Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA7730

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-06-2007
Datum publicatie
21-06-2007
Zaaknummer
06/5141
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2009:BI3638, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Loonbelasting. Eiseres had gezien gebreken in identiteitsbewijzen redelijkerwijs moeten onderkennen dat valse of vervalste identiteitsbewijzen waren verstrekt. Anoniementarief derhalve terecht toegepast. Brutering eveneens terecht omdat verhaal van loonheffing op voorhand feitelijk onmogelijk is geworden. Boete van 25% is eveneens terecht nu er sprake is van in het oog springende vervalsingen en derhalve grove schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/5141

Uitspraakdatum: 20 juni 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X B.V., gevestigd te Z, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan eiseres is een naheffingsaanslag loonbelasting / premie volksverzekeringen over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2002 opgelegd ten bedrage van € 134.973, alsmede bij afzonderlijke beschikking een boete van € 66.335. Tevens is tot een bedrag van € 12.659 heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 25 maart 2006 de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 123.008, de boete verminderd tot een bedrag van € 30.752 en het bedrag aan heffingsrente verminderd met € 1.134.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 14 april 2006, ontvangen bij de rechtbank op 19 april 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft schriftelijk gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2007 te Haarlem. Namens eiseres is daar verschenen A, bijgestaan door B. Namens verweerder is verschenen C.

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. Eiseres heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij de pleitnota van verweerder behorende bijlagen.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 Eiseres drijft haar onderneming sinds 31 maart 1994. Directeur zijn de heren A en D. De activiteiten bestaan uit het verlenen van diensten aan ondernemingen, in het bijzonder diensten op het gebied van catering, management, onderhoud en automatisering alsmede holdingactiviteiten en schoonmaakonderhoud.

2.2. In het jaar 2001 zijn 140 medewerkers in dienst geweest.

2.3. Op 9 oktober 2003 – na aankondiging op 6 oktober 2003 – heeft verweerder een boekenonderzoek ingesteld bij eiseres. Het boekenonderzoek had tot doel te beoordelen of eiseres heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 28, eerste lid, aanhef en onderdeel f , van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964).

2.4. Het conceptrapport inzake het boekenonderzoek is gedagtekend 10 maart 2004 en op die datum aan eiseres aangeboden. Verweerder concludeert in het rapport dat bij 15 werknemers (verwijtbaar) niet is voldaan aan de WID verplichting. De bevindingen van de controle over het jaar 2001 heeft verweerder toegerekend aan de overige jaren op basis van het voorkomen in de loonadministratie in de jaren 2000 en 2002 van de personeelsleden ten aanzien van wie op basis van de controle over 2001 is geconstateerd dat niet voldaan is aan de vereisten van artikel 28, eerste lid, onderdeel f, Wet LB 1964.

2.5. Op 10 maart 2004 is voorts een kennisgeving van de boete in de zin van artikel 67k van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) aan eiseres verzonden.

2.6. Op 26 mei 2004 heeft verweerder een tweede, gewijzigd conceptrapport aan eiseres verzonden. In dit rapport wordt ten aanzien van 2 werknemers tot niet-verwijtbaarheid geconcludeerd en zijn ten aanzien van 13 werknemers de gebreken als verwijtbaar aangemerkt.

2.7. Naar aanleiding van het boekenonderzoek is met dagtekening 27 december 2004 de naheffingsaanslag opgelegd, alsmede bij afzonderlijke beschikking de vergrijpboete.

2.8. Op 23 augustus 2005 heeft een hoorgesprek tussen eiseres en verweerder plaatsgevonden, wat heeft geleid tot een herbeoordeling van de WID-bescheiden, genoemd in het eerste conceptrapport van 10 maart 2004. Door de toenmalige gemachtigde van eiseres is op 8 september 2005 schriftelijk gereageerd op het hoorverslag.

2.9. Aan het bezwaar van eiseres is gedeeltelijk tegemoetgekomen. De correcties voor de jaren 2000 en 2002 worden opgelegd ten aanzien van de 13 werknemers waarvan in het tweede conceptcontrolerapport (van 26 mei 2004) gesteld is dat verwijtbaar niet aan de WID verplichtingen is voldaan en de boetes heeft verweerder verminderd tot 25%.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is of de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd en vastgesteld.

3.2. Eiseres stelt zich op het standpunt dat identificatie en verificatie van de gegevens van de werknemers heeft plaatsgevonden en zij aan de verplichtingen uit artikel 28, eerste lid, aanhef en onder f, Wet LB1964 heeft voldaan. Eiseres stelt daarbij dat er in het jaar 2001 geen wettelijke bepalingen waren ten aanzien van de procedure die een inhoudingsplichtige zou moeten volgen. Eiseres stelt voorts dat verweerder tekort is geschoten de werkgever / inhoudingsplichtige te informeren over de wijze waarop identificatie en verificatie van de werknemers en hun gegevens moet plaatsvinden en dat het risico van onjuiste uitvoering niet bij eiseres gelegd mag worden. Ten aanzien van door verweerder gestelde gebreken in handtekeningen merkt eiseres op dat er geen wettelijke voorschriften zijn voor een handtekening. Eiseres is voorts voornemens om de niet ingehouden loonbelasting op de werknemers te verhalen zodat er geen brutering dient plaats te vinden.

3.3. Verweerder heeft zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat eiseres gelet op de gebreken in de identiteitsbewijzen had moeten weten dat de desbetreffende werknemers zich legitimeerden met een niet geldig identiteitsbewijs en dat daarom het anoniementarief door eiseres had moeten worden toegepast. Verweerder is van mening dat ook vóór 2000 kennis van echtheidskenmerken openbaar beschikbaar was in bijvoorbeeld folders. Ten aanzien van het verhalen van de niet ingehouden loonbelasting / premie volksverzekeringen is verweerder van mening dat de mogelijkheid van verhaal op voorhand illusoir is nu er geen sprake is van een geldig identiteitsbewijs. Met betrekking tot de opgelegde boete is verweerder van mening dat er sprake is van grove schuld zodat de boete terecht niet verder verminderd is dan tot 25%.

4. Beoordeling van het geschil

Het anoniementarief

4.1.1. Ingevolge artikel 28, aanhef en onderdeel f, Wet LB 1964, is de inhoudingsplichtige volgens bij ministeriële regeling te stellen regels gehouden de identiteit van de loon uit tegenwoordige dienstbetrekking genietende werknemer vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht (Stb. 1993, 660) (hierna: WID), alsmede de aard, het nummer en een afschrift van dat document in de loonadministratie op te nemen. Aan deze verplichting tot vaststelling van de identiteit heeft de inhoudingsplichtige niet voldaan, indien hij had moeten constateren dat het identificatiedocument dat de werknemer hem toont, gebreken vertoont en daarmee als vals moet worden bestempeld. Van een inhoudingsplichtige mag verwacht worden dat hij de valsheid van het document constateert, indien sprake is van één of meer in het oog springende fouten of afwijkingen in het document.

4.1.2. Ingeval de identiteit van een werknemer niet is vastgesteld en opgenomen in de loonadministratie overeenkomstig artikel 28, onderdeel f, van de Wet LB 1964, alsmede ingeval de werknemer ter zake onjuiste gegevens heeft verstrekt en de inhoudingsplichtige dit weet of redelijkerwijze had moeten weten, is ingevolge artikel 26b Wet LB 1964 het zogenoemde anoniementarief van toepassing.

4.1.3. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat er in alle gevallen sprake is van in het oog springende afwijkingen of fouten heeft verweerder ter zitting een echt paspoort van het sedert 1997 gehanteerde model getoond en een kopie daarvan overgelegd. In het paspoort is te zien dat op de foto rechtsboven de hoofdletters “NL” zijn aangebracht, onder aan de foto een cijfercode en aan de rechterzijde van de foto een kartelrand is aangebracht. Eiseres bestrijdt niet de juistheid van deze echtheidskenmerken, doch is van mening dat bij de hem getoonde documenten er geen sprake is van in het oog springende fouten of vervalsingen.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat verweerder van meet af aan eiseres uitsluitend heeft tegengeworpen dat zij niet aan in artikel 28, eerste lid, aanhef en onder f, Wet LB 1964 neergelegde identificatieverplichting heeft voldaan en daarop ook het controleonderzoek was gericht, zodat voorbijgegaan moet worden aan de eerst bij verweerschrift ingenomen stelling dat toepassing van het anoniementarief aan de orde was omdat loonbelastingsverklaringen ontbreken of onvolledig zouden zijn ingevuld. Het dossier bevat voor die stellingname overigens ook geen overtuigende onderbouwing. Ten aanzien van de vraag of eiseres de verplichting tot vaststelling van de identiteit van de 13 werknemers, waarvoor verweerder heeft nageheven, niet is nagekomen, overweegt met betrekking tot de onderhavige identiteitsbewijzen het volgende.

4.2.1. Op de kopie van het paspoort van E ontbreken op de foto rechts bovenin de letters “NL”, onderin ontbreekt een (alfa-) numerieke code en is geen kartelrand aan de rechterzijde van de foto aangebracht. De rechtbank is gezien deze gebreken van oordeel dat er sprake is van een in het oog springende afwijking, zodat eiseres in redelijkheid had moeten concluderen dat het overgelegde paspoort vals was. Verweerders stelling, dat het lettertype afwijkend was, behoeft geen bespreking.

4.2.2. Werknemer F heeft zich geïdentificeerd met een E-document: verblijfskaart van een gemeenschapsonderdaan, waarop is vermeld dat hij de Ghanese nationaliteit heeft. Verweerder stelt zich op het standpunt dat dat document vals is. Verweerder voert daartoe aan dat E-documenten alleen worden verstrekt aan EU-onderdanen, dat F afkomstig is uit Ghana en dus nooit in het bezit kan zijn van een E-document. De rechtbank volgt verweerder daarin niet, omdat om te kunnen worden aangemerkt als gemeenschapsonderdaan niet in alle gevallen vereist is dat de betrokkene de nationaliteit heeft van een lidstaat van de Europese Unie. Een familielid van een onderdaan van een lidstaat die de nationaliteit van een derde staat bezit, wordt immers onder omstandigheden ook behandeld en aangemerkt als gemeenschapsonderdaan (vergelijk artikel 1, aanhef en onder e, en 2e, Vreemdelingenwet 2000). Verweerders stelling omtrent dit document is daarom onvoldoende voor de conclusie dat het document vals zou zijn, laat staan dat eiseres redelijkerwijs had kunnen of moeten concluderen dat werknemer F onjuiste gegevens heeft verstrekt.

4.2.3. Wat betreft het paspoort van werknemer G is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een in het oog springende afwijking. De kopie van het paspoort die zich bij de stukken bevindt, is van slechte kwaliteit. Op basis van deze kopie kan niet vastgesteld worden of op het getoonde origineel bij de foto rechts bovenin de letters “NL” ontbreken, onderin een (alfa-) numerieke code ontbreekt en of er een kartelrand op de foto aanwezig was. Evenmin kan vastgesteld worden óf er sprake is van een afwijkend lettertype en of de handtekening op het origineel ontbrak. Het enkele feit dat er sprake is van een onduidelijke kopie is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te oordelen dat er sprake is van een in het oog springende afwijking.

4.2.4. Ten aanzien van het identiteitsbewijs van werknemer H heeft verweerder wel gesteld dat er sprake is van een “vals oud vreemdelingendocument”, maar niet onderbouwd waarom sprake zou zijn van een vals document. Tegenover de gemotiveerde betwisting van eiseres is die stelling onvoldoende om aannemelijk te achten dat er sprake is van een in het oog springende afwijking. Dat de handtekening op het vreemdelingendocument afwijkt van de handtekening op de loonbelastingverklaring acht de rechtbank, anders dan verweerder stelt, bij vergelijking van de documenten niet evident. De handtekening op het paspoort is kennelijk gezet in arabische lettertekens. Dat de handtekening op het vreemdelingendocument, die kennelijk niet uit arabische tekens is samengesteld, daarvan afwijkt, hoefde eiseres niet op te merken als een in het oog springende afwijking, nog daargelaten of een dergelijke handtekening het document vals maakt. Verweerders stelling dat de loonbelastingverklaring niet volledig is ingevuld en dat er sprake is van niet overeenkomende handtekeningen, is evenmin voldoende voor de conclusie dat het vreemdelingendocument vals is.

4.2.5. Wat betreft werknemer I ontbreken op de foto in het overgelegde paspoort rechts bovenin de letters “NL”, onderin ontbreekt een (alfa-) numerieke code en er is geen kartelrand op de foto. De rechtbank is gezien deze gebreken van oordeel dat er sprake is van een in het oog springende afwijking zodat eiseres niet in redelijkheid heeft kunnen aannemen dat het overgelegde paspoort echt was.

4.2.6. Wat betreft werknemer met de “given name” J en de “surname” K heeft verweerder zijn stelling dat er sprake is van een kopie van een kopie, niet aannemelijk gemaakt. Voorts heeft verweerder niet gesteld dat er sprake is van een vals identiteitsbewijs. Gezien het vorenoverwogene is er geen sprake is van een in het oog springende fout of afwijking. Dat de voor- en achternaam in de handtekening zouden zijn verwisseld, kan uit die handtekening zelf niet worden opgemaakt.

4.2.7. Wat betreft werknemer L ontbreken op de foto in het overgelegde paspoort rechts bovenin de letters “NL”, onderin ontbreekt een (alfa-) numerieke code en is er geen kartelrand aan de rechterzijde van de foto aangebracht. De rechtbank is gezien deze gebreken van oordeel dat er sprake is van een in het oog springende afwijking, zodat eiseres niet in redelijkheid heeft kunnen aannemen dat het overgelegde paspoort echt was.

4.2.8. Het identiteitsbewijs van werknemer M is een Marokkaans paspoort. In dit paspoort is een verblijfsaantekening opgenomen doch arbeid is volgens deze aantekening niet toegestaan. Ingevolge artikel 28, aanhef en onderdeel f, Wet LB 1964 in verband met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 2e, WID dient eiseres de identiteit van een vreemdeling vast te stellen aan de hand van de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Ingevolge artikel 50, eerste lid, laatste volzin Vreemdelingenwet 2000, in verband met artikel 4.21, eerste lid, aanhef en onder e, Vreemdelingenbesluit 2000 is voor een vreemdeling als M, een dergelijke document een document voor grensoverschrijding, derhalve een paspoort, waarin een aantekening omtrent de verblijfsrechtelijke positie is geplaatst. De feitelijke verblijfsstatus van de betreffende werknemer, noch de vraag of arbeid wel of niet is toegestaan, is in het kader van de vaststelling van de identiteit van deze werknemer in het licht van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder f, Wet LB 1964 relevant. Andere argumenten voor de conclusie dat het Marokkaanse paspoort vals is, heeft verweerder niet naar voren gebracht. Evenmin wijken de door deze werknemer op verschillende documenten gebruikte handtekeningen dusdanig af dat hieruit afgeleid kan worden dat er sprake is van een in het oog springende afwijking van het identiteitsbewijs die noopt tot de conclusie dat het paspoort vals is. Mitsdien is er geen grond voor het oordeel dat eiseres de identiteit onjuist heeft vastgesteld.

4.2.9. De foto op de identiteitskaart van werknemer N is, zoals verweerder terecht heeft gesteld, scheef afgeknipt en kennelijk naderhand aangebracht op de identiteitskaart. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een in het oog springende fout of afwijking en heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid kunnen aannemen dat de overgelegde identiteitskaart echt was.

4.2.10. Ten aanzien van de identiteitskaart van werknemer O heeft verweerder niet gesteld dat er sprake is van een vals identiteitsbewijs. De rechtbank is derhalve van oordeel dat eiseres de identiteit van deze werknemer op de juiste wijze heeft vastgesteld. De verwisseling van de voor en achternaam van deze werknemer op de arbeidsovereenkomst, brengt nog niet mee dat de werkgever de identiteit niet goed heeft vastgesteld. Ondertekening van stukken met een voornaam is naar het oordeel van de rechtbank niet onjuist.

4.2.11. Verweerder heeft gesteld dat er van werknemer Q geen kopie van een identiteitsbewijs aanwezig was. Bij de door verweerder overlegde stukken bevindt zich echter wel een kopie van het paspoort van deze werknemer. Verweerder heeft niet gesteld dat er sprake is van een vals identiteitsbewijs. De rechtbank is derhalve van oordeel dat eiseres de identiteit van deze werknemer op de juiste wijze heeft vastgesteld.

4.2.12. De handtekening van werknemer R op het identiteitsbewijs en de loonbelastingverklaring komen niet met elkaar overeen. Dit feit is naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf echter onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van een vals identiteitsbewijs, laat staan dat er sprake is van een voor eiseres kenbare vervalsing. Naar het oordeel van de rechtbank is voorts niet aannemelijk dat er sprake is van een vals identiteitsbewijs met een opgeplakte foto nu de stempel die op het identiteitsbewijs is geplaatst doorloopt over de foto. Hierbij overweegt de rechtbank dat een identiteitsdocument uit een ander land dan Nederland voldoende is om de identiteit van de betreffende werknemer vast te stellen.

4.2.13. De stempel op de foto op het paspoort van werknemer S loopt niet door op het paspoort zelf. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve aannemelijk dat deze foto later op het paspoort is geplakt en dat er sprake is van een vervalsing. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een in het oog springende fout of afwijking en heeft eiseres niet in redelijkheid kunnen aannemen dat het overgelegde paspoort echt was.

4.3. Gelet op het voorgaande had eiseres ten aanzien van de werknemers E, I, L, N en S redelijkerwijs moeten onderkennen dat valse of vervalste identiteitsbewijzen waren verstrekt, zodat hij bij deze werknemers het anoniementarief had moeten toepassen en verweerder terecht heeft nageheven.

4.4. Aan voormeld oordeel doet niet af de stelling van eiseres dat verweerder tekort is geschoten in het verstrekken van informatie over de identificatie- en verificatieplicht en dat dit tekortschieten niet voor rekening van eiseres kan worden gebracht. De hiervoor geconstateerde gebreken in de documenten waren van dien aard dat eiseres ook zonder zulke informatie de valsheid in die documenten had moeten constateren. De omstandigheid dat verweerder in het tweede gewijzigde rapport van het boekenonderzoek van 26 mei 2004 met betrekking tot een tweetal identiteitsbewijzen is teruggekomen op zijn stelling dat sprake was van kenbare gebreken, brengt hierin geen verandering. De opmerking van eiseres dat op basis van dezelfde documenten sofinummers zijn toegekend, brengt evenmin verandering in voormelde oordelen, omdat aan eiseres in de wet een eigen onderzoeksplicht is opgelegd. Zoals hiervoor geoordeeld heeft eiseres niet in redelijkheid kunnen aannemen dat de documenten van de onder 4.3 genoemde werknemers echt waren.

4.5. De rechtbank is ten aanzien van de in punt 4.3. genoemde werknemers voorts van oordeel dat er terecht brutering van het anoniementarief heeft plaatsgevonden. Doordat er betalingen hebben plaatsgevonden aan personen met valse identiteitsbewijzen was verhaal van de loonbelasting immers reeds op voorhand feitelijk onmogelijk geworden. Verweerder kon derhalve in redelijkheid aannemen dat eiseres de loonheffing direct voor haar rekening heeft genomen. Eiseres heeft hier tegenover niet aannemelijk gemaakt dat verhaal in deze omstandigheden feitelijk wel mogelijk was.

4.6. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat naar aanleiding van een controle over de jaren 1994 tot en met 1998, UWV Cadans aan haar heeft medegedeeld dat zij voldeed aan de eisen van de WID en dat hiermee bij eiseres het in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat zij juist handelde bij de identificatie en verificatie van haar werknemers. Verweerder heeft zulks betwist en daarbij gesteld dat het enkele feit dat over genoemde jaren niet is nageheven niet het te honoreren vertrouwen wettigt dat naheffing ook voor latere jaren achterwege zou blijven.

4.7. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Een juiste wetstoepassing wordt opzij gezet, indien een belastingplichtige heeft mogen aannemen dat een bepaalde aangelegenheid bij een eerdere controle op zijn fiscale merites is beoordeeld en dat een en ander de goedkeuring van verweerder heeft kunnen wegdragen. De rechtbank is van oordeel dat eiseres in de gegeven omstandigheden, waarbij er sprake is geweest van een controle door een ander bestuursorgaan dan verweerder, niet mocht aannemen dat de wijze waarop eiseres voldeed aan haar WID-verplichtingen op haar fiscale merites was beoordeeld en de goedkeuring van verweerder had. Hierbij neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat de documenten die door verweerder zijn beoordeeld andere documenten zijn dan tijdens de looncontrole over de jaren 1994 tot en met 1998 door UWV Cadans zijn beoordeeld.

De boete

4.8. In artikel 67f, eerste lid, AWR is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“Indien het aan opzet of grove schuld van de inhoudingsplichtige is te wijten dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete.”

4.9. Naar vaste jurisprudentie moet onder grove schuld, waarop verweerder zich uiteindelijk in beroep heeft beroepen, worden verstaan een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat het begrip mede grove onachtzaamheid. Volgens paragraaf 25, tweede lid, Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 legt de inspecteur in het geval van grove schuld een vergrijpboete op van 25%. Naar het oordeel van de rechtbank is er in casu, nu er sprake is van in het oog springende vervalsingen, sprake van grove onachtzaamheid van de zijde van eiseres. Eiseres kan derhalve grove schuld verweten. Een boete van 25% acht de rechtbank passend en geboden.

4.10. Nu sedert de kennisgeving van de boete op 10 maart 2004 meer dan twee jaren zijn verstreken, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van overschrijding van de redelijke termijn. In verband met overschrijding van de redelijke termijn dient de resterende boete verminderd te worden met 10%.

4.11. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard. De uitspraken op bezwaar zullen worden vernietigd. Nu de rechtbank over onvoldoende gegevens beschikt om zelf in de zaak te voorzien, zal hij verweerder opdragen met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de bezwaren te beslissen.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan-lei-ding verweerder te veroordelen in de kos-ten die eiseres in verband met de behande-ling van het beroep redelij-kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak binnen 10 weken opnieuw op de bezwaren van eiseres te beslissen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 281 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 20 juni 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. R.G. Kemmers, voorzitter, mr. R.H.M. Bruin en mr. A.A. Fase, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Mulder, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.