Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA7765

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-04-2007
Datum publicatie
21-06-2007
Zaaknummer
15/630519-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Seksueel binnendringen bij iemand beneden de 12 jaar; seksueel binnendringenbij iemand beneden 16 jaar; vrijspraak verkrachting; verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 ten laste is gelegd. Voor verkrachting is vereist dat het slachtoffer tot het ondergaan van seksuele handelingen is gedwongen door (bedreiging met) geweld of door (bedreiging met) een andere feitelijkheid (Hoge Raad van 2 december 2003 (NJ 2004, 78)). Het bestaan van dwang door een dergelijke feitelijkheid kan niet alleen worden afgeleid uit de tussen de verdachte en zijn stiefdochter bestaande afhankelijkheidsrelatie en het daarmee verband houdende psychische overwicht van de verdachte op zijn stiefdochter. Vereist is dat komt vast te staan dat het slachtoffer binnen de afhankelijkheidsrelatie door bepaalde gedragingen van verdachte, waardoor een bedreigende sfeer is ontstaan, is gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan. Dergelijke gedragingen zijn echter niet tenlastegelegd. Verdachte dient derhalve van feit 3 te worden vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/630519-06

Uitspraakdatum: 18 april 2007

Tegenspraak

STRAFVONNIS

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 4 april 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 01 november 1998 tot en met 24 maart 2000 te Heemstede, (telkens) met [slachtoffer] (geboren op 25 maart 1988), die toen (telkens) de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) en/of tong in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht en/of gehouden;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 25 maart 2000 tot em met 24 maart 2004 te Heemstede, (telkens) met [slachtoffer] (geboren op 25 maart 1998), die (telkens) de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) en/of tong in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht en/of gehouden;

3.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 maart 2004 tot en met 1 april 2005 te Heemstede (telkens) door geweld of andere feitelijkheden en/of bedreiging met geweld en/of andere feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (telkens) bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn vinger(s) en/of penis en/of tong in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of gehouden en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte in zijn hoedanigheid als stiefvader van die [slachtoffer] een psychisch overwicht over haar had en/of heeft en vanuit die positie/rol met die [slachtoffer] vanaf (zeer) jonge leeftijd gedurende lange tijd stelselmatig sexuele handelingen heeft verricht waardoor hij, verdachte, voor die [slachtoffer] een situatie heeft doen ontstaan waarin het voor die [slachtoffer] normaal was en/of is met hem, verdachte, sexuele handelingen te verrichten en/of te plegen en aldus in de loop der jaren een zodanige situatie en/of sfeer (van psychische overmacht) heeft gecreëerd en/of in stand gehouden dat die [slachtoffer] geen weerstand tegeen hem, verdachte, kon bieden en/of zich aan hem,

verdachte, kon onttrekken en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Vrijspraak ten aanzien van feit 3

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 ten laste is gelegd. Voor verkrachting is vereist dat het slachtoffer tot het ondergaan van seksuele handelingen is gedwongen door (bedreiging met) geweld of door (bedreiging met) een andere feitelijkheid (Hoge Raad van 2 december 2003 (NJ 2004, 78)). Het bestaan van dwang door een dergelijke feitelijkheid kan niet alleen worden afgeleid uit de tussen de verdachte en zijn stiefdochter bestaande afhankelijkheidsrelatie en het daarmee verband houdende psychische overwicht van de verdachte op zijn stiefdochter. Vereist is dat komt vast te staan dat het slachtoffer binnen de afhankelijkheidsrelatie door bepaalde gedragingen van verdachte, waardoor een bedreigende sfeer is ontstaan, is gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan. Dergelijke gedragingen zijn echter niet tenlastegelegd. Verdachte dient derhalve van feit 3 te worden vrijgesproken.

3.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan in dier voege dat

1.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 november 1998 tot en met 24 maart 2000 te Heemstede, telkens met [slachtoffer], geboren op 25 maart 1988, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis en vinger en tong in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht en/of gehouden;

2.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 25 maart 2000 tot en met 24 maart 2004 te Heemstede, telkens met [slachtoffer], geboren op 25 maart 1988, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis en vinger en tong in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht en/of gehouden.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.3. Bewijsmiddelen

Deze bewezenverklaring is gebaseerd op de navolgende wettige bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal inhoudende de aangifte van [slachtoffer] (p. 26-34);

- het proces-verbaal inhoudende de verklaring van [slachtoffer] (p. 35-36);

- het proces-verbaal inhoudende de verklaring van [getuige] (p. 63, 64, 65);

- het proces-verbaal inhoudende de verklaring van verdachte (p. 89-93).

3.4. Bewijsverweer met betrekking tot feit 1

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting ontkend dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen met zijn stiefdochter die mede bestaan uit het seksueel binnendringen voordat zij de leeftijd van 12 jaar had bereikt. Verdachte heeft hiertoe aangevoerd dat hij is begonnen met de ontuchtige handelingen met zijn stiefdochter nadat zij terug kwam van een vakantie van Sint Maarten.

[slachtoffer] heeft hierover het volgende verklaard (p. 28): ‘Als ik dan op de bank lag of op mijn bed, dan begon [verdachte] mij bijvoorbeeld te beffen en later ging hij met zijn lul in mijn vagina. De eerste keer dat dit gebeurde, was vlak voordat ik op vakantie ging naar Sint Maarten. Dit was in april 1999.’ Voorts heeft zij verklaard (p.35): ‘De eerste keer dat ik met iemand gemeenschap had, was met [verdachte]. Toen dat met [verdachte] gebeurde, was nog ongeveer 4 maanden voordat ik op vakantie ging naar Sint Maarten.’

De moeder van [slachtoffer], [getuige] heeft hierover verklaard (p.63): ‘Toen [slachtoffer] 11 jaar was, heb ik haar 6 weken naar Sint Maarten laten gaan op vakantie. [slachtoffer] vertelde uit zichzelf dat ze daar seks had gehad met een wat oudere jongen. Hierbij zei ze: “en papa heeft het ook gedaan!”. Ik schrok hiervan.’

Op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd met zijn stiefdochter terwijl zij de leeftijd van 12 jaar nog niet had bereikt. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat [slachtoffer], nadat zij terug was van de vakantie op Sint Maarten in 1999 nog steeds 11 jaar was en pas op 25 maart 2000 de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

feit 2:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1 Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft alle ten laste gelegde feiten bewezen geacht en gevorderd dat de rechtbank een gevangenisstraf zal opleggen van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte contact zal onderhouden met de Reclassering en de behandeling bij De Waag zal afmaken, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat een contactverbod met [slachtoffer] dient te worden opgelegd.

6. 2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar uit de volgende rapporten is gebleken:

- het voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland, Regio Alkmaar-Haarlem, Unit Haarlem van 23 oktober 2006;

- de pro justitia rapportage, opgemaakt door klinisch psycholoog [psycholoog] van 12 september 2006.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft jarenlang ontuchtige handelingen gepleegd met zijn stiefdochter [slachtoffer]. Verdachte is hiermee begonnen toen [slachtoffer] 11 jaar was. Hij heeft in de loop der jaren honderden keren gemeenschap met haar gehad. Verdachte heeft daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer], welke schending zich heeft uitgestrekt over een reeks van jaren. Dit is des te ernstiger omdat zij is aangevangen op een tijdstip waarop het meisje zich in het begin van haar seksuele ontwikkeling bevond en daarin derhalve in bijzondere mate kwetsbaar is geweest. Voorts rekent de rechtbank het verdachte zwaar aan dat hij ernstig misbruik heeft gemaakt van zijn gezagspositie en op grove wijze het vertrouwen dat zijn stiefdochter in hem stelde - en ook moeten kunnen stellen – heeft beschaamd. Naar de ervaring leert kunnen jeugdige slachtoffers van ontucht hiervan op latere leeftijd nadelige gevolgen ondervinden. Bij [slachtoffer] is van psychisch nadeel reeds gebleken.

Het eerder genoemde pro justitia rapport houdt – zakelijk weergegeven – het volgende in:

Er is bij betrokkene sprake van een ernstige seksuele stoornis in de vorm van pedofilie. Voorts is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis Niet Anderszins Omschreven met narcistische, borderline en afhankelijke kenmerken. Zowel de ziekelijke stoornis van de geestvermogens als de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestonden tijdens het ten laste gelegde.

Binnen de specifieke gezinssituatie is betrokkene vanuit de seksuele pathologie als ook vanuit de elementen van de persoonlijkheidsstoornis NAO, te weten de identiteitsproblematiek, het lustgestuurd en ik-gericht zijn, de gebrekkige agressieregulatie en impulscontrole, het lacunair geweten en het gebrek aan empathie, gekomen tot de ten laste gelegde feiten. Betrokkene kan worden beschouwd als verminderd toerekeningsvatbaar.

Van de seksuele problematiek, de verstoorde identiteitsontwikkeling en de persoonlijkheidsproblematiek is bekend dat langdurige behandeling noodzakelijk is ten einde herhaling te voorkomen. Geadviseerd wordt langdurige begeleiding door de Reclassering en voortzetting van de behandeling door De Waag.

De rechtbank neemt voornoemd advies over en maakt dit tot de hare.

Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten, daarbij met name de zeer lange periode en de leeftijd van het slachtoffer in aanmerking genomen, is de rechtbank van oordeel dat geen andere straf op haar plaats is dan een die vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Een gedeelte daarvan behoeft vooralsnog niet ten uitvoer te worden gelegd om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst strafbare soortgelijke feiten te begaan. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de Reclassering gedurende de proeftijd noodzakelijk, ook indien dit inhoudt dat verdachte de behandeling bij De Waag afmaakt. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden. Voorts zal de rechtbank als voorwaarde opnemen dat verdachte gedurende de proeftijd geen contact opneemt met het slachtoffer.

De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel een proeftijd van drie jaar verbinden, nu de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de persoon van verdachte nopen tot een langdurige reclasseringsbegeleiding en behandeling ter voorkoming van herhaling.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 57, 244 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het hem onder 3 ten laste gelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4 vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 MAANDEN.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaar.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

– verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

– verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, ook als dit inhoudt een behandeling bij De Waag;

– verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij geen middellijk dan wel onmiddellijk contact zal hebben met [slachtoffer].

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Kingma, voorzitter,

mrs. De Vries en Van den Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. De Vries,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 april 2007.