Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA7861

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
24-04-2007
Datum publicatie
22-06-2007
Zaaknummer
134693
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de rechtercommissaris de schijn heeft gewekt niet onpartijdig te zijn. Tijdens het verhoor naar aanleiding van de vordering tot verlenging van de inbewaringstelling had de rechter-commissaris een uitgeschreven beslissing voor zich liggen. Nadat de raadsvrouw verweer had gevoerd, heeft de rechter-commissaris het verweer van raadsvrouw aan de hand van deze kennelijk op voorhand geschreven beslissing verworpen door uit deze beslissing de relevante passage te citeren.

De omstandigheid dat de rechter-commissaris argumenten om de vordering af te wijzen op schrift had gezet en die heeft gebruikt ter motivering van zijn beslissing, laat immers onverlet die aantekeningen, voor zover het argumenten ten nadele van verzoeker bevatte, te laten voor wat ze waren in het geval de raadsvrouw hem had kunnen overtuigen van het standpunt van de verdediging. In dit verband is niet onbelangrijk dat de raadsvrouw ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat de rechter-commissaris heeft geluisterd naar het verweer dat zij heeft gevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 198

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Wrakingskamer

zaaknummer: 134693/HA RK 07-38

datum beslissing: 24 april 2007

Op verzoek van:

[verzoeker],

verzoeker,

raadsvrouw, mr. M.Steen, advocaat te Amsterdam.

1. Procesverloop

1.1 Tijdens het verhoor naar aanleiding van de vordering tot verlenging van de inbewaringstelling in het kader van de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen (WOTS) van 24 april 2007 heeft de raadsvrouw namens verzoeker de wraking verzocht van mr. [naam], hierna te noemen: de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken bij deze rechtbank.

1.2 De rechter heeft laten weten niet in zijn wraking te berusten.

1.3 Verzoeker en de rechter-commissaris zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 24 april 2007. De raadsvrouw is verschenen. Verzoeker en de rechter-commissaris hebben te kennen gegeven van deze gelegenheid geen gebruik te willen maken.

2. Het standpunt van verzoeker.

2.1 De raadsvrouw heeft namens verzoeker ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat de rechtercommissaris de schijn heeft gewekt niet onpartijdig te zijn. Reeds tweemaal eerder heeft de rechter-commissaris de raadsvrouw aanleiding gegeven te twijfelen aanzijn onpartijdigheid. Op 22 februari 2007 heeft de raadsvrouw tijdens het verhoor naar aanleiding van de vordering tot inbewaringstelling in het kader van de WOTS, uitgebreid verweer gevoerd. De rechter-commissaris heeft dit verweer ongemotiveerd verworpen. Op 22 maart 2007 vond er een verhoor naar aanleiding van de vordering tot verlenging van de inbewaringstelling plaats, waarbij de kantoorgenoot van de raadsvrouw, mr. P.M. Rombouts, een uitgebreid kwalificatieverweer heeft gevoerd. Door de rechter-commissaris is dit verweer wederom ongemotiveerd verworpen. Tijdens het verhoor naar aanleiding van de vordering tot verlenging van de inbewaringstelling dat heden plaatsvond, heeft de raadsvrouw dit kwalificatieverweer nogmaals gevoerd. Tijdens dat verhoor had de rechter-commissaris een uitgeschreven beslissing voor zich liggen. Nadat de raadsvrouw verweer had gevoerd, heeft de rechter-commissaris het verweer van raadsvrouw aan de hand van deze kennelijk op voorhand geschreven beslissing verworpen door uit deze beslissing de relevante passage te citeren. Door op deze wijze te handelen heeft de rechter-commissaris de schijn gewekt niet onpartijdig te zijn.

3. Beoordeling

3.1 Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert, hierna ook te noemen de subjectieve toets. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn, hierna ook te noemen de objectieve toets. Het subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.

3.2 Gesteld noch gebleken is dat de rechter-commissaris jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, zodat de subjectieve toets geen grond voor wraking oplevert.

3.3 De vraag die aan de orde is, is de vraag of indien de rechter-commissaris tijdens het verhoor naar aanleiding van een vordering tot verlenging van de inbewaringstelling in het kader van de WOTS een op voorhand op papier uitgeschreven beslissing voor zich zou hebben liggen, uit welk stuk hij citeert, zulks de vrees voor vooringenomenheid van die rechter-commissaris objectief rechtvaardigt.

3.4 Naar het oordeel van de wrakingskamer moet die vraag ontkennend worden beantwoord. De omstandigheid dat de rechter-commissaris thans argumenten om de vordering af te wijzen op schrift had gezet en die heeft gebruikt ter motivering van zijn beslissing, laat immers onverlet die aantekeningen, voor zover het argumenten ten nadele van verzoeker bevatte, te laten voor wat ze waren in het geval de raadsvrouw hem had kunnen overtuigen van het standpunt van de verdediging. In dit verband is niet onbelangrijk dat de raadsvrouw ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat de rechter-commissaris heeft geluisterd naar het verweer dat zij heeft gevoerd.

3.5 De wrakingskamer is daarom van oordeel dat de wijze van handelen door de rechter-commissaris geen grond geeft voor het oordeel dat vrees voor onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is, zodat de objectieve toets geen grond voor wraking oplevert.

3.6 De aangevoerde feiten en omstandigheden vormen derhalve geen grond voor wraking.

3.7 De rechtbank zal het verzoek afwijzen.

4. Beslissing

De rechtbank:

4.1 wijst het verzoek om wraking af;

4.2 beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter-commissaris en de officier van justitie een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;

4.3 beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. Coyajee-Kappers, voorzitter, en mrs. Terwiel-Kuneman en Hilberts-de Jong, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2007 in tegenwoordigheid van mr. Ket als griffier.

Mrs. Coyajee-Kappers en Hilberts-de Jong zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.