de moeder op enige moment herenigd wordt met [naam minderjarige], haar te ondersteunen bij het onder begeleiding werken aan haar moederschap en het opbouwen van een band met haar zoon.

De raad vindt het onverantwoord om [naam minderjarige] op korte termijn zonder goede ondersteuning van derden, aan de moeder mee te geven.

Een vertegenwoordigster van voornoemde Stichting heeft ter zitting verklaard dat zij de verzoeken van de Raad ondersteunt en dat het belang van [naam minderjarige] dient te prevaleren boven het belang van moeder. Onderzocht moet eerst worden of moeder, als zij op korte termijn herenigd wordt met [naam minderjarige], de zorg voor hem aankan.

Als zij met het kind terugkeert naar [land], is van belang dat gewaarborgd is zowel dat daar in zijn basisbehoeften wordt voorzien, als dat de benodigde therapie kan worden voortgezet: terugkeer is anders onverantwoord.

Omdat de straf van moeder in hoger beroep werd verminderd, was de Stichting te laat op de hoogte van haar vervroegde vrijlating, zodat niet de benodigde maatregelen konden worden genomen om dat traject te begeleiden.

De verblijfsvergunning van [naam minderjarige] is verleend om hem de benodigde therapie door middel van zijn pleegmoeder (de behandelend psychotherapeut meldde dat de traumaverwerking van [naam minderjarige] grotendeels door pleegmoeder is uitgevoerd) te laten afmaken.

De Stichting gaat in hoger beroep van de beschikking van de kantonrechter.

De raadslieden van de moeder hebben ter zitting naar voren gebracht dat de moeder zich, ondanks haar detentie, steeds een betrokken moeder heeft getoond. Zij heeft zelf Jeugdzorg ingeschakeld en heeft zelf het huidige pleeggezin voor [naam minderjarige] gevonden. De moeder heeft zich de Nederlandse taal eigen gemaakt om met de pleegmoeder en met [naam minderjarige] te kunnen praten en overleggen.

De moeder stelt zich op het standpunt dat zij [naam minderjarige] bij zich wil hebben wanneer zij Nederland moet verlaten, en meent dat hij recht heeft op een familieleven met haar en zijn familie. Hij heeft bovendien een tweelingbroer die in [land] woont.

Omdat [naam minderjarige] op dit moment wordt behandeld en therapie ontvangt in verband met seksueel misbruik, zou de moeder graag zien dat hij die therapie in Nederland zou kunnen afmaken, maar zij stelt dat het belang om samen een gezin te vormen, dient te prevaleren boven zijn verblijf in een pleeggezin in Nederland.

De raadslieden hebben bovendien als bijlage bij het verweerschrift een brief van het Consulaat Generaal van [land] overgelegd, waaruit blijkt dat als [naam minderjarige] terugkeert naar [land], de moeder de toezegging heeft van een [land] voogdij-instelling vergelijkbaar met de Raad voor de Kinderbescherming in Nederland, dat zij de institutionele assistentie en begeleiding bieden die nodig zijn om zijn rechten te garanderen, conform het Verdrag voor de Rechten van het Kind.

Mr. Van Gorkum heeft ter zitting nogmaals aangehaald, zoals zij ook in haar brief van

15 maart 2007 heeft gemeld, dat de Raad het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing heeft verzocht om uitzetting van [naam minderjarige] te voorkomen.

Zij stelt dat bij de behandeling van het verzoek tot opheffing van de tijdelijke voogdij,

alle omstandigheden in aanmerking zijn genomen en dat de kantonrechter vervolgens heeft bepaald dat de moeder wederom met het gezag over [naam minderjarige] wordt belast.

De zaak is daarmee inhoudelijk behandeld, en het past dan ook niet nogmaals de terugkeer van [naam minderjarige] naar zijn moeder en de uitzetting te voorkomen door een andere procedure te starten. Dit dient volgens de raadsvrouwe een oneigenlijk doel.

Een te eenvoudige toekenning van een spoedmachtiging uithuisplaatsing betekent in dit geval een miskenning van het oordeel van een rechter die de zaak reeds inhoudelijk heeft bekeken en brengt misbruik van het procesrecht met zich mee.

De raadsvrouwe stelt dat, nu de moeder het gezag heeft, er geen gronden zijn voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.

De pleegmoeder heeft ter zitting verklaard dat het noodzakelijk is dat de veiligheid van [naam minderjarige] gewaarborgd wordt en dat hij zijn therapie kan blijven volgen. Zij is van mening dat het van groot belang is dat er rust gecreëerd wordt en dat wellicht met een voorlopige ondertoezichtstelling de hulp en steun voor zowel de moeder, als zij vrijkomt, en de pleegouders geregeld kan worden.

De pleegmoeder heeft ter zitting aangegeven dat, mocht de moeder vrijkomen, zij in het pleeggezin kan verblijven. Op deze manier kunnen de moeder en [naam minderjarige] aan elkaar wennen en kan de pleegmoeder de moeder daarbij ondersteuning geven.

Beoordeling

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de verzoeken

Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de Raad ontvankelijk is in zijn verzoeken.

De kinderrechter in meervoudige kamer stelt voorop dat rechterlijke uitspraken dienen te worden nageleefd, ongeacht of een partij zich wel of niet kan vinden in de uitspraak.

Indien een belanghebbende het niet eens is met een rechterlijke uitspraak, kan deze een rechtsmiddel instellen en – zo nodig – aan de hogere rechter of aan de voorzieningenrechter schorsing van de tenuitvoerlegging vragen.

De kinderrechter is van oordeel dat gelet op artikel 3 lid 1. IVRK bij alle maatregelen die kinderen betreffen, het belang van het kind voorop dient te staan. Verwijzend naar voornoemd artikel is de kinderrechter van oordeel dat telkens wanneer het belang van het kind in het gedrang komt, er geen sprake kan zijn van, zoals de raadsvrouwe heeft betoogd, oneigenlijk gebruik van het (proces)recht.

De kinderrechter is daarom van oordeel dat dit belang het zwaarste dient te wegen en zal de Raad ontvankelijk verklaren in zijn verzoeken.

Ten aanzien van de verzoeken inhoudelijk

Gelet op het verhandelde ter zitting en op grond van de verkregen informatie zoals weergegeven in het verzoekschrift, de daarbij gevoegde bijlage(n) en de stukken die door de raadslieden van de moeder zijn overgelegd, is gebleken dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is de minderjarige, hangende een nader in te stellen onderzoek naar de vraag of de ondertoezichtstelling geboden is, voorlopig onder toezicht te stellen en een machtiging uithuisplaatsing te geven voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.

De rechtbank onderscheidt in deze een drietal belangen, die als volgt – kort – kunnen worden omschreven.

Allereerst – en dat staat in deze procedure voorop – is er het belang van [naam minderjarige].

Na jaren van omzwervingen en armoede, ook binnen Nederland, is [naam minderjarige] circa 2 jaar geleden slachtoffer geworden van seksueel misbruik.

De gevolgen van deze uiterst traumatische ervaring voor een jongen van destijds bijna 5 jaar oud, zijn – onweersproken – van dien aard dat hij langdurig is aangewezen op begeleiding en behandeling door gedragsdeskundigen en andere hulpverleners.

Daarnaast is zeker zo noodzakelijk dat hij in een stabiele, liefdevolle leefomgeving verblijft. [naam minderjarige] woont thans bij pleegouders bij wie een dergelijke verzorging en opvoeding optimaal is gewaarborgd. Hij heeft zich aan hen gehecht, wat voor zijn ontwikkeling cruciaal is.

Het is in [naam minderjarige] belang dat, wanneer hij in het kader van de uitoefening van het zwaarwegende recht op family life met zijn moeder terug zal keren naar [land], de onthechting van zijn pleegouders evenwichtig en geleidelijk zal verlopen, ten gunste van zijn moeder met wie die hechting nog in een pril stadium verkeert. Elke abrupte overgang, zo begrijpt de rechtbank uit de overgelegde rapportages, kan [naam minderjarige] ernstige schade toebrengen en een terugval in zijn gedragsstoornis teweegbrengen.

Het belang van de moeder is het kunnen uitoefenen van het recht op family life met [naam minderjarige] in [land], waarheen de Nederlandse autoriteiten voornemens zijn haar uit te zetten.

Ten slotte is er het belang van de pleegouders bij bescherming van hun family life.

Een abrupte scheiding van [naam minderjarige] en het pleeggezin waar hij nu twee jaar woont,

is ontegenzeglijk een forse inbreuk op het gezinsleven van de pleegouders en de pleegbroers, die - mede gelet op de aanvankelijke gevangenisstraf van 7 jaar waartoe de moeder was veroordeeld - ervan zijn uitgegaan dat [naam minderjarige] in ieder geval tot zijn twaalfde jaar in hun gezin zou opgroeien.

De pleegouders zijn, naar de rechtbank ter zitting heeft kunnen vaststellen, niet alleen zeer ervaren en begaan met de verzorging en opvoeding van kinderen als [naam minderjarige], zij zijn tevens bereid de overgang voor [naam minderjarige] van de thans geboden veilige leefwereld naar die welke de moeder in [land] zal moeten verschaffen, te begeleiden, en meer dan dat, de moeder te "trainen" voor het zo adequaat mogelijk vervullen van de moederrol voordat zij naar [land] terugkeert. Daartoe hebben zij uitdrukkelijk te kennen gegeven moeder in huis te willen opnemen, totdat het belang van [naam minderjarige] zich niet langer verzet tegen een blijvende hereniging met zijn moeder.

De kinderrechter in meervoudige kamer is onder de vorenomschreven omstandigheden met inachtneming van de onderscheiden belangen, van oordeel dat het belang van [naam minderjarige] meebrengt dat hij wordt beschermd tegen een niet goed voorbereide overgang van een optimale verzorging en opvoeding -inclusief behandeling via de pleegouders- naar een voor hem onbekende en daardoor alleen al onveilige leefsituatie met een moeder die hij niet meer kent als zijn moeder, in een voor hem vreemd land waarvan hij de taal niet spreekt.

Voor het (wederom) vormen van een gezin met [naam minderjarige] en zijn reeds in [land] verblijvende tweelingbroertje [naam broer], is het noodzakelijk dat de moeder eerst gedurende enkele maanden een verdere band opbouwt met [naam minderjarige], opdat deze voldoende aan haar is gehecht om haar te volgen.

De (voorlopige) ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing strekken ertoe de nadelige gevolgen van een scheiding van de personen waar [naam minderjarige] inmiddels veilig aan gehecht is, zoveel mogelijk te beperken en de overgang naar een andere leefsituatie te versoepelen.

Beslissing

De kinderrechter in meervoudige kamer:

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de verzoeken

Verklaart de Raad voor de Kinderbescherming ontvankelijk in zijn verzoeken.

Met betrekking tot het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling

Stelt voornoemde minderjarige met ingang van 23 maart 2007 voorlopig onder toezicht van de Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, team Opperdan, voor de duur van drie maanden.

Bepaalt dat de verzoeken tot definitieve ondertoezichtstelling en tot verlenging van de uithuisplaatsing zullen worden behandeld ter terechtzitting van 31 mei 2007, waarbij de verzoeker en de belanghebbenden zullen worden gehoord in het gerechtsgebouw De Appelaar, Simon de Vrieshof 1 te Haarlem;

Bepaalt dat de griffier verzoeker en belanghebbenden zal oproepen.

Met betrekking tot het verzoek tot uithuisplaatsing

Verleent machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 23 maart 2007 tot 23 juni 2007.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Ayal, als voorzitter tevens kinderrechter en

mrs. R.M. Flohil en A.L. Diender, als leden van deze kamer en in het openbaar uitgesproken van 28 maart 2007 in tegenwoordigheid van J.B. Stevens als griffier.

Wegens ontstentenis van de voorzitter is deze beschikking ondertekend door de oudste rechter.