Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BA7703

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-06-2007
Datum publicatie
20-06-2007
Zaaknummer
15/800617-07
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2007:BB0460, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft ter zitting aan de officier van justitie verzocht om meer informatie te verschaffen over de door het Openbaar Ministerie gestelde rechtsongelijkheid op Schiphol ten opzichte van de rest van Nederland bij het straftoemetingsbeleid in vergelijkbare gevallen van cocaïnekoeriers. De officier van justitie heeft desgevraagd meegedeeld dat het landelijke straftoemetingsbeleid ten aanzien van genoemde koeriers een diffuus beeld geeft. De rechtbank kan hieraan geen andere gevolgtrekking verbinden dan dat de officier van justitie de stelling over de rechtsongelijkheid niet heeft kunnen onderbouwen. Ook ambtshalve is de rechtbank niet gebleken dat deze rechtsongelijkheid zich zou voordoen. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de door de rechtbank laatstelijk op 1 september 2003 vastgestelde interne (ook aan openbaar ministerie en advocatuur bekendgemaakte) oriëntatiepunten straftoemeting drugskoeriers. Het zijn deze door de rechtbank geïnitieerde oriëntatiepunten die, behoudens gedurende de periode van het zogeheten heenzendbeleid, steeds door het Openbaar Ministerie zijn gevolgd en door het Gerechtshof in hoger beroep zijn getoetst en die uitgangspunt zijn voor het huidige straftoemetingsbeleid van de rechtbank. Deze oriëntatiepunten zijn tot stand gekomen zonder dat daarbij ( steeds wisselende) beleidsargumenten van het Openbaar Ministerie, zoals die over de beheersbaarheid van de toestroom van de cocaïnekoeriers, een rol hebben gespeeld. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om van haar tot op heden gevoerde straftoemetingsbeleid af te wijken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 213
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

SECTOR STRAFRECHT

VESTIGING SCHIPHOL

MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Parketnummer: 15/800617-07

Uitspraakdatum: 20 juni 2007

Tegenspraak

STRAFVONNIS

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 juni 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Flevoland, HvB Lelystad te Lelystad.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij op of omstreeks 18 mei 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan

in dier voege dat hij op 18 mei 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de navolgende bewijsmiddelen zijn vervat.

Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

De verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, houdt -zakelijk weergegeven- onder meer het volgende in.

Op 18 mei 2007 ben ik per vliegtuig vanuit Suriname op de luchthaven Schiphol aangekomen. Ik had tevoren 85 bolletjes geslikt. Ik wist dat er cocaïne in die bolletjes zat.

Het proces-verbaal van de Kmar Brigade Recherche & Informatie District Schiphol Rechercheteam Drugsbestrijding, Dossiernummer PL27RR/07-002882 d.d. 29 mei 2007.

Het proces-verbaal van District Kmar Schiphol/Brigade Recherche en Informatie Afdeling 1e lijns Drugsbestrijding Rechercheteam Drugsbestrijding mutatienummer PL27RR/07-036105 d.d. 25 mei 2007.

Deskundigenrapport

Het rapport van het Douanelaboratorium te Amsterdam, laboratoriumnummer 6614 X 07, d.d. 31 mei 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de vast gerechtelijk deskundige [deskundige].

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie(s) en van overige beslissingen

6.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - zakelijk weergegeven - tot het navolgende gerekwireerd:

- bewezenverklaring van het feit;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;

- verbeurdverklaring van het vliegticket, de instapkaart en het visitekaartje;

- teuggave aan verdachte van notitieblaadjes en twee telefoontoestellen.

-

Het volledige requisitoir van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De officier van justitie heeft ter toelichting op de eis ter terechtzitting aangevoerd dat vanaf 15 mei 2007 weer wordt gevorderd conform de richtlijn Opiumwet hard drugs, hetgeen tot beduidend hogere strafeisen leidt dan de tot voor kort gebruikelijke. Aanleiding voor dit nieuwe beleid is het feit dat al geruime tijd sprake zou zijn van een beheersbare situatie rondom de cocaïnekoeriers op Schiphol, waardoor er niet langer grond is voor een volgens het Openbaar Ministerie ten opzichte van de rest van Nederland voor Schiphol afwijkend – beduidend milder – strafvorderingsbeleid voor cocaïnekoeriers die op Schiphol worden aangehouden.

6.2 De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank volgt de eis van de officier van justitie volgens deze (hernieuwde) richtlijn niet.

De rechtbank heeft ter zitting aan de officier van justitie verzocht om meer informatie te verschaffen over de door het Openbaar Ministerie gestelde rechtsongelijkheid op Schiphol ten opzichte van de rest van Nederland bij het straftoemetingsbeleid in vergelijkbare gevallen van cocaïnekoeriers. De officier van justitie heeft desgevraagd meegedeeld dat het landelijke straftoemetingsbeleid ten aanzien van genoemde koeriers een diffuus beeld geeft.

De rechtbank kan hieraan geen andere gevolgtrekking verbinden dan dat de officier van justitie de stelling over de rechtsongelijkheid niet heeft kunnen onderbouwen. Ook ambtshalve is de rechtbank niet gebleken dat deze rechtsongelijkheid zich zou voordoen.

Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de door de rechtbank laatstelijk op 1 september 2003 vastgestelde interne (ook aan openbaar ministerie en advocatuur bekendgemaakte) oriëntatiepunten straftoemeting drugskoeriers. Het zijn deze door de rechtbank geïnitieerde oriëntatiepunten die, behoudens gedurende de periode van het zogeheten heenzendbeleid, steeds door het Openbaar Ministerie zijn gevolgd en door het Gerechtshof in hoger beroep zijn getoetst en die uitgangspunt zijn voor het huidige straftoemetingsbeleid van de rechtbank. Deze oriëntatiepunten zijn tot stand gekomen zonder dat daarbij ( steeds wisselende) beleidsargumenten van het Openbaar Ministerie, zoals die over de beheersbaarheid van de toestroom van de cocaïnekoeriers, een rol hebben gespeeld.

De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om van haar tot op heden gevoerde straftoemetingsbeleid af te wijken

6.3 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van ongeveer 758,3 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

Tevens acht de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf passend en geboden.

6.4 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een vliegticket, een instapkaart en een visitekaartje dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van die voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, is begaan of voorbereid.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

9, 22c, 22d, 33,33a van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van DRIE MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Veroordeelt verdachte voorts tot het verrichten van 240 uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid. Indien deze taakstraf niet naar behoren wordt verricht zal deze worden vervangen door honderdtwintig (120) dagen hechtenis.

De taakstraf moet worden voltooid binnen de termijn van één jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis.

Beveelt de opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf.

Verklaart verbeurd:

een KLM vliegticket, een Surinam instapkaart en een visitekaartje.

Gelast de teruggave aan verdachte van diverse notities/ memo’s, een Nokia telefoontoestel en een Samsung telefoontoestel.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,

mrs. Milius en Wolfs, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Van Leer,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 juni 2007.