Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA8085

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-06-2007
Datum publicatie
27-06-2007
Zaaknummer
zaak/rolnr.: 348765/CV EXPL 07-5134
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres (gemeente) heeft in de dagvaarding op geen enkele wijze vermeld waar de ruimte is gelegen die destijds door gedaagde zou zijn gehuurd. Voorts heeft zij niet onderbouwd op welke wijze gedaagde schade zou hebben toegebracht. Ook het gevorderde bedrag is in het geheel niet gespecificeerd, zodat niet kan worden gezien welk deel van de vordering op huurtermijnen en welk deel op vergoeding van schade betrekking heeft.

Het is voorts niet (zonder meer) duidelijk waarom de handelsrente wordt gevorderd. Gedaagde is particulier, terwijl niet gebleken is waarom eiseres als handelend in beroep en /of bedrijf moet worden beschouwd.

Kortom: na lezing van de dagvaarding is het niet aanstonds duidelijk op grond van welke feiten en juridische argumenten eiseres recht heeft op hetgeen zij van gedaagde vordert.

Hoewel gedaagde in de procedure is verschenen, acht de kantonrechter geen gronden aanwezig voor herstel van de dagvaarding zoals bedoeld in artikel 122 RV. Het moet voor de gemachtigde van eiseres immers reeds bij het uitbrengen van de dagvaarding bekend zijn wat daarin hoort te staan. Nu aan de dagvaarding de bovengenoemde gebreken kleven, is de kantonrechter van oordeel dat die gebreken gedaagde onredelijk in zijn belangen hebben geschaad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 348765/CV EXPL 07-5134

datum uitspraak: 27 juni 2007

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Haarlem

te Haarlem

eisende partij

hierna te noemen de Gemeente

gemachtigde mr. O.J. Boeder

tegen

[gedaagde]

te [adres]

gedaagde partij

hierna te noemen [gedaagde]

verschenen in persoon

De procedure

Voor de loop van het geding verwijst de kantonrechter naar de volgende stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd is te beschouwen:

- de dagvaarding van 1 juni 2007,

- het proces-verbaal van de zitting van 13 juni 2007, houdende de mondelinge conclusie van antwoord, met producties.

[gedaagde] heeft ter zitting van 13 juni 2007 kwitanties overgelegd. De kantonrechter heeft evenwel, gelet op de na te noemen beslissing, geen termen aanwezig geacht de Gemeente nog op deze kwitanties te laten reageren.

De vordering

De Gemeente vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van €312,34, te vermeerderen met de rente over €383,06 vanaf 1 juni 2007 en met de proceskosten.

De Gemeente heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd:

“De Gemeente heeft ter zake van op of omstreeks na te melden factuurdatum (data) achterstallige huurpenningen en/of door gedaagde aangerichte schade met betrekking tot het destijds door [gedaagde] van de Gemeente gehuurde.”

De voormelde huurovereenkomst is door [gedaagde] beëindigd en hij heeft het gehuurde verlaten.

Conform de facturen van 1 juli 2006, 1 augustus 2006, 1 september 2006, 1 december 2006 en 1 januari 2007 heeft de Gemeente een bedrag van €383,06 te vorderen.

Op dit bedrag kan in mindering strekken een betaling van €178,00.

Door ondanks aanmaning met betaling in gebreke te blijven, heeft [gedaagde] de Gemeente genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven. De Gemeente heeft daardoor vermogensschade geleden, bestaande uit de buitengerechtelijke incassokosten ten belope van €89,25. [gedaagde] dient deze kosten aan de Gemeente te voldoen.

Partijen handelden in beroep en/of bedrijf zodat sprake is van een handelsovereenkomst. Om die reden vordert de Gemeente de handelsrente van artikel 6:119a BW. Deze bedraagt, berekend tot 1 juni 2007, €18,03.

Het verweer

[gedaagde] heeft de vordering gemotiveerd weersproken. Op het verweer zal, voor zover relevant, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

De kantonrechter is van oordeel dat op grond van het bepaalde bij artikel 111 lid 2 sub d. Rv in samenhang beschouwd met artikel 122 Rv de dagvaarding nietig moet worden verklaard.

De Gemeente heeft in de dagvaarding op geen enkele wijze vermeld waar de ruimte is gelegen die destijds door [gedaagde] zou zijn gehuurd. Voorts heeft zij niet onderbouwd op welke wijze [gedaagde] schade zou hebben toegebracht. Ook het door de Gemeente gevorderde bedrag is in het geheel niet gespecificeerd, zodat niet kan worden gezien welk deel van de vordering op huurtermijnen en welk deel op vergoeding van schade betrekking heeft.

Het is voorts niet (zonder meer) duidelijk waarom de handelsrente wordt gevorderd. [gedaagde] is particulier, terwijl niet gebleken is waarom de Gemeente als handelend in beroep en/of bedrijf moet worden beschouwd.

Kortom: na lezing van de dagvaarding is het niet aanstonds duidelijk op grond van welke feiten en juridische argumenten de Gemeente recht heeft op hetgeen zij van [gedaagde] vordert.

Hoewel [gedaagde] in de procedure is verschenen, acht de kantonrechter geen gronden aanwezig voor herstel van de dagvaarding zoals bedoeld in artikel 122 Rv. Het moet voor de gemachtigde van de Gemeente immers reeds bij het uitbrengen van de dagvaarding bekend zijn wat daarin hoort te staan. Nu aan de dagvaarding de bovengenoemde gebreken kleven, is de kantonrechter van oordeel dat die gebreken [gedaagde] onredelijk in zijn belangen hebben geschaad.

De dagvaarding zal op grond van het vorenstaande nietig worden verklaard.

De Gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

Beslissing

De kantonrechter:

Verklaart de dagvaarding nietig.

Veroordeelt de Gemeente in de kosten van deze procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op €25,00 aan reis- en verblijfkosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.