Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA8213

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-06-2007
Datum publicatie
27-06-2007
Zaaknummer
130540 - HA ZA 06-1546
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen gezag van gewijsde van gedeeltelijke afwijzing van vrijwaringsvordering.

In lijn met het arrest van de Hoge Raad van 28 april 1995 (NJ 1995, 483) heeft een tussen partijen gewezen vonnis in vrijwaring geen gezag van gewijsde gekregen voor zover in dat vonnis de in die zaak ingestelde vordering is afgewezen vanwege de afwijzing van de vordering in de hoofdzaak. Nu in het hoger beroep van de hoofdzaak alsnog een hogere schadevergoeding is toegewezen, staat het vonnis in vrijwaring daarom niet in de weg aan een nieuwe vordering tot betaling van die hogere schadevergoeding tegen de oorspronkelijke gedaagde in vrijwaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 370
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 130540 / HA ZA 06-1546

Vonnis van 27 juni 2007 (bij vervroeging)

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MEDITOURS REIZEN B.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

eiseres,

procureur mr. T.F. Roest,

advocaat mr. A. Klomp-Kraal te ’s-Gravenhage,

tegen

[GEDAAGDE],

voorheen h.o.d.n. Sultana Travel & Tours Holland,

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

procureur onttrokken, voorheen mr. L. Koning,

advocaat voorheen mr. E.C. Ramdihal te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Meditours en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 februari 2007;

- het proces-verbaal van comparitie van 9 mei 2007.

1.2. Voorafgaand aan de comparitie van 9 mei 2007 heeft de advocaat van [gedaagde] laten weten dat hij zich aan de zaak onttrok. De procureur van [gedaagde] heeft zich op de rol van 23 mei 2007 onttrokken.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De heer [naam] (hierna: [de heer S.]) heeft in december 2002 een reis naar Mekka (Saoedi-Arabië) geboekt bij Meditours. Deze reis had als vertrekdatum 24 januari 2003. Zowel tijdens als na de reis heeft [de heer S.] geklaagd over de uitvoering daarvan.

2.2. [de heer S.] heeft Meditours op 7 maart 2003 gedagvaard voor de rechtbank te ’s-Gravenhage en gevorderd dat Meditours zou worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding ad € 5.000,-- (hierna: de hoofdzaak). Daarop heeft Meditours [gedaagde] op 2 juli 2003 in vrijwaring opgeroepen en gevorderd dat [gedaagde] zou worden veroordeeld tot betaling van al hetgeen waartoe Meditours jegens [de heer S.] in de hoofdzaak zou worden veroordeeld (hierna: de vrijwaringszaak).

2.3. Bij vonnis van 10 maart 2004 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage Meditours in de hoofdzaak veroordeeld tot betaling aan [de heer S.] van een bedrag van € 1.507,50 (hierna: het vonnis in de hoofdzaak). Dit bedrag bestond onder andere uit een schadevergoeding ten bedrage van € 580,-- in verband met de slechte kwaliteit van het aan [de heer S.] aangeboden hotel. Bij vonnis van dezelfde datum heeft de rechtbank ’s-Gravenhage in de vrijwaringszaak de aansprakelijkheid van [gedaagde] voor een deel van de kosten die Meditours aan [de heer S.] diende te vergoeden, waaronder het bedrag van € 580,--, vastgesteld en heeft [gedaagde] veroordeeld tot betaling aan Meditours van in totaal € 917,50 (hierna: het vonnis in de vrijwaringszaak).

2.4. Bij dagvaarding van 9 juni 2004 heeft [de heer S.] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in de hoofdzaak. Bij arrest van 7 juli 2005 (met verbetering d.d. 22 december 2005) heeft het gerechtshof te ’s-Gravenhage het vonnis in de hoofdzaak vernietigd voor wat betreft een bedrag van € 720,-- (van het totaal van € 1.507,50) en Meditours in plaats daarvan veroordeeld tot betaling aan [de heer S.] van € 3.666,25, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 19 februari 2003 (hierna: het arrest). De gedeeltelijke vernietiging zag ook op de toegekende schadevergoeding van € 580,-- in verband met het aan [de heer S.] aangeboden hotel. Het gerechtshof heeft in plaats daarvan een bedrag van € 3.441,25 toegewezen als vergoeding van die schade. Het gerechtshof heeft Meditours voorts veroordeeld tot betaling van de proceskosten van [de heer S.] in eerste aanleg (€ 243,16 aan verschotten en € 1.215,-- aan salaris gemachtigde) en hoger beroep (€ 324,78 aan verschotten en € 948,-- aan salaris procureur).

2.5. Het vonnis in de vrijwaringszaak is op 3 juni 2004 aan [gedaagde] betekend. Meditours noch [gedaagde] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van in de vrijwaringszaak.

3. Het geschil

3.1. Meditours vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:

I. € 2.861,25, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 19 februari 2003 tot en met 15 augustus 2005 ad € 332,29;

II. € 2.565,40 in verband met in eerste aanleg en appel gemaakte proceskosten;

III. € 700,--, vermeerderd met BTW ad € 133,--, derhalve in totaal € 833,--, in verband met gemaakte buitengerechtelijke incassokosten;

IV. de kosten van dit geding.

3.2. Meditours legt aan deze vordering ten grondslag dat de vordering van Meditours op [gedaagde] voor wat betreft de schade van [de heer S.] door het hem aangeboden hotel, bij vonnis in de vrijwaringszaak in rechte is komen vast te staan. Nu het gerechtshof ’s-Gravenhage in het arrest de desbetreffende schade op een hoger bedrag (€ 3.441,25) heeft vastgesteld, dient [gedaagde] volgens Meditours alsnog een bedrag van € 2.861,25 (€ 3.441,25 minus € 580,--) aan haar te voldoen. Volgens Meditours dient [gedaagde] daarnaast de proceskosten waartoe zij door het gerechtshof is veroordeeld, de door haar gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van de onderhavige procedure te voldoen.

3.3. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van Meditours in haar vordering dan wel tot afwijzing daarvan, met veroordeling van Meditours in de proceskosten. Hij voert daartoe aan dat partijen hebben berust in het tussen hen gewezen vonnis in de vrijwaringszaak door daartegen geen hoger beroep in te stellen. Nu [gedaagde] in het desbetreffende vonnis is veroordeeld tot betaling van € 917,50 aan Meditours en het anders of meer gevorderde is afgewezen, kan Meditours volgens [gedaagde] niet nogmaals een vordering tot betaling van schadevergoeding tegen hem instellen. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De vraag die partijen verdeeld houdt is of het op 10 maart 2004 in de vrijwaringszaak tussen hen gewezen vonnis in de weg staat aan toewijzing van de door Meditours in de onderhavige procedure tegen [gedaagde] ingestelde vordering. De rechtbank dient derhalve te beoordelen of het vonnis in de vrijwaringszaak gezag van gewijsde heeft gekregen zoals bedoeld in artikel 236 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), zodat dit vonnis in de onderhavige procedure bindende kracht heeft.

4.2. Artikel 236 Rv kent aan beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, bindende kracht toe in een ander geding tussen dezelfde partijen. Aan het vonnis in de vrijwaringszaak komt derhalve gezag van gewijsde toe in de onderhavige procedure voor zover in het desbetreffende vonnis een beslissing is genomen die de rechtsbetrekking in geschil betreft.

4.3. Volgens vaste jurisprudentie wordt geen gezag van gewijsde aangenomen wanneer niet inhoudelijk is beslist omtrent materiële geschilpunten. In lijn hiermee oordeelde de Hoge Raad in zijn arrest d.d. 28 april 1995 (NJ 1995, 483) dat geen sprake is van een beslissing aangaande de rechtsbetrekking in geschil, wanneer de betrokken beslissing slechts inhoudt dat een in vrijwaring ingestelde vordering wordt afgewezen omdat de vordering in de hoofdzaak wordt afgewezen. Weliswaar betrof het desbetreffende arrest van de Hoge Raad een zaak waarin de gehele vordering in vrijwaring was afgewezen vanwege de afwijzing van de vordering in de hoofdzaak, maar dat neemt niet weg dat dit arrest ook voor de beoordeling van het onderhavige geschil – waarin de vordering in vrijwaring gedeeltelijk is toegewezen omdat de vordering in de hoofdzaak ook slechts gedeeltelijk werd toegewezen – richtinggevend is.

4.4. In dat kader is van belang dat vanwege het voorwaardelijke karakter van de vordering in vrijwaring, de rechtbank slechts aan de beoordeling van de vordering in vrijwaring toekomt voor zover aan de voorwaarde – een veroordeling in de hoofdzaak – is voldaan. Voor zover aan die voorwaarde niet is voldaan, kan dus in de vrijwaringszaak aan een beoordeling van het materiële geschilpunt niet toe worden gekomen. Daarbij dient het geen verschil uit te maken of aan de voorwaarde voor beoordeling van de vordering in vrijwaring in het geheel niet, of slechts gedeeltelijk is voldaan. Ook indien de vordering in hoofdzaak, en daarmee de vordering in vrijwaring, gedeeltelijk wordt toegewezen, is het meerdere van de vordering in vrijwaring niet aan het oordeel van de rechtbank onderworpen, zodat die over dat (gedeelte van het) materiële geschilpunt niet kan beslissen. De afwijzing van het meerdere van de vordering in vrijwaring wegens afwijzing daarvan in de hoofdzaak, heeft in dat geval om die reden geen gezag van gewijsde gekregen.

4.5. Voor zover [gedaagde] met zijn verweer ook (impliciet) een beroep heeft willen doen op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, overweegt de rechtbank dat aan het voorgaande niet af doet dat Meditours tegen het vonnis in de vrijwaringszaak hoger beroep had kunnen instellen. In lijn van de arresten van de Hoge Raad d.d. 27 november 1992 (NJ 1993, 570) en 19 november 1993 (NJ 1994, 175) mist het leerstuk van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het onderhavige geval toepassing.

4.6. Gelet op het voorgaande heeft het vonnis in de vrijwaringszaak geen gezag van gewijsde gekregen voor zover daarin het meerdere van de schade voortvloeiende uit het aan [de heer S.] aangeboden hotel (de schade boven het bedrag van € 580,--) is afgewezen. Nu het vonnis in de vrijwaringszaak in zoverre geen gezag van gewijsde heeft gekregen, kan Meditours in de onderhavige procedure worden ontvangen in haar vordering. Omdat [gedaagde] voor het overige geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de vorderingen van Meditours, liggen deze – inclusief de gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten – voor toewijzing gereed. In totaal zal de rechtbank toewijzen:

- hoofdsom € 2.861,25

- wettelijke rente € 332,29

- proceskosten hoofdzaak € 2.565,40

- buitengerechtelijke kosten € 833,00

Totaal € 6.591,94

4.7. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van Meditours worden begroot op:

- dagvaarding € 71,32

- vast recht € 296,00

- salaris procureur € 768,00 (2 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal € 1.135,32

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Meditours van een bedrag van € 6.591,94 (zegge: zes duizend vijf honderd een en negentig euro en vier en negentig eurocent),

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Meditours tot op heden begroot op € 1.135,32,

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2007.?